Het lied van Mozes bij de Rietzee

Toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied voor de Heer. Zij zeiden:

Ik zal zingen voor de Heer, want Hij is hoogverheven!

Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.

De Heer is mijn kracht en lied, Hij is mij tot heil geweest.

Dit is mijn God, Hem verheerlijk ik; de God van mijn vader, Hem roem ik.

**

De Heer is een Strijder, Heer is Zijn Naam.

De wagens van de farao en zijn leger heeft Hij in de zee geworpen.

De besten van zijn officieren zijn verdronken in de Schelfzee.

De watervloeden hebben hen bedolven, zij zijn als een steen in de diepten gezonken.

Uw rechterhand, Heer, was heerlijk in macht;

Uw rechterhand, Heer, verpletterde de vijand.

**

In Uw grote majesteit wierp U terneer wie tegen U opstonden.

U zond Uw brandende toorn, die hen als stoppels verteerde.

Door de adem van Uw neus is het water opgehoopt,

de stromen stonden als een dam,

de watervloeden zijn gestold in het hart van de zee.

**

De vijand zei: Ik achtervolg hen, haal hen in, deel de buit.

Mijn verlangen wordt aan hen vervuld,

ik trek mijn zwaard, mijn hand roeit hen uit.

Maar U hebt met Uw adem geblazen, de zee heeft hen bedolven.

Zij zonken als lood in machtige watermassa’s.

Wie is als U onder de goden, Heer?

Wie is als U, verheerlijkt in heiligheid,

ontzagwekkend in lofzangen, Die wonderen doet?

**

U strekte Uw rechterhand uit en de aarde verzwolg hen.

U leidde in Uw goedertierenheid dit volk, dat U verlost hebt.

U leidde hen zachtjes door Uw kracht naar Uw heilige woning.

De volken hebben het gehoord, zij sidderden,

angst heeft de inwoners van Filistea aangegrepen.

**

Toen werden door schrik overmand de stamhoofden van Edom.

De machthebbers van Moab greep huivering aan.

Al de inwoners van Kanaän smolten weg van angst.

Op hen viel verschrikking en angst.

Door de grootheid van Uw arm verstomden zij als een steen,

terwijl Uw volk, Heer, erdoorheen trok,

terwijl dit volk, dat U verworven hebt, erdoorheen trok.

**

U zult hen brengen en hen planten op de berg die Uw eigendom is,

Uw vaste woonplaats, die U gemaakt hebt,

Heer, het heiligdom, Heer, dat Uw handen gesticht hebben.

De Heer zal regeren voor eeuwig en altijd!

**

Want het paard van de farao, met zijn strijdwagen en zijn ruiters,

waren in de zee gekomen,

en de Heer had het water van de zee over hen terug doen vloeien.

Maar de Israëlieten gingen op het droge, midden in de zee.

Mirjam, de profetes, de zuster van Aäron, nam een tamboerijn in haar hand,

en al de vrouwen gingen achter haar aan, met tamboerijnen en in reidans.

**

Toen zong Mirjam hun ten antwoord:

Zing voor de Heer, want Hij is hoogverheven!

Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.

 

(naar Exodus 15)