3. Abrahams overwegingen

<<<<<

Het was een kort en bondig bevel:

  • ‘Roep je zoon, je enige, van wie je zoveel houdt, Izaäk en ga met hem naar het gebied waarin de Moria ligt. Daar moet je hem offeren’.

Natuurlijk moet deze oproep in het denken van Abraham zijn aangeslagen, anders had hij dit immers nooit gedaan. Toen de verzoeker tot Jezus kwam, werd deze niet verleid om grove zonden te doen, maar de satan kwam tot Hem met de Bijbel in de hand. Hij probeerde onze Heer in zijn aanspraak op het koningschap te misleiden. Hij zei: ‘Er staat immers geschreven’. Abraham was een man die voortdurend bezig was om de aan hem geschonken beloften te overpeinzen. Eén keer had God tegen hem gezegd: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten en ga naar het land dat ik je zal wijzen’ (Gen.12:1). Hij had toen zijn familie losgelaten.

Nu krijgt hij de inspiratie: ‘Daar moet je hem offeren op een berg die Ik je wijzen zal’, dus laat nu ook uw zoon los om Mij. Nog kort tevoren had God gesproken: ‘In Izaäk zal u het zaad genoemd worden’ (Gen.21:12; Rom.9:7; Hebr.11:18 St. Vert.). In die unieke zoon, die op zo’n wonderlijke manier geboren was, zouden alle geslachten van de aarde worden gezegend. Alle volken over de hele wereld zouden door middel van dit ene kind de redding ervaren. Dan zou de wetteloosheid en de ongerechtigheid verdwijnen en recht en gerechtigheid zouden worden bewaard door zijn zonen en zijn huis. Door deze ene zou de Heer aan Abraham vervullen wat Hij tot hem had gesproken en aan alle volken gerechtigheid geven (Gen.18:19). Daarom mocht ook niemand Abraham vervloeken, want dit zou de oorzaak kunnen zijn dat ook alle geslachten in hem vervloekt zouden worden. Door zijn beloofde zaad zou echter de vloek worden weggenomen.

Wij weten dat Abraham de ware betekenis van het offer kende. Hij was geen missionaris onder de heidense Kanaänieten, maar door zijn offers werkte hij aan de heilige weg van de Heer. Overal spraken zijn offers van verzoening en zij joegen de demonen schrik aan. Toen kwam het ogenblik dat Abraham zich bewust werd, wat later de psalmist onder woorden bracht:

  • ‘Offers en gaven verlangt u niet, brand- en reinigingsoffers vraagt u niet. Nee, u hebt mijn oren voor u geopend en nu kan ik zeggen: Hier ben ik, over mij is in de boekrol geschreven’ (Ps.40:7).

De aartsvader ging verband leggen tussen het ware offer tot verzoening van de zonden van de wereld en zijn eigen zoon. Had de Heer niet de belofte gedaan aan zijn zaad? En had God niet gesproken: aan uw zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: ‘en aan uw zaad’ (Gal.3:16). Omdat Abraham de belofte had voor zijn enige zoon en hij steeds met het plan van God tot redding van de wereld bezig was, kwam de inspiratie tot hem als een verzoeking. Zou God niet in deze ene zoon alles vervullen wat Hij over hem gesproken had? Had God niet duidelijk aangekondigd: ‘In Izaäk zal men van zaad spreken’? Dit zaad zou moeten sterven, om de gerechtigheid werkelijk op aarde te brengen. Abraham wilde zijn zoon offeren, omdat hij verder zag dan Abel en Noach. Hij doorzag het plan van God. Hij begreep dat het Lam van God een mens zou moeten zijn. Hij wilde daarom de opdracht om zijn zoon te offeren letterlijk met Izaäk uitvoeren!

De valstrik

Toen viel hij in de strik waarin allen terecht komen, die zeggen dat men letterlijk moet doen wat er geschreven of gezegd werd en die niet geestelijk kunnen denken. Vandaag vooral de letterknechten met hun door satan betoverde bijbelgordels en rampen. Abraham stond op het punt in deze verzoeking een afschuwelijke misdaad te begaan. Satan, de misleider, maakte gebruik van zijn gebrek aan geestelijke kennis van de hemelse gewesten. Zou de profeet later niet constateren:

  • ’mijn volk gaat verloren (wordt een prooi van de demonen) omdat het geen inzicht heeft?’ (Hosea 4:14b).

De satan verleidde Abraham met zijn goede begeerte om aan het reddingsplan van God mee te werken. Zo had Eva eenmaal de goede begeerte om verstandig te worden en als God te zijn. Kennis verzamelen is immers geen zonde op zich! De duivel speelde op dit verlangen in en bracht haar daarmee ten val. Nog groter was de val van Adam, deze had het immers beter moeten weten dan Eva!

God kende echter het hart van de aartsvader en wist dat het Hem volkomen was toegewijd. Hij kende ook de bewogenheid van Abraham voor de verloren wereld, zodat hij zelfs zijn enige zoon ervoor over had om haar te redden. God kende zijn motieven, omdat zij volkomen in overeenstemming waren met zijn Goddelijk plan en zijn eigen liefde tot de mensheid. Hij zag de tijden van de onwetendheid ook bij Abraham voorbij en greep daarom zelf in (Hand.17:30a).

Door het geloof

Toen Paulus van zijn laatste zendingsreis terugkeerde naar Jeruzalem, wist hij dat Gods Geest hem hierbij leidde, hoewel hij van stad tot stad door middel van de plaatselijke profeten hoorde, dat hem daar boeien en verdrukkingen wachtten. Bij zijn komst in Tyrus zijn er zelfs leerlingen, die hem ‘door de Geest zeiden, dat hij zich niet naar Jeruzalem moest inschepen’. Deze broeders bevestigden dus door de geest van de profetie de komende moeilijkheden, wat aan Paulus al was geopenbaard (Hand.20:22;21:4). Tegelijkertijd vermengden zij de werkingen van de Geest met uitingen van hun emoties die niet van God waren, maar van de mens. Het is duidelijk dat deze profetieën als een verzoeking tot Paulus moeten zijn overgekomen, want zij probeerden het hart van de apostel week te maken. Paulus was echter bereid niet alleen in Jeruzalem gebonden te worden, maar daar ook te sterven voor de naam van Jezus. Deze leerlingen bleken dus niet in staat zoals Agabus in hetzelfde verhaal, de gedachten van God zuiver door te geven.

Onderscheiding van geesten

Paulus had onderscheiding van de geesten nodig om de profetieën niet te verachten, maar ze toch te toetsen en het goede ervan te behouden (1 Thess.5:19,20). Hij paste toe wat hij in 1 Corinthiërs 14:29 schreef, dat er een beoordeling nodig is van de uitgesproken profetieën. Wanneer in 2 Samuel 24:1 wordt vermeld dat de Heer David aanspoorde het volk te tellen, dus hem tot zonde probeerde te verleiden, merkt de Bijbelverklaring van Dächsel hierbij op, dat wáár blijft, dat volgens Jacobus 1:13, God niemand tot het kwade verzoekt, maar dat God David overgaf aan satans wil. In 1 Kronieken 21:1 staat immers, dat satan David aanzette om Israël te tellen. Wij zien hier echter in dat de Satan, David voor een val zette en dat de eerste schrijver alles wat uit de onzienlijke wereld kwam, aan God toeschreef, dus geen onderscheiding van de geesten had. In verband met Abrahams verzoeking, merkt de schrijver van de Hebreeënbrief op:

  • ‘Door zijn geloof kon Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Izaäk als offer opdragen. Hij die de beloften had ontvangen, was bereid zijn enige zoon te offeren’ (Hebr.11:17).

Wij kunnen dus niet anders concluderen, dat ondanks Abrahams geloof en ondanks zijn gemeenschap met God waardoor hij deze gedachten had overgenomen en begrepen, toch de duivel ook hierin zijn sluw spel speelde. Deze probeert immers altijd met de Woorden van god in de hand, de ware gelovigen te verleiden. Sprak satan later niet tot de enige Zoon van Abraham, Jezus Christus, om deze te verzoeken: ‘Er staat immers geschreven!’ (Matth.4:6). Abraham kreeg bevel om met eigen hand zijn zoon te doden. Een verschrikkelijke eis!

We kunnen hierbij opmerken dat Abraham een zwaardere opdracht had te vervullen dan de hemelse Vader ten opzichte van zijn eniggeboren Zoon. God heeft immers zijn Zoon niet gedood, maar er staat, dat de Mensenzoon werd overgeleverd in de handen van zondaars (Matth.26:46). Ook zond God geen vuur uit de hemel om zijn Zoon aan de dood prijs te geven. Het offer van Abraham zou daarom niet zwaarder kunnen zijn dan dat van de hemelse Vader zelf. God herkende echter in Abrahams bereidheid tot dit offer zijn eigen gezindheid en de grote liefde om de wereld te redden. Bij het overdenken van zijn offer kwam Abraham tot een nieuwe gedachte die in het eeuwige plan van God haar oorsprong had. In Hebreeën 11:18 staat: ‘Terwijl er tegen hem gezegd was: ‘Alleen door Izaäk zul je nageslacht krijgen’, zei hij bij zichzelf dat het voor God mogelijk moest zijn iemand uit de dood op te wekken en daarom kreeg hij hem ook terug (bij wijze van spreken).

Abraham dacht niet: ik zal dadelijk mijn zoon wel opwekken, maar hij kwam tot de ontdekking: God zélf zal hem opwekken! Dit eerste inzicht van een mens op aarde over de opstanding had betrekking op de ware Zoon van Abraham, van wie Paulus schreef:

  • ‘Zijn zaad was Christus’.
  • Van deze werd gezegd: ‘God echter heeft Hém opgewekt’ (Hand.2:24).

Van dit reddingsfeit heeft Abraham slechts een glimp mogen opvangen. Hoe zou God dan deze opwekking tot stand kunnen brengen? Paulus schreef hierover in Romeinen 8:11 heel duidelijk, dat de Geest van God, zijn Zoon Jezus uit de doden heeft opgewekt. Deze Geest was er in Abrahams tijd nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was (Joh.8:39). Dit betekent dus dat Gods Geest op deze manier nog niet kon werken om een nieuwe schepping of een geestelijk zaad van Abraham tot leven te brengen. Zijn overwegingen ten opzichte van Izaäk hadden dus nooit gerealiseerd kunnen worden.

>>>>>