Jesaja’s roepingsvisioen

Een profetie van de voor ons bestemde genade

Ook voor het roepingvisioen van Jesaja geldt de waarheid uit 1 Petrus 1:10-12, dat de Geest van Christus die hem inspireerde, doelde op het lijden dat over de Christus zou komen en op de heerlijkheid die daarna zou volgen. Ook aan Jesaja werd geopenbaard dat hij niet zichzelf diende, maar ons. Wij willen daarom het gezicht uit Jesaja 6 – het enige dat van hem bekend is – transponeren naar het tijdperk van het Koninkrijk der hemelen en aantonen dat deze profeet ‘uit de verte’ of in geestvervoering de realiteit van het onzienlijke Koninkrijk van God zag en ‘omhelsde’. Ook Ezechiël profeteerde rijk over deze geestelijke wereld, maar deed dit vaak in beelden die moeilijk te verklaren zijn. Het visioen dat Jesaja ontving, gaf hem voortaan een hemelse visie bij zijn profeteren. Daarom begint zijn boek met de woorden:

  • ‘Het ‘gezicht’ van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij heeft gezien over Juda en Jeruzalem in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda’.

Hij profeteerde dus al een tijd, voordat hij plotseling een totale vernieuwing van denken onderging. Zijn roeping viel immers in het sterfjaar van Uzzia, dus kort na zijn dood, toen grote politieke veranderingen plaatsvonden. Het verging hem als de blinde op wie Jezus tweemaal de handen legde. De eerste maal zag hij de mensen als bomen wandelen, maar de tweede maal zag hij alles duidelijk.

In het hemelse heiligdom

Uzzia was een machtige koning geweest. Hij had zijn land tot grote bloei gebracht. Hij diende God zolang de profeet Zacharia – ons verder niet bekend – leefde. Toen deze geestelijke leider stierf, week de koning echter af, omdat hij geen leven had in zichzelf. Hij werd hoogmoedig en handelde achterbaks. Hij probeerde zijn Koninklijke waardigheid met een priesterlijke te verbinden. Hij drong het heiligdom binnen om reukwerk te ontsteken. Dit werd hem echter door de hogepriester, bijgestaan door tachtig priesters, belet. Toen hij zich hierover kwaad maakte brak bij hem de melaatsheid uit aan het voorhoofd als teken, dat zijn denken onzuiver was en hij door een onreine geest gegrepen was. Tot aan zijn dood werd deze koning als een onreine apart gesteld en zelfs daarna ‘in het veld naast de begraafplaats van de koningen’ begraven. De naam Uzzia betekent ‘kracht van God’, maar deze kracht week van hem vanwege zijn ongehoorzaamheid aan Gods instellingen (2 Kron.26).

Natuurlijk was het tempeldrama van koning Uzzia het onderwerp van gesprek, vooral omdat snel na een tijd van welvaart een recessie volgde en de dreiging opkwam van het wereldrijk Assyrië en nog later van Babel. In dat kritieke jaar zag Jesaja, net als de ziener van Patmos een deur geopend in de hemel (Openb.4:1) – er is sprake van dorpelposten – en kwam hij in vervoering van de geest. Hij werd in tijd en ruimte verplaatst en zag wat na hem in een ander tijdperk zou plaatsvinden. Hij trad het hemelse heiligdom binnen waarvan de aardse tempel slechts een schaduw was. Daar zag hij de Mensenzoon op de troon van zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem.

Hij zag de Heer zitten, dus niet Jahweh, die in onze vertalingen meestal met kapitale letters wordt aangeduid als Heer, maar Adonia, een naam die in het Grieks door Kurios is vertaald, dus onze ‘Heer’ Jezus. De profeet zag de komende Christus op de troon van God ‘omdat hij zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak’ (Joh. 12:41). Hij zag daar Jezus zitten, met heerlijkheid en eer gekroond, een teken dat hij op dat tijdstip alle macht in hemel en op aarde bezat. De sleep van zijn Koninklijke gewaad vervulde de tempelruimte en bezat een glorie en kracht als teken dat het herstelplan van God in werking was getreden. Denk maar aan de symbolische daad van de bloedvloeiende vrouw, die de zoom van zijn kleed had aangeraakt en onmiddellijk genezen was.

Boven of liever ‘om’ onze Heer waren de engelen die voor God staan. De Bijbel onderscheidt hen in twee groepen, namelijk de cherubs (strijders) van wie een afbeelding boven het verzoendeksel van de ark was, als de beschermers van het Woord van God en verder in dit visioen de serafs (boodschappers). Deze verheerlijken het offer van Christus. Engelen strijden met de zonen van God uit de mensen mee om de waarde van dit offer te accentueren en de vrucht ervan te genieten. Zij zijn immers blij als een zondaar zich bekeert. Zij richten zich op de vrijmaking van de zuchtende schepping en staan onder hun aanvoerder Michaël, ‘die de zonen van uw volk terzijde staat’ (Dan.12:1). Zonen van God zijn altijd hemelburgers, hetzij engelen of mensen.

Jesaja zag de serafs als gevleugeld, waarbij niet gedacht moet worden aan iets natuurlijks, want engelen horen bij de geestenwereld. Met hun zes vleugels beeldden zij iets uit:

  • Met twee bedekten allen het gelaat, omdat zij de uitwerking van de verzoening niet konden begrijpen. Engelen wensen immers een blik te slaan in het evangelie, maar hebben zelf geen deel of kennis aan de redding, die door Hem die op de troon zit, als Lam van God, voor mensen was bewerkt (1 Petr.1:12).
  • Met twee vleugels bedekten zij hun voeten, omdat zij als hemelboden ook dit evangelie van God niet kunnen doorgeven. Het eeuwige voornemen van God met de mens kan slechts door mensen worden gepredikt, zoals Jesaja later schreef en door Paulus verkort werd geciteerd: ‘Hoe lieflijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen’ (52:7 en Rom.10:15).
  • Met de overige twee vleugels vlogen zij, een beeld dat zij actief functioneren in de hemelse gewesten. Engelen kennen immers geen ontwikkelingsproces zoals de mens. Vanaf het moment dat zij geschapen werden, waren zij gereed, of ‘af’ (Ez.28:13e).

De tempel is de gemeente

De apostel Johannes hoorde later een stem van veel engelen ‘rondom’ de troon. Ook hij merkte twee categorieën engelen op, want hij verdeelde hen in aantallen: tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen. Samen beaamden ze daar, dat de Zoon gesteld is ‘tot erfgenaam van alle dingen’. Hun zevenvoudige lofprijzing duidde aan, dat alles wat de Vader bezit, aan Jezus is overgegeven: macht, rijkdom, wijsheid, sterkte, eer, heerlijkheid en lof (Op.5:11,12). Jesaja staat hier onverwachts in de toekomstige tempel van God, die niet op aarde maar in de hemel is. Dit heiligdom is de woonplaats van God in de geestelijke wereld. Binnen haar muren kan men niet onheilig leven, want:

  • ‘U kunt niet drinken uit de beker van de Heer en ook uit die van demonen, u kunt niet deelnemen aan de maaltijd van de Heer en ook aan die van demonen’ (1 Cor.10:21).

Daarom weerklinkt de beurtzang van de engelen: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heer Zebaoth’, de Heer in wiens dienst het geallieerde leger van de zonen van God – engelen en mensen – staat. Willen zij overwinnen, dan zullen zij heilig moeten zijn, dus geheeld en gescheiden van de demonen, want het oordeel of de scheiding begint bij het huis van God. Op de troon zijn de Vader en de Zoon, want de vraag wordt gesteld: ‘wie zal Ik, Jezus, zenden en wie zal voor Ons, Vader en Zoon, heengaan?’ Het positieve antwoord komt dan niet alleen van de profeet, maar door middel van de gemeente zal in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God worden bekend gemaakt. Dit zag Jesaja toen hij van Hem en over de voor ons bestemde genade profeteerde. Als hij uitroept: ‘zend mij’, is hij de representant van de zonen van God in het nieuwe verbond, zo goed als hij later als type van Christus sprak: ‘Wie gelooft onze prediking?’

Jezus is de deur

Jesaja zag het lijden van Christus en zijn heerlijkheid daarna. Voor een man uit het oude verbond zag hij het ongelofelijke gebeuren, namelijk dat de toegang tot de tempel ontsloten werd, want de dorpelposten beefden. Vergelijk de situatie van Paulus en Silas in de kerker te Filippi, toen de grondvesten van de gevangenis schudden en alle deuren opengingen (Hand.16:26). Er gebeurde iets dat de onzichtbare wereld in beroering bracht. Voor het eerst in de verlossingsgeschiedenis werd een mens overgeplaatst naar de hemelse gewesten. Heeft de Heer van de heerlijkheid niet gezegd: ‘Als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot mij trekken’ (Joh.12:32)? Een grote groep heiligen, gewassen en gereinigd door het bloed van het Lam, zou binnengaan als volmaakt rechtvaardigen en priesters van de Allerhoogste.

Jesaja ziet dit alles met verbijstering. Deze omgeving en deze geopende deur hoorden niet meer bij zijn tijdperk. Hij had er geen deel aan. Volgens de overlevering hoorde hij bij het Davidische huis, dus was hij ook geen priester als koning Uzzia. De profeet staat nu bij een mijlpaal in zijn leven. Hij ziet Jezus, de Koning van de koningen en de Heer van de heren en roept uit: ‘wee mij, ik verga, want ik ben ook onrein net als Uzzia en woon onder een volk dat melaats is van de voetzool tot de hoofdschedel.’ Dan ziet de profeet hoe de tempel geheel gevuld wordt met wierookwalm. Iedere morgen en iedere avond werd op het reukofferaltaar edel wierook gebracht, maar op de Grote Verzoendag nam de hogepriester zelf een vat met gloeiende kolen van het brandofferaltaar in de voorhof en vulde beide handen met kostbaar, welriekend reukwerk. Dit bracht hij achter de voorhang, zodat de rook ervan hem zou verhinderen de ark te zien, wat hem het leven kon kosten (Lev.16:13,14). Hij had dan ook een touw om zijn middel zodat hij e.v.t. als dode weggetrokken kon worden uit het heilige der heilige. Op de Grote Verzoendag werd driemaal zoveel kostbare wierook gebruikt als op andere dagen. De tempel werd dan vervuld met rook.

Wij weten wat de Grote Verzoendag werkelijk betekent. Christus is niet alleen het altaar, maar ook het offer. Het ‘vuur’ beeldde de demonen uit, die zich verzadigen aan het offer, aan Christus, die de schuld van de wereld heeft afbetaald. Ook Jesaja kreeg hier deel aan. Een seraf naderde hem met een (houts)kool of gloeisteen van het brandofferaltaar en raakte zijn lippen aan. Zijn mond en zijn gedachteleven werden hierdoor gereinigd en vernieuwd. Vanaf dat moment was zijn boodschap verbonden met de geest van het nieuwe verbond. Ook ontving hij een ‘getuigenis’. Hij kreeg niet de belofte om het hemelse vaderland binnen te gaan, maar zag haar uit de verte in een visioen en omhelsde haar (Hebr.11:13,39).

De moeilijke opdracht

De profeet hoeft nu niet meer te zeggen: ik kom om. Hij weet zich nu een rechtvaardige, die in de geest had ervaren wat later zou gebeuren. Ook voor hem zou Jezus sterven. Op de vraag wie nu met deze reddingsboodschap uitgezonden wil worden, is zijn antwoord: ‘Hier ben ik, zend mij.’ Vanaf dit ogenblik begreep de profeet dat hij over een komende reddingstijd moest spreken. Daarom stijgen zijn profetieën hoog op. Hij is de heraut van de reddingsboodschap en zijn naam is een teken en symbool onder Israël, want hij betekent God van de redding. Zijn godsspraken nemen in het Oude Testament een eerste plaats in en worden in het Nieuwe Testament het meest geciteerd. Hij kon zeggen:

  • ‘De Geest van de Heer is op mij, omdat de Heer mij gezalfd heeft’ (61:1). Hij profeteerde: ‘Troost, troost mijn volk’ en wees erop dat het volk een dubbel deel zou ontvangen uit de hand van de heer, namelijk verzoening en de Heilige Geest (40:1).

Hij sprak over de Heer van Gods legermachten als de God van de hele aarde (54:5). Hij nodigde de volken uit met: ‘O, alle dorstigen, komt tot de wateren’ (55:1). Hij profeteerde over een rijsje dat zou voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï (11:1), maar beschreef ook de val van Lucifer in de hemelse gewesten (14:12). Hij voorspelde de herschepping van hemel en aarde (65:17). Jesaja was dus een begenadigd en uitverkoren boodschapper, maar moest toch erkennen:

  • ‘Tevergeefs heb ik me afgemat, ik heb al mijn krachten verbruikt,’ (49:4) en ‘wie gelooft, wat wij gehoord hebben?’ (53:1). Zijn prediking had een negatief effect, want zijn Opdrachtgever sprak: ‘Want het hart van dit volk is afgestompt, hun oren zijn doof en hun ogen houden zij gesloten. Met hun ogen willen ze niets zien, met hun oren niets horen, met hun hart niets begrijpen. Want anders zouden ze tot inkeer komen en zou Ik hen genezen’.

Onze Heer nam deze woorden over, toen Hij zijn evangelie over het Koninkrijk der hemelen begon te vertellen (Matth.13:13-15). Ook in Johannes 12:37-41 haalde Jezus deze woorden aan, toen Hij er zo uitdrukkelijk op wees dat Jesaja Hem had gezien en van Hem sprak.

Waarom moest dit volk de boodschap van Jesaja en later die van Jezus afwijzen? Omdat de demonen erdoor actief werden. Ze worden er immers door tentoongesteld en ontmaskerd. Dan wordt het juk dat drukte verbroken, net als de stang op de schouders en de roede van de drijver (9:3). De demonen maken de religieuze mens, die zich oriënteert op de zichtbare dingen, blind en doof en zijn verstand wordt verhard. Daarom sprak Jezus tot het godsdienstige volk dat de poort die toegang geeft tot zijn Koninkrijk, nauw en de hoge weg smal is en dat slechts weinigen hem kunnen vinden (Matth.7:13).

Het massachristendom aanvaardt dit evangelie van de onzienlijke wereld niet. Daarom eindigt dit visioen met een beeld van een overblijfsel van het volk van God dat gered wordt:

  • ‘Net als van een terebint en een eik na het vellen een tronk overblijft, zo zal mijn tronk een heilig zaad zijn’.

Dit heilige zaad is de gemeente van eerstgeborenen die medewerkers zijn van Christus bij het herstel van de hele schepping.