2. Satan vreest Bijbel en gebed

Wanneer wij deze serie artikelen over de strijd en overwinning van ds. J.C. Blumhardt publiceren, dan is het ‘om de grote daden te verkondigen van Hem, die ons uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht’ (1 Petr.2:9). Uitsluitend omdat wij Gods kinderen willen toerusten tot dienstbetoon, maken wij deze dingen bekend en niet uit sensatielust. Daarom geven wij de bijzonderheden zo sober mogelijk weer. Blumhardt was opgegroeid in een gelovig piëtistisch gezin. Na het gymnasium te hebben doorlopen, ontving hij een uitstekende theologische opleiding. Hij was o.a. 6,5 jaar docent aan het zending instituut te Bazel. Toch kon zijn theologische kennis hem niet helpen bij zijn worsteling om Gottliebin. Blumhardt werd volledig op de Bijbel teruggeworpen.

Toen na 2 jaar de macht van de demonen gebroken was, ontstond er in Möttlingen een machtige opwekking. Geen wonder dat satan alles in het werk stelde om de bevrijding van Gottliebin zo lang mogelijk tegen te houden! Aanvankelijk heeft Blumhardt al deze mysterieuze dingen geheel willen verzwijgen. Gedrongen door de kritiek en het wanbegrip van zijn ambtsbroeders zag hij zich genoodzaakt zijn ‘Strijd’ tenslotte toch te publiceren. In 1844, toen hem daarom gevraagd werd, antwoordde hij ‘voorlopig niet’. In 1850 werd het ‘nog steeds niet’. Maar mannen als ds. Friedrich Zündel en een Blumhardt-kenner als professor W. Koller merken terecht op dat Blumhardt er beslist geen bezwaar tegen zou hebben gemaakt dat deze feiten na zijn dood gepubliceerd werden, tot opbouw van de gemeente van Jezus Christus.

  • ‘Heer Jezus, help mij. Wij hebben nu lang genoeg gezien wat de duivel kan. Nu willen wij wel eens zien wat Jezus kan doen’.

Nadat Gottliebin dit gebed op aandringen van haar predikant gebeden had, hield de epileptische aanval plotseling op. De demonen deinsden terug voor de naam van Jezus! Zodra het meisje wat tot rust gekomen was, zei Blumhardt tegen haar huisgenoten dat men hem vooral moest waarschuwen als er een nieuwe aanval mocht komen. Daarna sprak hij nog een kort gebed uit en keerde naar de pastorie terug. Diezelfde avond om 10 uur kwam er iemand Blumhardt halen. Onmiddellijk ging hij mee. Toen hij bij Gottliebin binnenkwam, zag hij dat de duivel ontzettend tekeer ging. De krampen waren teruggekomen, erger dan ooit tevoren. Het arme kind leed zó vreselijk, dat de vrouw, die bij haar oppaste, haar bewustzijn verloor. Zonder aarzelen ondernam Blumhardt een tegenaanval. Opnieuw liet hij Gottliebin bidden: ‘Heer Jezus, help mij’. Ook nu verdwenen de krampen op slag! Drie uur lang bleef de predikant bij de patiënt.

Telkens wanneer er een aanval kwam, liet hij het meisje bidden: ‘Heer Jezus, help mij’. En steeds weer mocht hij met dankbare verwondering constateren, dat de duivelse machten afdropen zodra zijn gemeentelid de naam van Jezus Christus aanriep. Gottliebin had daarna een rustige nacht en pas de volgende avond, juist toen Blumhardt haar bezocht, begonnen de aanvallen weer. Ditmaal was Blumhardt in gezelschap van de dorpsburgemeester en broeder Mozes Stanger. Deze 2 trouwe leden van zijn gebedskring zouden voortaan iedere worsteling van nabij meemaken. Het gedrag van Gottliebin was anders dan gewoonlijk. Tussen de krampen door gedroeg zij zich namelijk zeer vijandig. Zij balde de vuisten tegen Blumhardt en maakte een gebaar alsof zij hem de ogen wilde uitkrabben. Bovendien overlaadde zij de drie mannen met een stroom van scheldwoorden. Blumhardt trok zich daar echter niets van aan. Hij wist nu dat zijn gemeentelid niet aan het woord was, maar satans’ demonen die haar tot ‘bezet gebied’ hadden gemaakt:

  • ‘Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten’ (Efeze 6:12).

Zoals ik al vertelde, had Blumhardt op twaalfjarige leeftijd de Bijbel al twee maal doorgelezen. Wat kwam zijn enorme Schriftkennis hem nu uitstekend van pas. Hij beantwoorde de demonische scheldpartijen enkel en alleen met Bijbelgedeelten die hij uit het hoofd citeerde en met overluid gebed. Want al had Blumhardt nog bitter weinig ervaring in deze strijd tegen de boze geesten, hij had ontdekt dat de duivel bang is van Bijbel en gebed: ‘In mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven.’ Het was voor Blumhardt bijzonder bemoedigend dat die vreselijke krampen enkele dagen later geheel verdwenen. Optimist als hij was, dacht hij al dat de strijd ten einde was. Weldra probeerde de vijand het echter op een andere manier.

Vóór wij die nieuwe aanval beschrijven, willen wij eerst doorgeven wat Blumhardt zelf over zijn geplaagde gemeentelid geschreven heeft. Hoe zij ook kon razen en tieren tijdens een demonische aanval, zodra zo’n aanval was afgeslagen, was Gottliebin weer dezelfde oprechte christin van voorheen. Zij vertrouwde met haar hele hart op de Heer. Volgens Blumhardt had zij dan niet eens normale zielszorg nodig, want zij beschikte over een geestelijk inzicht zoals hij dat maar zelden had aangetroffen.

Toen de vorst van de duisternis opnieuw attaqueerde, hoorden de huisgenoten van Gottliebin allerlei vreemde kloptekens om haar heen. Op zekere dag gaf een onzichtbare vuist haar zo’n harde slag tegen de borst, dat zij helemaal achterover sloeg. Opnieuw zag zij de gestalte van de Möttlingse vrouw die zij al vaker had waargenomen. Toen zij er met de predikant over sprak, kon deze zich die vrouw onmiddellijk herinneren. Als zielzorger had hij diverse gesprekken met haar gevoerd. Gedreven door een hevige wroeging, had zij hem op haar sterfbed nog allerlei erge zonden beleden. Maar zelfs toen had zij geen vrede gevonden. Op het moment dat Blumhardt de kamer van Gottliebin betrad, lag het meisje heel rustig in bed. Plotseling leek het echter alsof een macht bezit van haar nam. Haar hele lichaam kwam in beweging. Onmiddellijk begon Blumhardt hardop te bidden en noemde herhaaldelijk de naam van Jezus. Zodra hij dat deed, werden de handen van Gottliebin van elkaar gerukt en met een stem die heel anders klonk dan haar eigen stem, riep zij: ‘Die Naam kan ik niet horen’. Alle aanwezigen huiverden toen dit vreselijke gezegde over de lippen van het meisje kwam.

Men dient voor ogen te houden dat Blumhardt nog nooit zulke occulte verschijnselen had meegemaakt. In stilte bad hij om wijsheid en voorzichtigheid. Hij herinnerde zich hoe de Verlosser in het land van de Gerasénen zich rechtstreeks tot het legioen demonen had gewend om hun naam te vragen (Luc.8:30). Zo kreeg hij vrijmoedigheid zich tot de demon te richten die door de mond van Gottliebin sprak. Nadat hij die geest enkele vragen had gesteld, beval hij hem het lichaam van het meisje te verlaten. Hoe onervaren Blumhardt nog was blijkt uit het feit dat hij de naam van Jezus daarbij (nog) niet gebruikte. Toch gehoorzaamde de demon dadelijk en enkele ogenblikken later was Gottliebin weer helemaal rustig. Een paar dagen later kreeg Gottliebin weer hevige aanvallen. Ditmaal sprak Blumhardt echter niet met de boze geesten. Hij gebood hen het meisje los te laten en de demonen gehoorzaamden prompt. Eerst voeren er drie uit, even later zeven en ten slotte veertien! Iedere keer veranderde de gezichtsuitdrukking en de stem van het meisje, want stuk voor stuk maakten de boze geesten zich via haar bekend. Dat deze machten niet vrijwillig vertrokken, bleek duidelijk uit de scheldwoorden die Blumhardt en de zijnen te horen kregen. Maar hoewel de burgemeester en broeder Stanger menige klap en stoot moesten incasseren, werd Blumhardt geen enkele maal aangeraakt. De demonen zeiden openlijk dat zij ook hem graag kwaad hadden gedaan, maar dat zij dit niet durfden!

Als God vóór ons is

In die dagen maakte ds. Blumhardt een soort spoedcursus in Nieuw Testamentisch christendom mee. Alles wat hij hoorde en zag was volkomen nieuw voor hem. Dankzij zijn universitaire opleiding kon hij preken maken en ook op huisbezoek kon hij soms op zijn theologische opleiding terugvallen. Door de strijd om Gottliebin was hij echter een geheel vreemde, onbekende wereld binnengegaan. Daardoor werd hij uitsluitend op de Bijbels teruggeworpen. Geloof en gebed waren zijn enige strijdmiddelen. Want ook de kracht van het vasten kende hij toen nog niet. Hoewel hij tastend een weg zocht door een oerwoud van vragen en problemen, mocht hij toch dagelijks de eeuwige krachten van het Koninkrijk van God ervaren. Van kinds af aan had hij daar al naar gehunkerd. Diep was Blumhardt ervan overtuigd dat de kracht van de Heilige Geest niet uitsluitend voor de eerste christengemeente was gereserveerd. Te midden van de ontzettende worsteling om Gottliebin raakte hij er meer en meer van overtuigd dat God zijn Geest nog eenmaal in al zijn volheid wilde uitstorten. Blumhardt realiseerde zich dat wat hij meemaakte, slechts een voorbode was van wat God op veel grotere schaal zou gaan doen in de laatste dagen.

Ondanks tal van onbeantwoorde vragen (geen enkele professor of collega kon hem immers helpen) kreeg Blumhardt vrijmoedigheid om door te zetten. Wanneer hij boze geesten uitdreef, probeerden zij Gottliebin eerst nog flink te pijnigen. Zij trok zich daarbij de haren uit, sloeg zich op de borst en bonsde met haar hoofd tegen de muur. Maar als de predikant hen dan bestrafte, hielden zulke kwellingen dadelijk op. Je zou kunnen denken dat door Blumhardts tegenacties de toestand van Gottliebin langzaam verbeterde. Het tegendeel was echter waar. Het leek wel alsof zijn tussenkomst de situatie alleen maar verergerde. Het was om wanhopig van te worden. Hoe meer Blumhardt bad, des te feller kwam de vijand terug. ‘Wat ik in die dagen meemaakte, is met geen pen te beschrijven’ getuigde hij later.

Weliswaar moesten de demonen hem steeds als hun meerdere erkennen, maar als hij de volgende keer op bezoek kwam, waren de machten weer sterker en talrijker dan ooit tevoren. Geen wonder dat Blumhardt het gevoel had alsof hij in een doolhof verdwaald was. Geen sterveling kon hem helpen. Zijn vrienden en collega’s deden alle mogelijke moeite hem tot andere gedachten te brengen. Volgens hen was dit een volslagen hopeloos geval. Maar Blumhardt kon en wilde niet berusten. Al voelde hij zich vaak ook nog zo wanhopig, toch bleef hij voortdurend tot de Heer roepen: En iedere keer als de duivelen op zijn bevel uitvoeren, mocht hij ervaren dat de levende God achter hem stond. ‘Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?’ Met deze woorden uit Romeinen 8 heeft hij zich in die dagen vaak getroost en bemoedigd.

Waar blijft de eindoverwinning?

Wij hebben tegenwoordig meer zicht op de Bijbelse opdracht om boze geesten uit te werpen. Daarom dienen wij, in de goede zin van het woord, des te meer bewondering te hebben voor die eenzame strijder. Samen met zijn gebedsvrienden drong hij steeds dieper in het rijk van satan door. Steeds meer demonen moesten het lichaam van Gottliebin verlaten. Na de al genoemde 14 werden het al spoedig 175. Ja, de broeders die hem vergezelden, legden alles nauwkeurig vast en kwamen na verloop van tijd op een totaal van 425! Al deze demonen meldden zich persoonlijk, met een geheel eigen stemgeluid, eer zij Gottliebin verlieten. Op zekere nacht werd het arme meisje bijna gewurgd door een vurige hand die haar keel dichtkneep. Toen haar tante, die bij Gottliebin waakte, het licht aanstak, bleek dat zich een groot aantal met vocht gevulde brandblaren rondom haar hals bevond. Een dokter die de andere morgen kwam kijken, verwonderde zich er zeer over. Zoiets had hij in zijn praktijk nog nooit meegemaakt.

Het duurde enkele weken voor haar hals weer helemaal beter was. In die zelfde tijd kreeg Gottliebin zowel overdag als ‘s nachts herhaaldelijk stompen in haar zijde en klappen op haar hoofd. Wanneer zij buiten wandelde of thuis een trap afliep, gebeurde het meer dan eens dat een onzichtbare hand haar liet struikelen. Weldra zat zij vol builen en blauwe plekken van alle valpartijen. In de nacht van 25 juli 1842 bereikte de strijd een hoogtepunt. Van ‘s avonds 8 uur tot de andere morgen om 4 uur was Blumhardt onafgebroken aan het worstelen met de demonen van de duisternis. Hij was lichamelijk finaal uitgeput. Ofschoon er nog geen beslissing was gevallen, moest Blumhardt zich toch terugtrekken, omdat hij enkele uren later naar Komtal moest om daar een samenkomst te leiden. Toen hij wegging, was het meisje nog steeds niet tot rust gekomen. Dit was de eerste keer dat hij haar zo moest achter laten en het is begrijpelijk dat hem dit erg deprimeerde. Zouden zijn (ongelovige) vrienden dan tóch gelijk hebben? Zou de duivel dan toch machtiger zijn dan Jezus?

Geloof en berusting zijn doodsvijanden

De avond daarop berichtte men hem dat Gottliebin er erger aan toe was dan ooit tevoren. Allen die haar zagen, konden alleen maar jammeren. Het meisje sloeg zich onophoudelijk op de borst, trok zich de haren uit het hoofd en kronkelde daarbij als een worm. Blumhardt was echter door en door moe. Daarom bezocht hij haar pas een dag later. Zodra de predikant het gekwelde meisje begroette, verstijfde zij van hoofd tot voeten. Ruim een kwartier bleef zij roerloos liggen. Zelfs haar adem was niet meer te horen. ‘Nu is ze dood’ riepen haar familieleden al. Maar Blumhardt liet zich niet intimideren. Hij bleef voortdurend in gebed en na verloop van een kwartier (dat een eeuwigheid scheen) opende het meisje haar ogen. Op hetzelfde ogenblik ging er een schok door haar bovenlichaam heen. Zij sperde haar mond open en terwijl zij braakbewegingen maakte, verliet de ene duivel na de andere haar lichaam. Het leek wel, verklaarde Blumhardt later aan zijn kerkelijke superieuren, alsof zij de demonen uitspuwde. Voordien had Blumhardt al herhaaldelijk de opdracht uit Marcus 16 in praktijk gebracht: ‘In Mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven’. Maar nooit waren toen de demonen via de mond van de patiënt naar buiten gekomen. Ik wil daarom Blumhardt zelf aan het woord laten:

  • ‘Zij voeren groepsgewijs uit. Soms met 14 of 28, dan weer met 12 tegelijk. Zo scheen het tot in de duizenden door te gaan, zonder dat er ook maar één woord van mijn kant nodig was. Wanneer er weer een nieuwe groep aanstalte maakte om het lichaam van Gottliebin te verlaten, wierpen de demonen toornige blikken rond, via de ogen van het gekwelde meisje. Eindelijk, eindelijk, kwam er een eind aan deze duivelse exodus.’

Blumhardt besefte dat hij opnieuw een mijlpaal bereikt had. Wekenlang voelde Gottliebin zich toen uitstekend. Zij kon haar werk weer normaal verrichten, maakte wandelingen, bezocht de gemeentelijke samenkomsten en liep de hele dag te zingen. Wat was Blumhardt dankbaar dat hij niet naar zijn ongelovige collega’s geluisterd had. Steeds duidelijker ging hij zien dat geloof en berusting doodsvijanden zijn:

  • ‘Er bestaat een vroom, voorbeeldig geduld’ schreef hij in die dagen. ‘Maar dat geduld hunkert niet naar bevrijding. Daarom vertrouw ik zulk geduld niet!’ Het is veel gemakkelijker zich passief en geduldig aan een ziekte over te geven dan in het gelóóf de grendels weg te schuiven die Gods hulp tegenhouden. Men maakt vaak van de nood een deugd. Zodra een ziekte ongeneeslijk schijnt, beweert men dat het de wil van God is. Ja, men gaat zelfs verkondigen dat zo’n kwaal een voorrecht en een grote zegen is … Maar ondertussen gebruikt men allerlei middelen om van de kwaal af te komen.  De vrome berusting, die God niet om genezing durft smeken, laat niets onbeproefd om er op andere wijze onderuit te komen! Men denkt niet: zou het geen zonde zijn dat ik niet geloof in mijn genezing? Het geloof is een plicht en alles wat niet uit het geloof is, is zonde. Wanneer iemand door het Woord tot geloof wordt opgeroepen en hij gehoorzaamt niet, dan wordt zijn ongeloof tot zonde.’

Een nieuwe truc van satan

Wanneer een ervaren predikant als Blumhardt tijdens de strijd om Gottliebin van de ene verbazing in de andere viel, hoeft het ons niet te verbazen dat de doorsneechristen uit onze tijd een ongelovig gezicht trekt als hij b.v. verneemt welke wonderlijke, bovennatuurlijke dingen er in onze gemeente gebeuren. Juist omdat de Blumhardt-gegevens algemeen door de theologen aanvaard worden als een concreet stuk kerkgeschiedenis, hopen wij de strijd en de daarop volgende opwekking in Möttlingen velen de ogen openen voor de opdracht en de mogelijkheden die God aan opnieuw geboren en Geestvervulde christenen gegeven heeft. Ook vandaag, want de God van Blumhardt is niet veranderd!

Bij mijn bronnenstudie is het telkens weer opgevallen dat Blumhardt er zich van bewust was dat de bevrijding van Gottliebin slechts ‘een wolkje als eens mans hand’ was. Een heerlijk voorteken van de overvloedige stortregen die God in latere dagen zou gaan geven. Door het ongeloof van zijn collega’s werd Blumhardt gedwongen het rapport over de ziekte en genezing van Gottliebin Dittus aan zijn kerkelijke overheid voor te leggen. Wanneer hij zich uitsluitend door zijn gezonde verstand had laten leiden, zou bij een verslag hebben geschreven waaraan niemand enige aanstoot had kunnen nemen. Dit kon bij echter niet over zijn hart verkrijgen:

  • ‘Hoewel ik mij bij iedere zinsnede bijna bevend afvroeg of het niet overhaast of onvoorzichtig was dit allemaal zo maar te vertellen, hoorde ik toch steeds de stem van de Heer die zei: ‘Geef het door!’

Hoe ouder Blumhardt werd, des te duidelijker ging hij inzien hoe belangrijk zijn strijd is geweest voor het Koninkrijk van God. Tijdens zijn leven mochten deze dingen alleen maar in het oor gefluisterd worden. Na zijn dood werd het nodig dezelfde feiten ‘van de daken te prediken’. Toen hij aan zijn kerkelijke superieuren rapport uitbracht, stond hem ook duidelijk voor ogen dat een vage berichtgeving zo gauw een sprookjesachtige indruk zou maken. Daarom noemde Blumhardt de dingen steeds bij hun naam, op het gevaar af dat men hem een dweper zou noemen of dat zijn collega’s zouden insinueren dat hij alles uit zijn duim had gezogen. Nadat Gottliebin enkele weken vrij rustig was geweest, kwam zij op zekere dag, in augustus 1842, lijkbleek de pastorie binnen. Pas na enige minuten kwam het grote woord eruit: al 2 jaar lang werd zij iedere woensdag en vrijdag door boze geesten gepijnigd. Zij verloor dan heel veel bloed. Haar huisarts was de enige die zij over die bloedingen had ingelicht. Maar de middelen die hij haar had voorgeschreven, hadden geen enkel resultaat opgeleverd.

Zodra Blumhardt haar regelmatig was komen bezoeken om met haar te bidden, waren die bloedingen opgehouden. Maar na die laatste grote aanval (op 25 en 26 juli) werd Gottliebin weer iedere woensdag en vrijdag gemarteld en verloor zij enorm veel bloed. Wanneer er geen eind aan gemaakt werd, zou dit onherroepelijk haar dood betekenen. Blumhardt schrok hevig van deze mededeling. Opnieuw voelde hij zich alsof hij een doolhof was binnengegaan waaruit hij niet meer kon ontkomen. Heel even was de predikant de wanhoop nabij. Toen klampte hij zich opnieuw aan Gods onwankelbare beloften vast:

  • ‘Gottliebin’ zei hij tegen het gemartelde meisje, ‘wij geven het niet op. Wij blijven bidden. Bijna iedere bladzijde uit de Bijbel spreekt over gebed en gebedsverhoring. Daarom gaan we door, want de Heer zal doen wat Hij belooft!’

De kracht van het gebed

Al de volgende dag was het vrijdag. Het werd een dag die Blumhardt zijn leven lang niet vergeten zou. Na een maandenlange droogte brak er ‘s avonds een hevig onweer los. Terwijl het buiten onheilspellend donker werd, kreeg Gottliebin een vreselijke aanval. Vanwege hevige bloedingen moest zij zich geheel verschonen. Terwijl zij een ogenblik op een stoel zat, werd zij gedwongen voortdurend iets in te slikken. Op het zelfde moment beving haar een soort razernij. Als een dolle rende zij door de kamer en riep om een mes waarmee zij zelfmoord zou kunnen plegen. Maar haar hevig geschrokken broers en zuster zorgden wel dat zij geen mes te pakken kreeg. Toen rende zij naar boven en klom het raam uit. Zij hield zich nog slechts met één hand vast, toen plotseling de duisternis verscheurd werd door de eerste bliksemstraal. Daardoor kwam Gottliebin weer tot zichzelf. ‘O God’ riep zij uit ‘dat wil ik niet’. Weldra kwam er echter een nieuwe vlaag van waanzin. Zij pakte een touw (niemand wist waar dat touw zo plotseling vandaan kwam!) en bond het op kunstige wijze om een balk heen, zodat er een lus ontstond die gemakkelijk dicht gleed. Ze had haar hoofd al in de lus gestoken om zo een eind aan haar leven te maken, toen opnieuw een felle bliksemschicht de inktzwarte lucht doorkliefde. Daardoor werd Gottliebin opnieuw uit haar delirium bevrijd. Zodra zij de volgende dag die strop aan de balk zag hangen, kreeg zij een hevige huilbui. Met geen mogelijkheid had zij toen nogmaals zo’n strop kunnen vervaardigen…

Nadat het meisje zich verschoond had, werd Blumhardt bij haar geroepen. De kleding van haar bovenlichaam was weldra weer doordrenkt van bloed. De predikant sprak enkele woorden van troost en bemoediging. Daarop begon Gottliebin te kreunen. Terwijl buiten de donderslagen weerklonken, riep Blumhardt de naam van de Heer aan. Later wist hij zelf niet meer wàt hij gebeden had, maar na een kwartier was die demonische aanval afgeslagen. ‘Nu zijn ze weg’ riep Gottliebin dankbaar uit. De predikant liet het meisje toen even alleen om haar gelegenheid te geven zich om te kleden. Hij kon God alleen maar loven en prijzen toen hij haar even later volkomen veranderd aantrof. Vanaf die dag kwamen die vreselijke bloedingen niet meer voor. Samen met de andere leden van het gezin Dittus zong dominee Blumhardt vervolgens enkele geestelijke liederen om God te danken.

Plotseling sloeg Gottliebin achterover, op dezelfde manier waarop zij dat altijd deed als de demonen haar aanvielen. Een hevige scheldpartij volgde. Maar zodra Blumhardt de boze geesten bestrafte, werd het stil. ‘Nu kunt u wel gaan, hoor’ zei Gottliebin. Blumhardt vertrouwde het echter niet. Daarom legde hij zijn hoed en wandelstok weer weg en sprak nog een kort gebed uit. Onmiddellijk begon Gottliebin heel gemeen te lachen en iemand zei via haar stem:

  • ‘Daar heb je goed aan gedaan om niet te verdwijnen. Want als je er vandoor was gegaan, had je het spel verloren!’

Blumhardt ging er niet op in, maar bestrafte die boze macht en dreef hem uit. Toen brak de woede van de demonen pas goed los. De omstanders hoorden tal van stemmen klinken, meestal klagend en huilend:

  • ‘Nu is alles afgelopen’ jammerden ze. ‘Jij schopt alles in de war. Ja, jij bent de schuld van ons ongeluk. Jij, met je eeuwige bidden. O wee, o wee, nu verdrijf je ons toch nog. Wij zijn 1067 in getal, maar nu is alles afgelopen’.

Urenlang duurde deze geestelijke worsteling. Buiten rolden de donderslagen en overstemden af en toe het gebrul van de demonen. Bliksemschichten wierpen een vreemd licht op de ernstige gezichten van de aanwezigen. Het was een tafereel waar men zich eenvoudig geen voorstelling van kan maken. Maar er was een klinkende overwinning behaald:

  • ‘Niemand ter wereld’ riepen de boze geesten ‘niemand kon ons verdrijven. Alleen jij, omdat je maar dóór bleef gaan met je eeuwige bidden.’

Vasten is bidden zonder woorden

Toch was Blumhardt nuchter genoeg om in te zien dat de eindoverwinning nog lang niet behaald was. Al had hij er steeds voor gezorgd dat zijn andere ambtsbezigheden niet in het gedrang kwamen, toch eiste deze geestelijke strijd teveel van zijn tijd en zijn krachten. God beproeft ons echter nooit boven ons vermogen. Dat mocht ook Blumhardt ervaren, want juist in die dagen (september 1842) werd hij bij het Bijbelse vasten bepaald. God gebruikte een goede vriend van Blumhardt om hem op de betekenis van het vasten te wijzen. Meteen nam de predikant de proef op de som. Hij sprak er met niemand over, maar weldra merkte hij dat deze nieuwe strijdmethode zijn uitwerking niet miste. Een buitenstaander zou wellicht denken dat Blumhardts strijd nog zwaarder werd, nu hij ging vasten. Hij moest zich immers toch al zoveel ontzeggen… Het tegendeel bleek echter waar. Zodra Blumhardt begon te vasten, kreeg hij nieuwe kracht en moed. Voor hem was het vasten geen vorm van zelfkwelling, maar een nieuwe manier van bidden. Vasten is ‘namelijk een (zeer Bijbelse) gebedsvorm! Het is een gebedshouding, waardoor men bidt zonder woorden:

  • ‘Wanneer ik vastte’ getuigde Blumhardt ‘kon ik de machten in bedwang houden zonder persoonlijk aanwezig te zijn. En als ik bij de patiënt op bezoek kwam, verkreeg ik in zeer korte tijd verblijdende resultaten’.

Ook hoefde de predikant nu niet meer ieder ogenblik naar Gottliebin toe te hollen. Hij merkte namelijk dat de duivel hem graag van het kastje naar de muur stuurde en als loopjongen gebruikte. Wanneer hij vastte, was een kort gebed vanuit zijn studeerkamer voldoende om een aanval af te slaan. De ontdekking van de kracht van het vasten betekende een nieuwe mijlpaal in de worsteling om Gottliebin. Zo vocht deze eenzame strijder verder. Van zijn collega’s ondervond hij alleen maar tegenwerking, hoon en wanbegrip. Maar van dag tot dag mocht hij meer ervaren van de krachten van het Koninkrijk van God. Straks zouden de demonen uitroepen ‘Jesus ist Sieger’ en het dorre doodgepreekte Möttlingen zou geschud worden door een machtige opwekking. Tot daaraan toe luidde het parool voor Blumhardt:

  • ‘Lijd met de anderen als een goed soldaat van Jezus Christus’ (2 Tim.3:3).