Gemeentevorming

De Damascener Eliëzer

Wanneer in de Bijbel staat dat door middel van de gemeente de veelvuldige wijsheid van God bekend wordt gemaakt, is het begrijpelijk dat de christen zich bezig houdt met de vraag, hoe die gemeente gevormd wordt. Wanneer Paulus ook nog benadrukt, dat deze waarheid getoond wordt aan de overheden en machten in de hemelse gewesten (Ef.3:10), is het duidelijk dat de vorming van de gemeente een hemelse of geestelijke aangelegenheid is. En als in de geestelijke wereld iets gebouwd wordt met betrekking tot God, komt daar onherroepelijk Gods Heilige Geest aan te pas. Hij is uitgegaan met de opdracht, om door opnieuw geboren mensen van wie de innerlijke mens is opgestaan, een volk te verzamelen, dat haar wettige, van God gegeven positie in de hemelse gewesten in Jezus Christus, op de troon van God, heeft ingenomen.

Een illustratie van de manier waarop Gods Geest het volk van God tot zijn geweldige bestemming brengt, vinden we beschreven in Genesis 24. In het daar opgetekende verhaal gaat het over Abraham, die zijn knecht opdracht geeft om een vrouw voor Izaäk te zoeken. Van de Damascener Eliëzer (Gen.15:2) wordt gezegd, dat hij alles wat Abraham bezat, bestuurde. De rijke Abraham is een prachtige typering van God de Vader, die de oorsprong is van alle rijkdommen in de hemelen, die bestemd zijn om geërfd te worden door degenen, die zich daarnaar in geloof uitstrekken. In Eliëzer vinden we een beeld van Gods Heilige Geest, die het geestelijk Israël ‘alles heeft geschonken wat nodig is voor een heilig leven, door de kennis van Hem die ons geroepen heeft door zijn majesteit en kracht’ (2 Petr.1:3).

Geen vermenging

Het is opmerkelijk dat Abraham Eliëzer laat zweren, dat deze een vrouw voor Izaäk zal nemen uit zijn familie (vers 4), terwijl hij toch uitdrukkelijk stelt, dat zijn zoon nooit naar zijn familie teruggebracht mag worden (vers 6 en 8). Zoals Abraham een beeld is van God de Vader, zo zien we in Izaäk een type van onze Heer Jezus, Gods Zoon. Abraham woonde in het midden van de Kanaänieten, maar nooit vermengde hij zich met hen. Hij wist dat zijn zaad het land Kanaän als erfgoed zou bezitten naar Gods belofte, maar hij woonde daar desondanks als vreemdeling. Hij wist ook dat Isaäk deel had aan dezelfde belofte en tot erfgenaam was gesteld. ‘In Isaäk zal uw zaad genoemd worden’ (Gen.21:12). Daarom waakte Abraham er niet alleen voor dat Izaäk zich niet zou vermengen met de Kanaänieten, maar ook dat hij niet zou terugkeren tot zijn familie. Abraham leerde zijn zoon ook vast te houden aan de belofte van God zonder op de omstandigheden te zien.

Net als Izaäk werd ook Jezus geheiligd door zijn Vader, die Hem afgezonderd hield van de beïnvloeding van Satans demonen. Jezus groeide op in de bescherming van de heilige engelen, totdat Hijzelf in de kracht van God (de Heilige Geest) bewees Gods Zoon te zijn. Hij weerstond en overwon satan. Hij verbrak zelfs de weeën van de dood, omdat het niet mogelijk was, dat Hij door deze werd vastgehouden (Hand.2:24). Jezus werd door de rechterhand van God verhoogd en ontving de belofte van Heilige Geest, om deze uit te storten in zijn volgelingen (Hand.2:33). Zodat ook zij Hem zouden kunnen volgen, waar Hij óók heengaat, dat is naar de troon van God.

Eliëzer werd er op uit gestuurd om een vrouw tot Izaäk te brengen. Gods Heilige Geest heeft dezelfde opdracht om de ‘vrouw’ tot Jezus te brengen, dat is om de gemeente te heiligen, zodat deze het beeld van de Zoon gelijkvormig wordt en de Heer Zich volledig in haar kan openbaren. Gods Heilige Geest zoekt mensen, die geloven in deze heerlijke belofte. Hij zal hen alleen kunnen vinden in de ‘familie’ van God, daar waar kinderen van God geloven in het plan van de Schepper om de mens van God – dat is de mens naar Gods eeuwig plan – volkomen te laten zijn, tot alle goede werken volmaakt toegerust (2 Tim.3:17). Onder hen is Gods Heilige Geest (dit is geen 1/3e God of Persoon, zoals de Drie-eenheidleugen leert) bezig om zijn taak uit te voeren. Hij is gezonden om de kinderen van God in de vólle waarheid te leiden (Joh.16:13). Hij doet dit door hen te heiligen, dat is af te zonderen van de duivel en hen te reinigen door het waterbad met het woord, om zo de gemeente voor de Heer te stellen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zodat ze heilig is en onbesmet (Ef.5:26,27).

De mens naar Gods hart zal niet alleen gebroken hebben met elke vorm van ongerechtigheid, maar ook met alles, wat aan traditie of uiterlijke vorm gebonden is. Zoals het onmogelijk is dat de Heer kan terugkeren tot een aan traditie en aan een leer van de voorvaders gebonden kerk, zo zal het ook onmogelijk zijn dat iemand, die nog aan deze uiterlijke waarden vasthoudt, door de Heilige Geest tot het niveau van Jezus Christus gebracht kan worden. Want het is onmogelijk dat de Heilige Geest zich verbindt met oud zuurdeeg, of zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar slechts met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid (1 Cor.5:8).

Wat men heeft zal nog ontnomen worden!

Om die reden wilde Abraham niet dat Izaäk naar het oude denken en leven terug zou keren met haar vormen en tradities. Ook in onze tijd leeft de gedachte, dat het mogelijk is de Heilige Geest te bezitten en toch of juist daardoor zichzelf te wortelen in de oude leer van de voorvaders, al is het op wat moderner leest geschoeid. Maar uit het voorgaande mag het duidelijk zijn, dat geen jonge wijn het uithoudt in ouwe leren zakken (Matth.9:17). Wanneer men dit toch erin brengt, zal enerzijds de wijn, beeld van Gods Geest, weglopen en anderzijds zullen de zakken scheuren, dit wil zeggen dat de traditionele leer ook nog verloren zal gaan (wat op zich een zegen is). Wat men heeft, zal ook nog afgenomen worden. Voor ons geldt, dat we Gods Geest niet moeten bedroeven, door Hem met levensbeschouwing tegen te werken in zijn heiligend of afzonderend werk, maar we zullen net als Rebecca een en al bereidheid moeten tonen om het voorgestelde doel te bereiken.

Eliëzer was ontslagen van zijn eed, als de vrouw hem niet wilde volgen (vs.5-8). Maar dan zal de zoon nog niet terugkeren naar het begin. In het Koninkrijk van God heerst het principe van de opstanding. Wij zijn met Jezus opgestaan tot een nieuw leven. Wat achter ons ligt, moet voor altijd voorbij zijn. Er is alleen maar één weg vooruit, totdat het doel bereikt is. Zelfs stilstand in de geestelijke ontwikkeling betekent achteruitgang. Daarom mag er geen enkele belemmering getolereerd worden, maar zal de vrijheid waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt, duidelijk moeten blijken. Eliëzer ging op weg met veel geschenken uit de schatten van zijn Heer (vs.10) en hij deelde die royaal uit aan Rebecca. Zo is ook Gods Geest beladen met geestelijke gaven, die Hij uitdeelt aan iedereen, die daarvoor open staat. Het is niet zo verwonderlijk, dat Eliëzer een waterput opzoekt, omdat hij weet dat daar de meisjes komen water putten (vs.11). De Heilige Geest zoekt immers ook de ‘vrouw’ voor Jezus onder diegenen, die gewend zijn water te putten uit de bronnen van het behoud, dus zich verbinden met de woorden van God. Bij de waterput van de Woorden van God wordt de gemeente gevormd, van wie de leden als zonen van God geopenbaard zullen worden tot opbouw en herstel.

Rebecca is een prachtig type van de gemeente. Vanaf het eerste ogenblik dat Eliëzer haar ontmoet, is zij bereid om met hem mee te gaan. Zonder aarzelen zegt ze ‘ja’ op de vraag om de vrouw van Izaäk te worden. Eliëzer had haar verteld over zijn heer en zijn zoon. Zo is ook Gods Geest bezig om Jezus te verheerlijken (Joh.16:14) en door het geloof zien wij Hem met eer en heerlijkheid gekroond (Hebr.2:9). Net zoals Abraham en Izaäk in het hun toegezegde land woonde, terwijl het er toch op leek dat ze het nooit in bezit zouden krijgen, zo leeft en wandelt nu het ware volk van God in de hemelse gewesten tussen haar vijanden, die het dit geestelijk Israël op allerlei manierenwillen vernietigen. Ondanks alles houdt het vast aan de beloften van God, dat zij geplant is in eigen grond en daar niet zal worden uitgerukt.

Rebecca laat de zichtbare verworvenheden en haar familie achter zich en gaat haar zekere toekomst tegemoet. Zo is ook voor het volk van God de toekomst zeker, als het maar vasthoudt aan de beloften en Zich laat leiden door Gods Geest. Tegen het vallen van de avond vindt de ontmoeting plaats tussen Izaäk en Rebecca. Eliëzer toont Rebecca wie haar man is en Izaäk maakt kennis met zijn vrouw. Wat een mooie verwachting voor ons om in de beloften van God een krachtige aansporing te vinden om de hoop te grijpen, die vóór ons ligt, die wij hebben als een anker voor onze ziel en die gaat tot voorbij het voorhangsel, waar Jezus als voorloper al is binnengegaan voor ons (Hebr.6:18,19) en wij Hem volgen.