3. Herder of huurling?

Het was een bijzonder eenzame weg die Blumhardt moest gaan. Al zijn collega’s hadden hem de rug toe gekeerd. ‘Bemoei je er toch niet mee’ luidde hun advies. ‘Daar is immers niets meer aan te doen’. Blumhardt luisterde echter niet naar deze ‘pastorale’ adviezen, want hij wilde geen huurling zijn, die het bedreigde schaap in de steek liet, uit angst voor de wolf. Nee, Blumhardt was een echte herder. Hij wilde liever sterven dan het aan zijn zorgen toevertrouwde gemeentelid in de klauwen van satan laten.

Bijzonder pijnlijk voor Blumhardt was de houding van dr. Barth, zijn beroemde voorganger. Deze briljante theoloog-publicist (een van zijn boeken verscheen in liefst 65 vertalingen!) had in Möttlingen óók geen gemakkelijke tijd gehad. Dr. Barth was een van de meest gevierde kanselredenaars van zijn tijd, maar wanneer hij ‘s zondags in Möttlingen preekte, zat het overgrote deel van de kerkgangers te slapen. Of dr. Barth het nu met retorische effecten dan wel met hel-en-verdoemenis-preken probeerde, zolang hij in Möttlingen stond, slaagde hij er niet in deze slaperigheid te verbreken. Ds. Friedrich Zündel, de bekende Blumhardt-biograaf, sloeg de spijker op z’n kop toen hij constateerde dat ook die slaperigheid veroorzaakt werd door occulte demonen. En die laten zich nu eenmaal niet verdrijven door oratorisch vuurwerk.

Sinds jaar en dag was de Möttlinger dorpsgemeenschap verziekt door allerlei occulte praktijken. Waarzeggerij, magnetisme, toverij en bijgeloof vierden er hoogtij. Toch hield dr. Barth veel van de Möttlingers. Gottliebin Dittus kende hij goed, want zij was geruime tijd bij hem op catechisatie geweest. Toch begreep ook dr. Barth niet veel van de strijd die Blumhardt voerde. Hij verweet hem o.a. dat hij meer dan eens de eindoverwinning te vroeg geproclameerd had. Inderdaad had Blumhardt zich daar wel eens toe laten verleiden. Maar ja, dat was ook zo begrijpelijk. Bij menige nieuwe ‘mijlpaal’ trad immers een periode van rust in en omdat Blumhardt met zijn hele hart in de eindoverwinning geloofde, was hij dan wel eens wat te voorbarig. Blumhardts brieven aan dr. Barth geven ons een goede indruk van zijn geestelijk leven. Daarom wil ik er in dit verband graag iets van overnemen:

  • ‘U zegt zelf dat de duivel mijn ondergang op het oog heeft. Dat is inderdaad het geval. Maar in de naam van Jezus Christus, mijn Heiland, vraag ik u: is er dan in de wereld geen andere macht dan die van de duivel? Moeten wij de duivel soms sparen en hem rustig z’n gang laten gaan, zodat hij ons niet zal aanvallen? U hebt er nog geen idee van welke verschrikkelijke omvang de toverij en het occultisme hebben aangenomen. Nu ik dit weet, zou ik nog slechter dan de duivel zijn wanneer ik me terugtrok! Wees niet bang dat ik schade naar lichaam of ziel zal oplopen, want U moest eens zien hoe kinderlijk vrolijk ik ben na iedere strijd. Ik voel mij dan zo gelukkig en dankbaar tegenover mijn Heiland. Eén enkele zucht naar omhoog, ‘Heer geef mij kracht’ en ik voel mij onmiddellijk weer sterk. Zelfs na mijn zwaarste nachten van strijd heeft niemand iets aan mij kunnen merken. U kunt navragen of iemand mij deze week, terwijl ik 15 spreekbeurten vervulde, zwak of vermoeid heeft gezien. (Blumhardt had die week niet minder dan 40 uur bij Gottliebin gewaakt!) Van een geruïneerd zenuwgestel of van opwinding is geen sprake. Daarvan kunt U zich gemakkelijk overtuigen’.

Duivelse valstrikken

Tijdens het schrijven van deze artikelenreeks werd ik er steeds weer bij bepaald hoe buitengewoon actueel deze Blumhardt-geschiedenis toch is. Enkele weken geleden werd ik daar nog eens extra met de neus bovenop gedrukt. Toen ik ergens in Nederland een spreekbeurt vervulde, hadden liefst twee kerkenraden ‘een deputatie’ op me afgestuurd. Die ‘hoorders’ moesten de kerkenraden rapport uitbrengen over het sektarische vaarwater waarin sommigen van hun gemeenteleden terecht waren gekomen! Meteen na afloop stevenden enkelen van deze ambtsdragers op mij af.

Op mijn prediking hadden ze niet veel aan te merken, maar al gauw duwde een van deze broeders mij een oud artikel van mijn hand onder de neus. Daarin stond namelijk het getuigenis van een evangelist die met een homoseksueel gebeden had. Nadat de onreine geesten uitgedreven waren, moest die homo eensklaps overgeven en braakte toen een voorwerp uit dat op een klomp vlees leek. ‘Hoe kan dat nu?’ luidde het smalende commentaar. Als dat wáár was, zou men langs operatieve weg van homoseksualiteit verlost kunnen worden.’ Van harte hoop ik dat die ambtsdrager deze artikelenreeks over de strijd en overwinning van ds. Blumhardt leest. Want vergeleken bij de ongelooflijke dingen die ik vandaag doorgeef, was die ‘vleesklomp’ van die homoseksueel iets heel onschuldigs. Ten overvloede vermeld ik nog even dat alle feiten die in dit artikel vermeld worden, destijds door ds. Blumhardt aan zijn kerkelijke superieuren gerapporteerd zijn. De theologie beschouwt dit alles (terecht!) als een concreet stuk kerkgeschiedenis. Ik geef de bijzonderheden zo sober mogelijk door, het zal sommige lezers toch al ongelooflijk genoeg voorkomen.

Door zijn worsteling om Gottliebin kreeg ds. Blumhardt steeds meer inzicht in het wezen van de demonen. Vooral sinds hij regelmatig ging vasten, kon hij met autoriteit tegenover hen optreden. Een enkel gebed was vaak voldoende om de satanische aanvallen een halt toe te roepen. Onder de Bijbelgedeelten die Blumhardt bij zulke gelegenheden bij voorkeur citeerde, nam het slot van Marcus 16 een belangrijke plaats in. Ook in onze dagen nemen heel wat theologen die woorden met een korreltje zout. Maar tijdens de strijd van Blumhardt werd openbaar dat de duivel siddert als een kind van God ernst gaat maken met de opdracht uit Marcus 16: ‘In mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven’. De demonen staken hun haat tegen Blumhardt niet onder stoelen of banken: ‘Jij bent onze ergste vijand’ beten zij hem toe ‘maar wij zijn ook jouw vijanden. O, als wij maar eens mochten zoals we graag wilden!’ Bij een andere gelegenheid riepen zij uit: ‘O, als er maar geen God in de hemel woonde!’ Een van de demonen riep enkele malen achtereen de woorden die nu nog steeds – bij wijze van waarschuwing – te lezen staan op het huis waar Gottliebin woonde:

  • ‘O, Mensch, bedenk die Ewigkeit, versäume nicht die Gnadenzeit, denn das Gericht ist nicht mehr weid.’

Tijdens deze strijd werd Blumhardt er zich van bewust hoe funest het occultisme voor het geloofsleven is. Hij werd dan ook niet moe tegen deze demonische valstrikken te waarschuwen. God had hem duidelijk laten zien hoe demonen hun spel spelen met mensen die zich met duistere praktijken inlaten. Onverschillig op welke wijze men contact opneemt met het rijk van de duisternis, via waarzeggerij, spiritisme, bijgeloof of magnetisme, onherroepelijk belandt men in de greep van de demonen! ‘Hun invloed’ schrijft Blumhardt ‘kan geestelijk zijn en zich uiten in zwaarmoedigheid en somberheid. Maar ook kan deze demonische invloed lichamelijke gevolgen hebben, zoals zenuwziekte, krampen, jicht en andere kwalen. Ook kunnen zij sterke hartstochten opwekken, zoals wellust, drankzucht, gierigheid, woede en wraakzucht’. Het verband tussen ziekte en demonologie zagen later ook de Möttlinger broeders in de Rettungsarche. In zijn boekje ‘Möttlingen’ schrijft ds. W. A. Plug dan ook:

  • ‘Maar op één ding wil ik nog wijzen, namelijk dat in de Arche telkens weer zovele ziekten niets anders bleken te zijn dan wat de Bijbel noemt: het bezeten zijn van een boze geest’.

Lugubere materialisaties

Op 8 februari 1843 brak er een nieuwe episode aan. ‘Ik kan het niemand kwalijk nemen, als hij twijfelt aan de waarheid van mijn mededelingen’ schreef Blumhardt zelf. ‘Wat er toen gebeurde, gaat inderdaad tegen ieder normaal begrip en gezond verstand in. Maar de waarnemingen en ervaringen waarbij ik steeds enkele ooggetuigen had (ik hechtte daar veel waarde aan, om zo valse geruchten zoveel mogelijk te voorkomen) maken het mij mogelijk ronduit en eerlijk de feiten door te geven, terwijl ik ervan overtuigd ben dat er van de kant van Gottliebin geen sprake van bedrog was.’ De duistere machten kregen in de gaten dat hun einde nabij was. Daarom zetten zij alles op alles om Gottliebin van het leven te beroven. Op onverklaarbare wijze slaagden zij erin allerlei voorwerpen in het lichaam van het meisje te toveren. Toen zij op zekere dag moest overgeven, kwam er allemaal zand tevoorschijn! Later kleine glasscherven en stukken ijzer, hoofdzakelijk oude, kromme spijkers.

Ds. Blumhardt kon aanvankelijk zijn ogen niet geloven toen hij dit alles meemaakte. Het duizelde hem. Twaalf kromme spijkers vielen rinkelend in een waskom die hij haar voorhield … Verder braakte zij schoengespen van allerlei afmetingen uit. Vaak zó groot, dat het onwaarschijnlijk leek dat ze door de keel van het gekwelde meisje naar buiten konden komen. Nadat een bijzonder groot stuk ijzer uit haar mond was gekomen, bleef Gottliebin minutenlang bewusteloos liggen. Haar adem was nog nauwelijks hoorbaar. Talloze naalden en spelden verlieten haar lichaam, gewoonlijk via de mond. Maar op een gegeven moment kwamen er een stel spelden (zolang als een wijsvinger!) uit haar oren naar buiten. Ieder voorwerp dat tevoorschijn kwam, veroorzaakte Gottliebin ondragelijke pijnen. Bij al deze lugubere verschijnselen was Blumhardt een en al gebed. Wanneer hij bad, kwamen de voorwerpen als vanzelf naar buiten toe. Wanneer die dingen ver genoeg uit het lichaam staken, trok hij ze er met de hand uit.

Eenmaal, toen hij Gottliebin de handen oplegde, kon hij zowel horen als voelen hoe er naalden in haar hoofd in stukken braken. Het waren stalen naalden, waarvan de stukken later door de mond van Gottliebin naar buiten kwamen. Ook uit de neus van de patiënt verwijderde ds. Blumhardt tal van spelden. Terwijl hij in gebed was, kwamen er eens 15 naalden tegelijk met zo’n kracht uit de neus van het meisje, dat zij bleven steken in haar hand, toen zij die onder haar neus hield om ze op te vangen. Op zekere dag klaagde zij over erge hoofdpijn. Toen de predikant haar de handen oplegde, zag hij overal kleine metalen puntjes schitteren. Het waren allemaal spelden, die hij stuk voor stuk uit het hoofd moest trekken. Iedere keer kromp het arme meisje daarbij ineen van de pijn. Zelfs via haar ogen kwamen naalden naar buiten.

Blumhardts echtgenote Doris, had tot dusver de worsteling enkel vanuit de verte meegemaakt. Het spreekt vanzelf dat de strijd om Gottliebin het gezinsleven van de Blumhardts vaak in de war bracht. Op de meest onmogelijke tijden moest Blumhardt naar het meisje toe. Maar nooit beklaagde Doris zich als het eten koud werd of als een gezellig bijeenzijn plotseling werd afgebroken. Doris steunde haar man trouw in de voorbede. Maar toen de periode van de materialisaties aanbrak, ging zij ook met hem mee naar Gottliebin. Zo bad Doris, terwijl haar man in gebed was, eens een vol uur nodig om twee lange, metalen draden te verwijderen die, vlak onder de huid, om het lichaam van Gottliebin waren gewikkeld. Men kan zich nauwelijks voorstellen wat dit alles voor Blumhardt en zijn vrouw moet hebben betekend. Om nog maar te zwijgen van de arme Gottliebin.

Blumhardt vertelde dat hij soms wel een half uur lang uit alle macht moest trekken om een speld of een ander metalen voorwerp uit het lichaam van het meisje te verwijderen. Naast spelden kwamen er ook glasscherven, stenen en een keer een heel lang stuk ijzer te voorschijn. Elk voorwerp veroorzaakte Gottliebin vreselijke pijn. Vaak riep zij: ‘Dit hou ik niet meer uit. Dit wordt mijn dood’. Wanneer dominee Blumhardt niet aanwezig was, werd Gottliebin soms zó gekweld door een voorwerp dat zich onder haar huid bevond, dat zij ten einde raad een mes nam en daarmee het voorwerp eruit peuterde. Maar de wonden die dan ontstonden, wilden bijna niet meer genezen. Op het gevaar af dat de haren van mijn lezers te berge zullen rijzen, moet ik toch ook nog vermelden dat er soms levende dieren uit de mond van Gottliebin naar buiten kwamen. Eens vier enorme sprinkhanen tegelijk. Toen men die beesten gevangen had en buiten op een grasveld zette, hipten zij weg, alsof er niets aan de hand was.

Op zekere dag deed het meisje haar mond wijd open en kwamen er vleermuizen te voorschijn. Het gebeurde zó snel dat men niet precies kon tellen hoeveel het er waren. De een telde er zes, anderen weer acht. Dat ook dit geen hersenschim was, mag blijken uit het feit dat één van deze dieren dood geslagen werd. Het waren dus echte vleermuizen! Als ik tenslotte nog vertel dat zelfs een kikker en een adder uit de mond van Gottliebin kwamen (de adder beet haar o.a. in haar voet; die wond bloedde zeer lang en de littekens van de giftanden bleven maandenlang zeer pijnlijk!) dan kan men zich wellicht voorstellen wat Blumhardt in die dagen meemaakte.

En nog steeds was het eind niet in zicht. Blumhardt moest nog heel wat keren worstelen in het gebed, voordat de demonen zouden krijsen: ‘Jesus ist Sieger.’ Ik ben altijd zo naïef geweest te denken dat de materialisaties bij Gottliebin Dittus enig in hun soort waren. Toen ik echter onlangs, als gast van de Blumhardt-werkgroep te Rotterdam, dr. Kurt Koch beluisterde, vernam ik van hem dat er momenteel in Duitsland een meisje is bij wie zich precies dezelfde lugubere verschijnselen voordoen. Ook bij haar komen allerlei metalen voorwerpen door de huid te voorschijn. Die strijd duurt nu al 2,5 jaar, vertelde dr. Koch. Sinds ik dat hoorde, moet ik steeds voor dat meisje bidden en graag wil ik onze lezers opwekken om met mij mee te doen. Want al gebruikt de duivel nog dezelfde lugubere strijdmiddelen: ook de God van Blumhardt is niet veranderd!

Weer een demonische moordaanslag

Begin 1843 beseften de demonen blijkbaar dat hun lugubere spel bijna was uitgespeeld. Nog slechts één maand hadden zij de tijd. Dan zouden zij het uitbrullen: ‘Jesus ist Sieger!’ Daarom werden hun aanvallen steeds gemener en brutaler. Zij stelden alles in het werk om Gottliebin van het leven te beroven. Toen zij eens een bloedneus kreeg, bleef het bloed maar doorstromen: bakken vol. De arts stond voor een volkomen raadsel, ook omdat het bloed een zeer onaangename, penetrante geur verspreidde. Op een middag, terwijl hij op weg was naar zijn dochtergemeente, wipte Blumhardt even bij Gottliebin binnen. Zij was juist van schone kleren voorzien en rustte uit in een gemakkelijke stoel, want het vele bloedverlies had haar volkomen uitgeput. De kamer waar zij zich bevond was helemaal geschrobd, omdat de grond één grote bloedplas leek. Op Blumhardts vraag hoe het nu met haar ging, antwoordde Gottliebin dat zij zo’n pijn in haar hoofd had. Volgens haar moest er weer een voorwerp in zitten. Wanneer het er niet uitging, klaagde zij, zou dat onherroepelijk haar dood betekenen. Blumhardt voelde echter niets zitten en omdat hij haast had, beloofde hij later op de dag terug te komen.

Spoedig nadat hij afscheid had genomen, kwam dr. Späth, de huisarts binnen. Hij onderzocht het hoofd van zijn patiënt en voelde inderdaad iets zitten. Hij merkte hoe het voorwerp heel langzaam naar buiten kwam en hij wilde dan ook wachten tot hij het uit de huid kon trekken. Gottliebin maakte van de gelegenheid gebruik om de arts nog allerlei bijzonderheden over haar lijden mee te delen. Na twee uur wachten was het bewuste voorwerp echter nog steeds niet tevoorschijn gekomen en omdat dokter Späth toen voor een spoedgeval werd weggeroepen, moest hij het meisje alleen laten. Dezelfde middag om een uur of 4 bevond ds. Blumhardt zich weer in de buurt. Buiten adem kwam iemand hem tegemoet. Of hij onmiddellijk naar Gottliebin wilde komen! Op een drafje ging de predikant mee. Overal staken mensen hun hoofd uit het raam en riepen ds. Blumhardt toe dat de toestand kritiek was.

Herder en geen huurling!

Zodra de dominee het vertrek betrad, sloeg hem een adembenemende stank tegemoet. Gottliebin bevond zich in het midden van de kamer. Zij hield haar hoofd boven een teil die voor de helft gevuld was met water en bloed. De grond was helemaal rood gekleurd en de kleren van het arme meisje waren zó doordrenkt van bloed, dat de oorspronkelijke kleuren niet meer te onderscheiden waren. Het bloed stroomde Gottliebin uit beide ogen en oren, uit haar neus en uit haar kruin. Later verklaarde Blumhardt dat deze aanblik voor hem het verschrikkelijkste moment was geweest van de hele strijd. Iedereen was de kamer uit gevlucht en ook Blumhardt zonk de moed een ogenblik in de schoenen. Zijn geestelijke inzinking was echter van korte duur. Hij was immers herder en geen huurling! Hij mocht zijn gekwelde gemeentelid ook nu niet in de steek laten. In het geloof riep hij de naam van de Heer aan en hoewel hij dit op fluisterende toon deed, hield het bloeden ogenblikkelijk op. Toen wenkte Blumhardt de familie van Gottliebin naar binnen en liet hen het gezicht en het hoofd van de patiënt wassen. Zodra hij het voorhoofd van de zieke belastte, voelde hij iets zitten en na enig gebed kwam er een kleine spijker naar buiten. Ook uit het achterhoofd kwam een kromme spijker te voorschijn. Blijkbaar was er nu opnieuw een mijlpaal bereikt, want vanaf dat ogenblik hield het bloeden definitief op. Voor het eerst sinds lange tijd voelde Gottliebin zich die avond weer aardig goed.

Satanisch trommelvuur op een kinderziel

Nu het in onze dagen de duivel gelukt is veel christenen wijs te maken dat een kind van God niet gebonden kan zijn, is het buitengewoon verhelderend om zich te verdiepen in de strijd en overwinning van ds. Blumhardt. Opnieuw zou ik met nadruk willen vaststellen dat Gottliebin een echte christin was, die de Heer Jezus Christus van harte liefhad. Toch noemde ds. Blumhardt haar een ‘gebondene’ en zijn hele strijd was erop gericht de banden van het arme meisje te verbreken. Veel hedendaagse zielzorgers zouden zich die moeite niet getroost hebben. Volgens hun zwart-wit schema was Gottliebin óf een onbekeerde, verharde zondares óf ze was een bevrijd kind van God. Want een christen kan immers niet gebonden zijn.

De werkelijkheid was (en is!) echter heel anders dan de rechtlijnige ideeën van sommige studeerkamer-theoretici. Blumhardt ontkende niet dat Gottliebin de Verlosser lief had. Hij bezorgde het meisje geen extra depressie door aan de echtheid van haar geloof te twijfelen. Nee, als een ware herder bond hij de strijd aan met de demonen die haar kwelden. Ook in het leven van Gottliebin zien wij hoe belangrijk het is dat ouders hun kinderen al vroeg bij de Redder en Verlosser brengen. Omdat haar ouders merkten dat zij al als baby bloot stond aan demonische aanvallen, omringden zij haar met een muur van gebed. Na de dood van haar ouders kwam Gottliebin echter bij een tante terecht die een geroutineerde duivelskunstenares was. Het meisje was toen pas 7 jaar oud. Toch had de godsdienstige opvoeding die zij thuis gekregen had, al zó diep doorgewerkt, dat zij zich uit alle macht tegen de trucs van satan verzette.

  • ‘Wanneer jij niet Gottliebin heette en er niet zo veel voor jou gebeden was’ verzuchtte die tante wel eens, ‘zou jij in het rijk van satan heel wat in de melk te brokkelen krijgen.’

Wanneer kleine Gottliebin daarover nadacht, werd zij altijd herinnerd aan Bijbelteksten die zij thuis gehoord had. Toch kon zij niet voorkomen dat zij, als zij ziek was, door haar tante gemagnetiseerd werd. Op deze wijze kwam kleine Gottliebin langzaam maar zeker in de greep van Satans demonen. Geheel tegen haar wil, want zij verzette zich bewust tegen iedere vorm van duisternis. In dat opzicht hadden haar ouders haar vaak genoeg gewaarschuwd. Blumhardt nam aan dat juist het verzet van Gottliebin de demonen er toe bracht haar te kwellen en te pijnigen. Wellicht hadden de demonen er ook een vermoeden van dat God later Gottliebin tot een van de trouwste medewerksters van Blumhardt zou maken. Niemand kon tijdens de opwekking zo goed met geesteszieken omgaan als juist Gottliebin. Geen wonder dat de demonen haar genezing met alle geweld wilden verhinderen.

Nooit kan het geloof te veel verwachten!

In een vorig artikel heb ik verteld hoe Gottliebin eens, tijdens een vreselijk onweer tot twee maal toe een poging tot zelfmoord deed. Op het allerlaatst hebben de demonen dat nog een paar keer geprobeerd. Het arme meisje werd ertoe gedreven om midden in het bos een heel stel grote stenen op elkaar te stapelen. Toen zij daar bovenop ging staan, knoopte zij haar shawl op kunstige wijze aan een boomtak en maakte er een strop van. Ditmaal leek het erop dat de duivel zijn zin kreeg, want Gottliebin stak haar hoofd in de strop en sprong toen van de hoop stenen af. De strop ging wel dicht, maar door het gewicht van Gottliebin scheurde de shawl kapot. Door de smak die zij maakte kwam het meisje weer tot zich zelf. Zij nam zich voor om van deze trieste gebeurtenis niets aan ds. Blumhardt te vertellen, maar nog dezelfde avond kwam de predikant het toch te weten. Tijdens een aanval schreeuwde een van de demonen nl.:

  • ‘Dit meisje kunnen wij maar niet om zeep brengen. Zij heeft zich opgehangen, maar de strop is gebroken.’

Herhaaldelijk was Gottliebin de dood nabij. Meer dan eens heeft Blumhardt meegemaakt dat zij minutenlang niet meer ademde en dat ook haar hart geheel stil stond. Ja, soms was haar gezicht als een dodenmasker, maar door het geloof mocht Blumhardt steeds weer als winnaar uit het strijdperk komen. Eens toen Gottliebin alleen was en zij gemarteld werd door een naald die in haar buik stak, maar niet naar buiten wilde komen, nam zij in een vlaag van waanzin een mes en stak het diep in haar buik. Medisch gesproken had deze steek haar dood moeten betekenen, temeer omdat zij het mes ook nog enkele malen heen en weer bewoog. Maar God liet niet toe dat zijn kind op deze manier het leven zou verliezen. Als door een wonder bleek de wond niet dodelijk te zijn, hoewel o.a. de maagwand was opengesneden. Langzaam maar zeker genas de grote wond. Maar nog gaf satan zich niet gewonnen.

Op een dag kwam een vriendin van Gottliebin de pastorie binnenstuiven met de mededeling dat die buikwond en verschillende andere wonden plotseling weer waren opengebroken. Of ds. Blumhardt vooral zo spoedig mogelijk wilde komen. Er heerste acuut levensgevaar! Heel even dreigde Blumhardt in paniek te raken, maar toen doorzag hij dat dit een truc van satan was. Omdat bij geen loopjongen van de duivel wilde worden, weigerde hij naar Gottliebin toe te hollen. In plaats daarvan begaf hij zich naar zijn studeerkamer. Daar knielde hij neer en riep krachtig tot God. Hij nam in het geloof de overwinning en zei – natuurlijk dwars tegen zijn ‘gezonde verstand’ in – dat hij niet naar Gottliebin toe ging. Die vriendin moest het meisje zeggen dat zij zèlf (met haar open wonden!) naar de pastorie toe moest komen. ‘Sie könne es im Glauben’. In het geloof zou zij het kunnen. En werkelijk, even later zag ds. Blumhardt de heerlijkheid van God. Zijn geloof werd gehonoreerd: Gottliebin was opgestaan en kwam de pastorie binnen. Blumhardt was zó onuitsprekelijk blij met deze overwinning, dat hij er geen woorden voor kon vinden:

  • ‘Nooit kan ‘t geloof te veel verwachten, des Heilands woorden zijn gewis. ‘t Faalt aardse vrienden vaak aan krachten, maar nooit een vriend als Jezus is’.

Was Blumhardt liefdeloos?

Tijdens mijn verblijf in Möttlingen heb ik o.a. ds. Löffle, de plaatselijke predikant, geïnterviewd. Het was voor mij een wonderlijke gewaarwording om in het huis te verblijven waar Blumhardt jarenlang gewerkt en gebeden heeft. De huidige bewoner van de Blumhardt-pastorie bleek een zeer positief en vriendelijke man te zijn. Maar hoe zeer hij mij ook ter wille was, toch kon hij mij niet aan alles helpen wat ik aan Blumhardt-gegevens nodig had. Zo graag had ik b.v. predikbeurtenblaadjes van collega’s van Blumhardt in handen gekregen. Wij weten immers alleen dat Blumhardts collega’s zich van hem distantieerden en tegen hem waarschuwden. Wat zou ik er voor over hebben om eens in de toenmalige kerkelijke blaadjes te kunnen snuffelen. Ik weet zeker dat ik dan heel wat bekende klanken te horen zou krijgen. Omdat de kerkgeschiedenis Blumhardt aanvaard heeft en die gebeurtenissen zich zo lang geleden afspeelden, maakt niemand zich meer druk over wat destijds in Möttlingen gebeurde. Maar o wee als ds. Blumhardt eens in onze tijd geleefd had. Ik ben ervan overtuigd dat bijvoorbeeld een theoloog-medicus meteen een boek ter waarschuwing had geschreven. En was daar niet alle reden toe?

Wat Osborn destijds op het Malieveld in Den Haag deed, was vrij onschuldig vergeleken bij de experimenten waaraan Blumhardt zich ‘schuldig’ maakte. Stelt u zich toch eens eventjes voor: een patiënt met open wonden, die zich in levensgevaarlijke toestand bevond, liet hij zo maar van bed opstaan en naar zijn pastorie komen. Vanuit medisch oogpunt was dit natuurlijk onverantwoordelijk. Een compleet schandaal. Trouwens erg liefdeloos om zo met een arme zieke om te springen. Bovendien bleek eruit hoe schandalig weinig pastorale bewogenheid deze man bezat. Maar Blumhardt trok zich van de praatjes en krokodillentranen van collega’s en critici niets aan. Hij richtte zijn oog uitsluitend op de onwankelbare beloften van zijn God. Wanneer hij naar zijn collega’s geluisterd had, was Gottliebin levenslang een prooi van de demonen gebleven. Haar korte been zou dan ook niet genezen zijn als haar hoge rug en al die andere nare lichamelijke handicaps.

Tijdens de twee jaren dat Blumhardt voor Gottliebin op de bres moest staan, ging zijn gemeentelijke werk gewoon door. Daarnaast publiceerde hij regelmatig artikelen voor jeugd- en zendingsbladen. Dat hij allesbehalve overgeestelijk was, mag b.v. blijken uit het feit dat hij, midden in de strijd om Gottliebin Dittus, tal van artikelen schreef over liturgische problemen. Bovendien was hij ook huisvader en vond hij altijd nog gelegenheid om met zijn vrouw en kinderen te lachen, te zingen en te stoeien. Ook Blumhardt was niets menselijks vreemd. Hij was meer dan eens down en wanhopig. Onfeilbaar was hij beslist niet. Herhaaldelijk maakte hij fouten. Maar steeds weer hield God zijn hand beschermend over het leven van zijn dienstknecht en dat van Gottliebin uitgebreid. Want Hij laat nóóit varen de werken die zijn hand begon.