4. Was Paulus hoogmoedig?

  • ‘Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel van satan, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen’.

Bij de tekst over het goede, welgevallige en volkomene (Rom.12:2) worden soms kanttekeningen geplaatst. Wij schreven over Jacobs worsteling aan de Jabbok: ‘Het moet toch wel duidelijk zijn dat onze God de heup van Jacob niet beschadigde. Hij wil immers het goede, welgevallige en volkomene’.

Een lezer reageert:

  • ‘Natuurlijk wil God het goede. Maar weet de sterfelijke mens altijd wat goed voor hem is? Paulus dacht het ook te weten en hij vroeg: ‘Heer, neem deze engel van satan, deze doorn in het vlees, weg’. Het goede voor Paulus was echter dat de Heer het niet deed en de engel van satan toeliet Paulus te slaan. En zegt Jezus zelf niet: ‘Het is beter verminkt in het leven in te gaan, dan alle ledematen te bezitten en in het helse vuur geworpen te worden?’ Laten wij toch Schrift met Schrift vergelijken en in diepe ootmoed ons buigen om Zijn wil te kennen en Zijn weg te gaan’.

Ons antwoord is dat God Paulus niet met vuisten sloeg, maar dat dit een engel van satan deed. God beschadigde niet de heup van Jacob, maar dat deed een demon. Mijn bedoeling was dat men God het kwade niet mag toeschrijven, maar dat men zijn Naam moet heiligen, dus afzonderen van het kwaad. Dat God toelaat dat wij in verdrukking komen, wordt door mij beslist niet ontkend. Ook Paulus wist dit wel, want hij schreef:

  • ‘Maar wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt en de volharding beproefdheid en de beproefdheid hoop; en de hoop maakt niet beschaamd’ (Rom.5:3).

Zowel Jacob als Paulus waren in beperkte zin aan de satan overgeleverd, zodat zij naar de geest zouden overwinnen. Voor Paulus betekende dit dat hij tijdens zijn zendingsreizen voortdurend in levensgevaar was. Lees zijn verhaal maar in 2 Corinthiërs 11:23-29. De apostel wist echter dat het zichtbare, het tastbare, dus ook zijn verdrukkingen ontstonden in het niet waarneembare, dus in de onzichtbare wereld (Hebr.11:3). Vandaar dat hij schrijft over ‘een engel van satan, die hem met vuisten sloeg’. De satan is immers de overste van deze wereld en hij viel de apostel heftig aan, omdat deze de opdracht had, de heidenen te bekeren uit de macht van de satan tot God (Hand.26:18).

Waarom bad nu de apostel dat deze engel van satan van hem zou verlaten? In 2 Corinthiërs 12 vermeldt Paulus eerst dat hij weggevoerd was naar het paradijs en opgetrokken was tot in de derde hemel. Hij genoot van deze ‘buitengewone openbaringen’, die hem ten deel vielen. Hij schreef in 2 Corinthiërs 5:13: ‘Want hetzij wij in geestvervoering kwamen, het was in dienst van God’. Zijn verlangen was om een hemels leven te leiden. Hij hield zich voortdurend bezig met ‘allerlei zegeningen in de hemelse gewesten’. Hij was hier zelfs zo door gefascineerd dat hij, hoewel hij er wel de ‘bevoegdheid’ toe had niet huwde. Hij schreef immers dat degene die getrouwd was, zijn zorgen ook aan aardse zaken moest wijden (1 Cor. 9:5). In 2 Corinthiërs 12:7 zegt hij dan:

  • ‘Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel van satan, om mij met vuisten te slaan, zodat ik mij niet te zeer zou verheffen’. 

De kanttekenaars bij de Nieuwe Vertaling merken hier met Oud Testamentische vroomheid  op: ‘Nederige erkentenis dat in zijn leven het gevaar van hoogmoed bestond’. Dit zou dan volgens de kanttekenaars de belijdenis zijn van de apostel, die van zichzelf schreef: ‘Dienend de Heer met alle ootmoed’ (Hand.20:19). Hij kon zelfs aanraden: ‘Wordt mijn navolgers, zoals ook ik Christus navolg’. Hij kwam immers niet met schittering van woorden.

‘Opdat ik mij niet te zeer zou verheffen’, betekent echter niet dat Paulus al te hoogmoedig zou worden en dat met een beetje minder ijdelheid hem die engel van satan niet zou gegeven zijn, maar het werkwoord ‘zich verheffen’ heeft zowel een ongunstige als gunstige betekenis. Denk bij het laatste maar aan de raad, dat wij ons hart moeten verheffen tot God. Wanneer mensen depressief zijn, zeggen we wel eens: je moet je eens verheffen. Men kan ook vertalen met ‘uittillen’ of ‘omhoog tillen’. ‘The interlineair New Testament’ gebruikt de uitdrukking ‘exceedingly uplifted’. Sommigen lezen: ‘Dat ik niet te zeer in de wolken zou zijn’. Paulus wilde continu in de hemelse gewesten blijven, maar de zwakheden in zijn sterfelijk lichaam bepaalden deze apostel maar al te zeer bij de aarde.

Wie in doodsgevaar verkeert, een etmaal in de zee rond moet drijven, een geseling ondergaat, wordt uit de hogere sferen, waarin hij verbleef, weggehaald en bepaald bij het domein van de vijand. Geen wonder dat Paulus in dezelfde brief schrijft: ‘Daarom zijn wij altijd vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Heer in een vreemd land zijn’. Hij voegt er zelfs aan toe: ‘Wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Heer onze intrek te nemen’ (2 Cor.5:6-8). De Heer bepaalde de apostel er echter bij dat de kracht om zich te verheffen, zich eerst ten volle in de zwakheid van het vlees openbaart. Men leert dan niet alleen te stijgen, maar ook de tegendruk op te heffen. Men wordt in de oorlog juist sterk (Hebr.11:34). Daarom bad onze Heer:

  • ‘Vader, Ik bid niet, dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de boze’ (Joh.17:15).

Laten wij toch ‘Schrift met Schrift vergelijken’, om ons bezig te houden met onze hoge roeping in de hemelse gewesten, die ons verlost van ‘gewilde nederigheid’ (Col.2:18) en ons als overwinnaars voert tot God en zijn troon (Op.3:21). Hoe vaak komt het niet voor, dat een christen in de samenkomst van de gemeente boven zijn zorgen wordt uitgetild. Zijn gedachten zijn bij zijn Heer en hij zingt volmondig: ‘Ik verblijd mij zeer in de Heer, mijn ziel juicht in mijn God’. Na de dienst komt hij thuis en daar wachten hem dan de moeilijkheden: de ongelovige levenspartner, het lastige kind of het intense verdriet. Hij beheerst zich en wil ten koste van alles in de heilige sfeer blijven, maar de omstandigheden trekken hem ruw naar de aarde.

Paulus wierp in de naam van Jezus te Filippi een waarzeggende geest uit. Het gevolg ervan was dat de duivel hem in de gevangenis wierp om hem en Silas te verzoeken en te verdrukken. Vergelijk dit maar met wat sommigen in de gemeente te Smyrna overkwam. De apostel werd gegeseld en met de voeten in het blok gesloten. Ik weet niet hoe lang hij en Silas erover gedaan hebben om genoeg tegendruk uit te oefenen om weer omhoog te komen, maar omstreeks middernacht baden zij en zongen zij Gods lof, wellicht in vreemde talen. Zij richtten daarbij het oog op Jezus, van wie staat dat Hij op gelijke wijze verzocht is geweest als wij. Nee, de goede God lokt al deze ellende en spanningen niet uit, maar Hij laat ze wel toe, zodat zijn kracht zich ten volle in ons zal openbaren.