1. Het offeren

 <<<<<

In bijna alle godsdiensten van de wereld kan men opmerken dat offeren een voorgeschreven ceremonie is. Het woord ‘offer’ is afgeleid van het Latijnse ‘offerre’, dat aanbieden of geven betekent. De offeraar zegt tot zijn god: ‘Ik geef u, geeft u mij’. De gedachte speelt daarbij een rol, dat de goden de mens eigenlijk niet een blijvend geluk gunnen, maar dat zij telkens verleid moeten worden om aan een verzoek tot redding, genezing of uitkomst te voldoen. Om hen gunstig te stemmen pijnigde men zichzelf, zoals de Baälspriesters op de Karmel dit deden, men vastte of bracht offers: planten, dieren of zelfs mensen. Het is logisch om je af te vragen waarom God in het oude verbond het offeren had voorgeschreven. Was dit om Hem te verleiden en gunstig te stemmen, zodat Hij tenslotte positief ging reageren? Op welke manier kon de geur van het verbrande vlees dan ‘een liefelijke reuk’ voor Hem zijn? Werd het offer aan God of aan de duivel gebracht?

Wij moeten het Bijbelse brandoffer zien als een schaduw of een afbeelding, zoals zoveel ceremoniën een toekomstige werkelijkheid uitdrukten. Zo was ook de besnijdenis naar het vlees die elke Israëliet moest ondergaan, een schaduw van de hemelse dingen. De apostel schreef daarom in Galaten 6:15 hier over: ‘Het is volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is, belangrijk is dat men een nieuwe schepping is’. De werkelijkheid werd gevormd door ‘een besnijdenis, die niet door mensenhanden gedaan is’, die dus een geestelijke losmaking uit de macht van de satan voorstelt. Wie is daarom een Jood en wie is zaad van Abraham? Het antwoord is:

  • ‘Jood is men door zijn innerlijk en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis. Het is het werk van de Geest, niet een voorschrift uit de wet, dus wie innerlijk een Jood is, ontvangt geen lof van mensen maar van God (Col.2:11; Rom.2:29,30).

Het bloedige offer in het oude verbond was een illustratie. Het wees naar het offer dat Jezus zou brengen door zich over te geven in de dood. Het wees op de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen (Ef.1:7). Het Griekse woord voor ‘verlossing’ doet denken aan het met geld vrijkopen van slaven. Het woord ‘losprijs’ heeft dus de inhoud van ‘schuldoffer’, want er staat: ‘Als zijn ziel zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal hij zaad zien’ (Jes.53:10). De prijs die God aan de slavenhouder, de duivel, zou betalen om zijn genade te manifesteren en ons tot zonen te adopteren, was het vrijwillige bloed van zijn Zoon Jezus.

Voor God mensen gekocht

De uitdrukking ‘bloedvergieten’, ‘zijn ziel uitgieten’ en ‘zijn leven uitgieten’ zijn gelijkwaardig. In de onzienlijke wereld stortte Jezus vrijwillig zijn heilig en eeuwig leven uit in de dood en daarmee kocht Hij de mens vrij uit de macht van de laatste vijand. God roofde ons niet uit het domein van de satan, maar Hij betaalde het losgeld voor ons door de vrijwillige actie van zijn Zoon. Dit eiste Gods rechtvaardigheid, want de satan had door de ongehoorzaamheid van de mens aan God, een claim op de mensheid, omdat deze in dienst was gekomen van de duivel.

Op aarde werd Jezus overgegeven in handen van moordenaars en verraders (Hand.7:52). In de onzienlijke wereld stemde zijn Zoon in met Vaders plan door te sterven voor de zonden van alle mensen. Daardoor gaf Hij zich vrijwillig over aan de demonen van de duisternis. Zelfs de laatste vijand, Dood hemzelf, had macht over Hem (Rom.6:9). De vrijlating uit de macht van de satan gaat voor de mens in werking op het ogenblik dat deze het offer van Jezus Christus persoonlijk aanneemt, dus wanneer hij de verzoening van zonden in het geloof accepteert. Zonder bloedstorting is geen vergeving van zonde mogelijk (Hebr.9:22).

De veronderstelling dat door het offer van Jezus Christus de schuld aan God zou zijn ingelost, is absurd. Dit zou dan een betaling zijn geweest overeenkomstig de uitdrukking: ‘van vestzak naar broekzak’. Jezus heeft ons echter met zijn bloed voor God gekocht uit de macht van de satan (Op.5:9). Ten opzichte van de mens staat God altijd als de vader tot de verloren zoon. Die vergaf zijn kind na belijden van schuld en sprak niet over enige genoegdoening, maar gaf hem een ring aan de vinger en zorgde voor feestkleding. Wat had de mens echter aan Gods vergevingsgezindheid zolang hij niet vrijgekocht was uit zijn slavernij en tot de Vader kon terugkeren?

Het offer van Abel

De eerste offeraars op aarde waren Kaïn en Abel. De Bijbel wijst erop dat Abel door het geloof een beter of groter offer bracht dan zijn broer. In Hebreeën 11:1 staat, dat het geloof een bewijs of een overtuiging is van de dingen die boven zijn. Door middel van de geest van de profetie nam Abel een belangrijke zaak uit de gedachten van God over. Hij zag namelijk een Lam dat geslacht was vanaf de grondvesting van de wereld. Dit voornemen van God kwam in hem als Zijn Woord, zoals er staat, dat God vroeger vaak en op veel manieren tot de voorvaders had gesproken in profeten: ‘Abel zag ‘als van verre’ hoe de verzoening tot stand zou komen en nadat hij een eersteling van zijn schapen geofferd had, was hij overtuigd dat hij een rechtvaardige was, want God had tot hem gesproken (Hebr.11:4). Door zijn geloofsoffer beeldde hij het eeuwige reddingsplan uit en daarom overtrof zijn offer dat van zijn broer Kaïn, terwijl zijn geloof hem tot gerechtigheid werd toegerekend.

Zoals in de dagen van Noach

Na de zondvloed zag Noach de desolate toestand van de aarde. Bij het verlaten van de ark werd het gruwelijke werk van de Satan hem duidelijk. De schepping van God was aan alle kanten gehavend en beschadigd. Maar Noach hield vast aan zijn God en zijn herstelplan, dat gebaseerd was op het bloed van het Lam:

  • ‘Hij bouwde een altaar voor de Heer en hij nam van al het reine vee en van al het gevogelte en bracht brandoffers op het altaar. De Heer rook de aangename reuk van dit offer, want het illustreerde bij het begin van een nieuw tijdperk, de waarheid, dat er zonder bloedstorting geen vergeving mogelijk is’ (Gen.8:20,21).

Noach beleed dat niet de zondvloed de oplossing was om de zonde weg te nemen, maar het bloed (van Gods Zoon). Dit was de grondslag van het herstel voor mens en dier en ook voor de hele onbezielde schepping.

Abraham op weg naar het beloofde land

Wij komen nu bij Abraham. Ook voor hem gold dat hij de beloften niet vervuld kreeg, maar ze slechts uit de verte zag en aanvaardde. Ook bij het doortrekken van het land Kanaän was Abraham, net als bij de instelling van de besnijdenis, zich bewust, dat de werkelijkheid in de geestelijke wereld lag. De les die hij juist in het beloofde land geleerd had, was, dat hij een vreemdeling en gast op aarde was en hij een hémels vaderland zocht. Deze aartsvader doorkruiste het land van noord naar zuid, van de ene overnachtingsplaats naar de andere, van Sichem naar Bethel en verder naar het zuiderland. Hij was gehoorzaam aan het woord van de Heer:

  • ‘Sta op, doorwandel het land in zijn lengte en breedte, want Ik zal het aan u geven’ (Gen.13:17).

Overal waar hij de pinnen van zijn tenten insloeg, bouwde hij een altaar voor de Heer en riep hij de naam van de Heer aan. Abraham was een offeraar en de betekenis van het offer was hem bekend, want hij was een rechtvaardige. Hij claimde het beloofde land en beleed daar zijn geloof in de waarheid van de Woorden van God en in de redding die komen zou. Vaak zal Abraham ook Jeruzalem voorbijgetrokken zijn en het is waarschijnlijk dat hij daar zijn vriend, de koning-priester Melchizédek, ontmoette. En wat was het resultaat van zijn zwerftochten? Het antwoord vinden wij in Hebreeën 11:8-10 waar geconcludeerd wordt:

  • ‘Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam geweest om te gaan naar de plaats die hij als erfdeel ontvangen zou. En hij is weggegaan zonder te weten waar hij komen zou. Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte als in een vreemd land en heeft hij in tenten gewoond, met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte. Want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de Bouwer en Ontwerper is.’

Abraham bedacht de dingen die boven waren en niet die op de aarde waren. In dit opzicht verschilde hij principieel van de vleselijke christenen, die steeds bezig zijn met een toekomst van een aardse stad en van een natuurlijk land en volk. Abraham was bezig met de voor ons bedoelde genade! Zijn verlangen ging uit naar een beter, dat is een hemels vaderland. Zijn gebrek aan kennis van het Koninkrijk van de hemelen en zijn gemis aan de inwoning van Gods Geest waren de oorzaak dat hij zich telkens vergiste en niet in staat was de beloften voortdurend in een hogere dimensie te transponeren. Zijn veelvuldig offeren had hem erbij moeten bepalen dat zijn hele bestaan verweven was met het grote herstelplan van God in Christus Jezus, het ware en enige zaad van Abraham!

>>>>>