Uw hulp is nabij

Opwekking in China

Marie Monsen was een Noorse zendelinge die op het Chinese zendingsveld de heerlijkheid van God mocht zien. Haar boekje ‘Uw hulp is nabij’ verspreidde grote zegen. Hieronder een deel van haar verhaal:

Vrome dooddoeners

Nog voor ik het zendingsveld bereikte, hoorde ik een oudere, ervaren zendeling beweren:

  • ‘Je moet niet verwachten dat je in China ooit echte christenen zult ontmoeten zoals hier bij ons in het westen. In China zal pas gedurende drie generaties het evangelie gepredikt moeten worden voor er echte, Chinese christenen ontstaan.’

Als grasgroene nieuweling kon ik natuurlijk weinig tegen zo’n doorgewinterde zendeling inbrengen. Maar toch kwam er, diep in mijn hart, meteen iets in opstand: ‘Dat staat nergens in de Bijbel!’ De eerste jaren op het zendingsveld las ik vrijwel dagelijks het boek Handelingen. Daarbij viel het me steeds op hoe bedroevend weinig overeenkomst er was tussen de resultaten van Paulus’ zendingswerk en ons eigen werk in China. Dat probleem liet mij maar niet los. Toen het nieuws over de opwekking in Korea ons bereikte, begon het een klein beetje voor mij te dagen. Dat was in 1907. Die opwekking was ontstaan doordat de zendelingen voortdurend bij elkaar kwamen om te bidden voor een machtige doorbraak van Gods Heilige Geest. O, wat zou ik toen graag naar Korea zijn gereisd om vandaar het opwekkingsvuur naar ons eigen zendingsveld over te brengen. Maar zo’n reis naar Korea zou lang en duur zijn, afgezien van het feit dat ik er geen geld voor had. Toch ging ik ervoor in gebed. Maar in plaats van dat de Heer mij een deur naar Korea opende, gaf Hij mij een heerlijke belofte:

  • ‘Wat jij in Korea denkt te ontvangen, wil Ik jou hier geven, op de plaats waar je nu bent. Je hoeft er Mij alleen maar om te bidden.’ Vastberaden nam ik die goddelijke uitdaging aan. Vrijmoedig zei ik tot de Heer: ‘Dan zal ik net zo lang blijven bidden totdat U ook in China zo’n opwekking geeft.’

Zodra ik die belofte voor het aangezicht van de Heer had afgelegd, liep ik naar mijn gebedshoekje aan het andere eind van mijn kamer. Ik wilde namelijk meteen een begin maken met het gebed om opwekking. Nauwelijks had ik echter een paar stappen gedaan of ik werd op onzichtbare wijze tegengehouden. Het was net alsof een boa constrictor zich om mijn lichaam strengelde en al het leven uit mij perste. Geen wonder dat ik aan de grond genageld stond van schrik! Met veel moeite slaagde ik erin om hijgend de Naam van de Heer aan te roepen. ‘Jezus – Jezus – Jezus.’ Iedere keer als ik die naam moeizaam uit kreunde, kreeg ik meer lucht. Eindelijk liet die ‘slang’ mij los. Ik was er even helemaal van in de war. Maar toen ik weer een beetje tot mijn positieven kwam, flitste het door mij heen:

  • ‘Dus zo belangrijk is mijn gebed blijkbaar. Maar dán is het ook van het grootste belang dat ik mijn belofte houd.’

Bijna 20 jaar zou het duren voordat mijn gebed verhoord werd, maar de ervaring met die slangachtige demon heeft mij steeds weer tot volharding geprikkeld. Twintig jaar is een hele tijd, maar God doet nu eenmaal nooit iets overhaast. In 1910 bezocht ik de grote internationale zendingsconferentie in Edinburgh. Een van de hoogtepunten in die conferentie was de boodschap van een oudere zendeling die de opwekking in Korea van nabij had meegemaakt. Toen hij sprak, kon men in de grote zaal een speld horen vallen. Toen ik eens om mij heen keek, leek het wel alsof ik van alle gezichten dezelfde gedachte kon aflezen: ‘Hè, gebeurde dat bij ons ook maar eens …’ Aan het eind van die machtige boodschap stond een zendeling uit Zuid China op om ook iets te zeggen. Hij was een zeer vooraanstaand man, maar wat hij zei was niet erg best:

  • ‘Wij mogen nooit verwachten dat er in China hetzelfde zal gebeuren als in Korea, want bij ons in China hebben wij met een heel ander slag mensen te maken.’

Op dat moment bevond ik me ergens op een van de galerijen. Ik was hier eens als afgevaardigde van mijn zendingsgenootschap naar die conferentie toegekomen, maar het liefst was ik opgestaan en had uitgeroepen: ‘Als dat in China niet kan gebeuren, hebben wij een andere God dan de zendelingen in Korea!’ Ik wilde geen rel veroorzaken, maar het kostte me moeite om m’n mond te houden.

Alles moet meewerken ten goede

Langzamerhand ging ik wel inzien dat mijn gebed niet van de ene op de andere dag verhoord zou worden. In andere landen waar opwekkingen geweest waren, had men immers ook lange tijd moeten bidden voor Gods Geest zijn vernieuwend werk op grote schaal kon openbaren. Intussen begon ik steeds meer nadruk te leggen op het Woord van God, zowel in mijn persoonlijke leven als in mijn werk als zendelinge. Uit ervaring wist ik al hoe waardevol het is om hele Schriftgedeelten uit het hoofd te kennen. Wanneer ik in een situatie een bepaald Schriftwoord nodig had, kon Gods Geest die tekst uit mijn onderbewustzijn tevoorschijn roepen zodat die Bijbelwoorden precies op het juiste moment voor mij tot leven kwamen. Op die manier gebruikte Gods Geest het Woord.

Dat zinnetje ‘De Geest gebruikt het Woord’ heb ik later in mijn leven duizenden malen herhaald, zowel voor mijzelf en andere zendelingen als voor Chinese gelovigen. Juist in die tijd kwam het fonetische schrift in gebruik en hierdoor konden veel Chinezen leren lezen. Wij stelden alles in het werk zodat zo veel mogelijk mannen en vrouwen voor zichzelf het Woord van God zouden gaan lezen. Daarnaast bestond mijn werk uit evangelisatie en het lesgeven aan kinderen en volwassenen. Velen in onze gemeenten waren echter alleen maar naamchristenen. Daarom was een opwekking broodnodig. Wanneer wij de harten toebereidden, zou er licht ontvlambare brandstof zijn ten tijde dat het vuur viel. Hoewel het werk op onze zendingspost allesbehalve vlot verliep, hielden wij toch vast aan Gods belofte:

  • ‘De geringste groeit uit tot een duizendtal, de kleinste tot een machtig volk. Ik, de Heer, zal dit spoedig volvoeren, wanneer de tijd is gekomen’ (Jes. 60:22).

Toen ik na mijn tweede verlof weer in China terugkeerde, was er een kentering ingetreden. Het wemelde er van politieke onlusten en een vloedgolf van wetteloosheid overspoelde het land. In 1927 werden alle zendelingen naar de kust geëvacueerd. Ook de grondvesten van het Chinese religieuze leven begonnen te wankelen: heidense tempels werden gesloten en beroemde afgodsbeelden vernield. Waar moesten de mensen nu in geloven? Op alle fronten gistte en kolkte het. God doet echter alle dingen alleen meewerken ten goede voor wie Hem liefhebben en vanaf die tijd zagen wij ons gebed om meer vrouwen, in vervulling gaan. Tot dusver was de vrouw nooit meer dan een huisslaaf geweest. Zij vertoonde zich zelden of nooit in het openbaar. Maar nu moesten ook de vrouwen altijd klaar staan om te vluchten als dat nodig was. De christenvrouwen hadden gouden kansen om tegen heidense vrouwen van de Heer te getuigen. Toen we eens op een van de buitenposten een samenkomst hielden, konden wij onze ogen nauwelijks geloven. Er waren wel vijfmaal zoveel mensen naar de dienst gekomen als gewoonlijk en méér dan de helft van hen waren vrouwen!

Lugubere bekentenissen

Wij waren gewend ieder jaar een conferentie te houden voor de Bijbelvrouwen (vrouwelijke hulppredikers). In die tijd van kentering werd het echter mogelijk ook twee andere groepen vrouwen tot deze Bijbelconferentie toe te laten. De ene groep bestond uit … lastige echtgenoten van Chinese evangelisten en de andere waren heidense vrouwen uit een afgelegen district, die grote belangstelling voor het evangelie hadden gekregen door het getuigenis van een Chinese christendokter. Mijn collega en ik brachten deze vrouwen dagelijks in gebed. We hadden drie vellen papier, die wij iedere dag voor de Heer uitspreidden. Ze stonden vol met de namen van de Bijbelvrouwen, de dertig echtgenoten en de zestien heidense vrouwen. Op de vierde dag van de conferentie zou ik voor de heidense vrouwen spreken over het onderwerp kindermoord. Toen ik even bezig was, vroeg één van de vrouwen vol verbazing:

  • ‘Maar mogen wij dan met onze eigen kinderen niet eens doen wat we willen?’ We zetten het gesprek nog een ogenblik voort. Toen kwam plotseling de doorbraak: ‘O, ik heb er drie vermoord.’ ‘En ik vijf …’ ‘Ik heb acht van mijn kinderen van het leven beroofd.’ ‘En ik dertien, maar dat waren allemaal maar meisjes.’ (De andere slachtoffers waren hoogstwaarschijnlijk ook meisjes geweest).

Slechts twee van de zestien hadden geen schuldbelijdenis af te leggen. Dit was voor het eerst in meer dan 20 jaar op het zendingsveld, dat ik vrouwen, die wisten dat wij kinderen doden als zonde beschouwden, openlijk hoorde belijden dat zij zich aan deze vreselijke zonde schuldig gemaakt hadden. Natuurlijk kenden zij allemaal veel andere moeders die dit gedaan hadden, maar tijdens de conferentie bewoog Gods Geest die hele groep tot schuldbelijdenis. Ik stond er versteld van. Toen vroeg één van de vrouwen plotseling:

  • ‘Hoe komt het toch dat wij hier niet kunnen slapen?’ ‘Kunnen jullie hier niet slapen? Wat doe je dan ‘s nachts?’ informeerde ik. ‘Huilen, niets dan huilen.’ ‘En waarom dat?’ vroeg ik verder. ‘Omdat wij ons zoveel herinneren.’ ‘Herinner je je al de verkeerde dingen die je in je leven gedaan hebt?’

Zij knikten in stille instemming. Toen begreep ik dat Hij, die gekomen was om de wereld van zonde te overtuigen, vanaf de eerste conferentie dag bezig was geweest te werken in de harten van die onwetende heidense vrouwen. De samenkomsten voor deze groep vrouwen werden voor de rest van de dag gestaakt. ‘Ieder die wil, mag naar mijn kamer komen voor een persoonlijk gesprek.’ De hele groep stond en bloc op en liep achter mij aan. Eén vrouw had haar hand al op de deurknop. ‘Ik moet eerst. Ik heb zo’n pijn, ik kan onmogelijk wachten.’ Zodra zij binnen was, viel ze op de knieën en met haar hoofd tegen de vloer gedrukt, beleed zij al haar zonden. De woorden stroomden als een zwarte vloedgolf over haar lippen. Ik voelde mij overrompeld en was de wanhoop nabij. Hoe moest ik een hele groep vrouwen, die praktisch niets van God afwisten, helpen om gered te worden? Toen herinnerde ik mij plotseling de belofte van het ontvangen van wijsheid en in mijn hulpeloosheid voelde ik mij daardoor weer wat gesterkt.

Toen de vrouw klaar was met haar schuldbelijdenis, stond zij op. lk zag eeuwig leven en licht uit haar ogen stralen. De vrede van God legde een glans over het gezicht dat er even tevoren zo vermoeid en afgetobd uitgezien had. Zij was behouden – zonder hulp van mensen! ‘Weet u hoe ik mij nu voel?’, vroeg ze. ‘Het is net of ik een rover was, die door soldaten op de hielen gezeten werd. Ze grepen me en sleepten me mee naar de mandarijn. In plaats van al mijn misdaden te ontkennen, bekende ik alles. Toen zei de mandarijn niet: ‘Neem haar mee en breng haar ter dood,’ maar hij zei: ‘Ze heeft bekend. Nu wordt het haar niet langer ten laste gelegd. Ga heen in vrede.’ Zo legde zij het evangelie uit. Een diepe vrede vervulde haar en mij ook!

Later op de avond zag ik diezelfde vrouw in één van de bijgebouwen met haar gezicht naar de muur staan. ‘Wat doe je hier?’ ‘Ik vraag aan Jezus of Hij mij nu direct thuis wil halen, naar de hemel, zodat ik niet meer hoef te zondigen.’ Zij begreep nog niet veel van Gods doel met haar leven, maar toch ontroerde het me. Later heb ik nog menige pas bekeerde een zelfde soort gebed horen bidden. Bijna alle heidense vrouwen uit die groep kwamen naar mij toe om hun zonden te belijden en zij vonden vrede met God. In de daaropvolgende jaren heb ik niet veel contact met hen onderhouden, maar ik hoorde dat het geloof van veel van deze vrouwen ook in de verdrukking standhield. De ervaringen van die ene dag vergoedden de lange jaren van wachten en bidden, die eraan voorafgingen. De Heer zelf deed zijn werk in deze groep vrouwen die zo onwetend naar de Bijbelconferentie gekomen waren en wij willen er Hem alleen de eer voor geven.

Evacuatie

Juist toen er in onze gemeenten nieuw leven opbloeide, werden de politieke onlusten van dien aard, dat alle vreemdelingen in het binnenland, naar de kust moesten evacueren. Ook de zendelingen! Het jaar 1927 zal door velen van ons niet licht vergeten worden! Ik ging met mijn collega’s naar Shanghai, maar al spoedig werd ik in de gelegenheid gesteld een Deense zendingspost in Mantsjoerije te bezoeken. Daar zou juist een Bijbelconferentie beginnen en het bleek, dat de Chinese gastspreker niet was komen opdagen.

  • ‘Ik kan onmogelijk zelf spreken,’ zei de Deense zendeling, de wanhoop nabij. ‘De mensen hier hebben mij al zo vaak gehoord, ze luisteren naar mij toch niet meer.’

Op een keer bezocht ik een samenkomst van een klein aantal Amerikaanse zendelingen. Eén van hen had een oogziekte en zij had gevraagd om op Bijbelse wijze met olie gezalfd te mogen worden, opdat zij haar gezichtsvermogen weer terug zou krijgen. Na de bediening bleven wij met z’n elven nog geruime tijd samen bidden. Wij lagen geknield in een kring. Na enige tijd had ik het gevoel dat er achter mijn rug iets gaande was. Ik keek op en zag dat twee of drie van de aanwezigen met elkaar aan het fluisteren waren. Zij waren dingen aan het goedmaken die in hun onderlinge verhouding scheef gelegen hadden. De Heilige Geest werkte zó krachtig in ons midden dat wij Gods tegenwoordigheid als het ware lichamelijk ervoeren. Toen wij onze samenkomst eindelijk beëindigden, kwamen wij tot de ontdekking dat het vuur van Gods Geest ook in de keuken, aan de overkant van de gang gevallen was. De Chinese broeders waren door de werking van de Heilige Geest ook tot overtuiging van zonde gekomen. We waren er allemaal geweldig van onder de indruk. Dit was het eerste begin van een opwekking, die voor zover ik kon nagaan, uitgroeide tot de grootste opwekking, die ooit in China heeft plaatsgevonden. Ik hoorde later dat de zuster die wij met olie gezalfd hadden, genezen was.

Een losgeslagen bende

Voordat ik naar het binnenland kon terugkeren, werd ik uitgenodigd een serie samenkomsten te houden in een theologische hogeschool. De directeur van de school, een doctor in de theologie, zag er down uit. ‘Als we hier geen opwekking krijgen, kunnen we de school beter sluiten. Het is hier een losgeslagen bende.’ ‘Zijn alle studenten zo moeilijk?’ informeerde ik. ‘Met één uitzondering, maar zelfs hij gelooft niet dat Jezus de Zoon van God is, hoe we ook geprobeerd hebben hem te helpen.’ ‘Wordt er regelmatig voor deze studenten gebeden?’ ‘Ja, wij houden iedere week onze bidstond.’ ‘Zou ik eerst een keer uw bidstond mogen bijwonen, voordat we verder iets afspreken?’ Ik besloot ook zelf hier een ernstige gebedszaak van te maken en daarvoor riep ik de hulp in van de Zweedse zendelingen bij wie ik logeerde. Nu beschikken evacués niet over bijzonder veel ruimte, maar wij vonden een plekje in een vol, donker berghok onder de trap, waar wij de koffers en pakkisten zó neerzetten dat de gebedsstrijders erop konden zitten.

De eerste samenkomst was bijzonder zwaar. De studenten hadden nog nooit een vrouw op de preekstoel zien staan en zij gedroegen zich arrogant. Na de dienst liepen ze joelend en lachend naar buiten en ik hoorde zelfs hoe zij elkaar spottend de Bijbelteksten toeriepen, die ik die avond aangehaald had. Het was inderdaad niet overdreven hen een losgeslagen bende te noemen. Mijn vrienden in het berghok waren benieuwd naar de eerste berichten en nadat ik hun enkele namen van studenten opgegeven had, hielden wij een onvergetelijke bidstond. Bovenaan op onze gebedslijst stond de spotter, die kennelijk de raddraaier van de bende was. Wij baden voor hem:

  • ‘Heer, U hebt in uw Woord gezegd, dat zelfs het hart van de koning in uw hand is als waterbeken. Daarom dragen wij die jongen met dat spottershart aan U op, opdat U zijn hart zo zult veranderen, dat hij met zijn leven U zal gaan behagen.’ ‘En Heer, als dat op geen andere manier kan, maak het dan zo, dat hij zichzelf aan de rand van de gapende afgrond zal zien staan.’

Na enkele dagen kregen wij het druk, want de jongens kwamen stuk voor stuk naar mij toe met hun nood. De eerste die kwam was de ‘goede’ student. Geruime tijd zat hij rusteloos rond te kijken zonder iets te zeggen. Plotseling gebeurde het wonder. Ik zag aan zijn gezicht dat de Geest het Woord levend maakte voor hem. Hij bleef stil zitten met zijn ogen gesloten. Er werd op de deur geklopt. ‘Laat niemand binnen, stoor me niet,’ zei hij, ‘ik zit hier in de tegenwoordigheid van mijn Hemelse Vader.’ Hij mocht rustig blijven zitten, zolang hij dat nodig had. Toen hij eindelijk de kamer verliet, had hij vrede met God gevonden. Ik hoorde later, dat hij een vurige prediker is geworden met een boodschap voor zijn volk. Die boodschap was: ‘Luister naar Hem!’ Ook de spotter kwam naar mij toe. Hij beleed: ‘Ik heb ellendige dagen achter de rug. Maar God is goed. Het was alsof ik aan de rand van de afgrond stond en naar beneden kon kijken. Daar beneden in de hel zag ik oude kennissen. Wat een vertwijfeling en wanhoop lag op hun gezichten te lezen. En daar wil Hij mij nu voor bewaren.’

Ook de spotter boog zijn knieën bij het kruis van Golgotha en ontving vergeving voor al zijn zonden. Enkele jaren later ontmoette ik hem weer. Hij vertelde mij toen dat hij na zijn bekering alle kerken waar hij wel eens had gesproken bezocht had, om zijn zonde te belijden: ‘Degene die toen en toen in deze kerk gepreekt heeft, was een goddeloze,’ bekende hij dan en als resultaat van zijn getuigenis waren er nu in al die gemeenten mensen die ook hun hart en leven aan Jezus Christus gegeven hadden. Mijn ervaringen op deze theologische hogeschool deden mij nog eens duidelijk het belang inzien van gericht gebed. Mijn gebedsvrienden vormden het kanaal waardoor de Heer van de oogst zijn Geest uitzond, zodat zelfs deze losgeslagen bende overtuigd werd van zonde. Wat onder deze studenten plaatsvond, zou nooit gebeurd zijn, wanneer die gebedsstrijders niet op hun post gestaan hadden. De Heer wil, dat ieder kind van God op deze wijze zijn medewerker wordt.