David en zijn engelen – Pseudo Philo

‘Pseudo Philo’

Het Joodse boek ‘Pseudo Philo’ werd waarschijnlijk 100 jaar voor Christus geschreven. Het hoort bij de pseudepigrafen van het Oude Testament. Het is dus een geschrift dat niet bij de erkende Bijbelboeken hoort. Je zou het kunnen vergelijken met de geschiedenisboeken van Flavius Josephus over ‘De Joodse Oorlog’ of ‘Joodse oudheden’. ‘The Old Testament Pseudepigrapha’ werden in 1983 voor het eerst in Amerika uitgegeven en wel in twee delen van ieder 1000 pagina’s.

‘Pseudo Philo’ behandelt de geschiedenis van Israël vanaf Adam tot David. Met grote verbeeldingskracht wordt het Oude Testament opnieuw verteld vanuit het milieu en de sfeer van synagogen en van de traditie. Het boek geeft aan de Bijbelse geschiedenissen een ‘couleur locale’, dus de karakteristieke bijzonderheden, die het overdenken waard zijn. Men moet hierbij wel bedenken, dat de Joden meer bronnen ter beschikking hadden dan wij. Verloren gegane boeken zijn bijvoorbeeld: ‘Boek van de oorlogen van de Heer’ (Num.21:14), ‘Boek van de Oprechten’ (Joz.10:13) en ‘Boek van de geschiedenis van Salomo’ (1 Kon.11:14). Als voorbeeld geef ik hier uit ‘Pseudo Philo’ zonder commentaar een gedeeltelijk en vrij vertaalde passage over David en Goliath:

David de schaapherder

Na zijn zalving als koning vergeleek David zich in een lied met Abel, de schaapherder, van wie het offer was aangenomen en die uit jaloezie door zijn broer gedood werd. God bewaarde David voor dit lot en gaf hem beschermengelen, want zijn broers waren ook jaloers op hem en zijn vader en moeder verwaarloosden hem (Ps.27:10). Toen Samuel kwam, riep men hem er niet bij en toen hij als gezalfde van de Heer aangenomen zou worden, vergaten ze hem. Op een dag dat David over zijn huiselijke situatie aan het zingen was, kwam een leeuw uit het woud en een beer van de bergen en zij vielen op de kudde aan. Dit werd voor hem het teken van toekomstige overwinningen tijdens een leven vol strijd. David ging de dieren achterna, bevrijdde de schapen en doodde de aanvallers met stenen, die hij in het bos had gevonden. Toen sprak God tot hem:

  • ‘Met stenen heb Ik je van deze beesten bevrijd, zodat je met stenen de vijand van mijn volk zult doden’ (1 Sam.17:34-37).

De ondergang van Goliath

De geest van de Heer had Saul verlaten; in plaats daarvan “stuurde de Heer…”(O.T.) hem een kwade geest, die hem kwelde (1 Sam.16:14). Saul ontbood David, die iedere avond voor hem zong, terwijl hij daarbij op de lier tokkelde. Dan werd de geest van profetie over David vaardig. De laatste regel van zijn hymne was: ‘Uit een nieuwe schoot en uit mijn lendenen zal iemand geboren worden die jullie, boze geesten, zal bestraffen en over jullie zal heersen’. Zolang David zong, week de boze geest van Saul.

Dan volgt de strijd tussen David en Goliath. Minachtend zegt deze tot Saul en zijn volk:

  • ‘Zijn jullie niet dat Israël, dat voor mij vluchtte, toen ik de ark nam en jullie priesters doodde? Als jij een koning bent, kom dan hier en strijd met mij. Ik zal jou tot een gevangene maken en jouw volk zal mijn goden dienen’ (vgl. 1 Sam.17:8-10).

Wanneer David deze uitdaging aanhoort, weet hij dat de belofte van God vervuld wordt, dat hij de vijand van zijn volk met stenen zal verslaan. Hij neemt dan ‘zeven’ stenen en schrijft er de namen op van Abraham, Izak, Jakob, Mozes, Aäron, van zichzelf en van de Almachtige. Op dat ogenblik zendt God hem een machtige en strijdbare engel om hem bij te staan. David gaat dan naar Goliath en zegt:

  • ‘Hoor dit aan voor je sterft. Waren de twee vrouwen uit wie jij en ik geboren zijn, geen zusters? Jouw (overgroot)moeder was Orpa en de mijne was Ruth. Orpa koos voor de goden van de Filistijnen, maar Ruth koos de weg van de Allerhoogste. Jij en je broers stammen af van Orpa. Omdat jij deze dag opgestaan bent om Israël te vernietigen, zie, ik die van dezelfde afkomst ben als jij, ben gekomen om mijn volk Israël te wreken. Voordat het avond is, zullen ook je drie broers in mijn handen vallen. Dan kun je tot Orpa zeggen: ‘Hij werd uit jouw zuster geboren om ons te vernietigen’.

Ruth – De grote kleine dingen

 

Toen deed David een steen in zijn slinger en trof de Filistijn in zijn voorhoofd. Hij rende naar hem toe en trok zijn zwaard uit de schede. De versufte Goliath zei:

  • ‘Haast je en dood mij, dan kun je je verblijden’. David antwoordde: ‘Doe je ogen open en kijk naar hem, die je gaat doden’. Toen de Filistijn dit deed, zag hij een engel en zei: ‘Jij alleen hebt mij niet gedood, maar ook iemand die bij je is, wiens verschijning niet is als die van een mens’.

Toen hieuw David het hoofd van de reus af. De engel van de Heer had het gelaat van David veranderd en niemand herkende hem. Saul zag David en vroeg wie hij was, maar niemand in zijn omgeving herkende hem. Hij had het gelaat van een engel’ (vgl. Hand.6:15)!