43. ‘Charismatische beweging’ nu ook in Spanje

Waar God aan het werk is, probeert de satan alles te dwarsbomen, door de Geestelijke uitingen naar het terrein van de emotionaliteit te manoeuvreren. Door middel van ontroering en opwinding wil de satan de mensen laten ‘genieten’ van wat geestelijke gaven moeten zijn. Aan de ene kant probeert de wetteloze de mensen er van te weerhouden, dat ze tot bekering komen, terwijl hij daarnaast onder kinderen van God verwarring wil stichten. Nadat ik in een aantal artikelen een samenvatting heb gegeven van de ervaringen, die ik dit jaar in Spanje heb opgedaan, moeten mij nog enkele dingen van het hart. Het is namelijk denkbaar dat ik, door mij waarderend uit te laten over christelijke naastenliefde, zoals die door de nonnetjes in Alcoy aan mijn oudste zoon werd betoond, zou kunnen worden beschouwd als iemand die charismatische’ sympathieën vertoont.

Inderdaad, als men zich al te zeer laat drijven door christelijke naastenliefde of andere geloofsdaden van zich christelijk noemende groeperingen, die niet consequent de leer van Christus willen volgen, komt men maar al te gemakkelijk op de ‘charismatische toer’ terecht. Dat heb ik in mijn eigen vrienden- en familiekring meegemaakt. Wij leven nu eenmaal in een wereld dat men lief moet zijn tegenover alles en iedereen. Ik denk bijvoorbeeld aan de broeder die jaren geleden onze oudste zoon, mèt ons de handen oplegde om de boze geest te bestraffen, die onze zoon, zoals ik al eerder schreef, iedere avond klokslag negen uur aanviel. Hij was toen wel bevrijd en heeft er later nooit meer last van gehad, maar deze broeder was blijkbaar ook een soort fatalist, die ons in Spanje grote tegenslagen en ongelukken voorspelde. En de onheilsvoorspelling kwam uit, maar terwijl ik zelf de weg heb leren kennen die tot overwinning leidt, predikt deze broeder nu in kloosters… voor de nonnetjes, die o zo graag met de ‘Geest willen worden vervuld en in talen willen spreken’. Vroeger, toen wij hem leerden kennen, stond hij in een zekere autoriteit. Maar later kregen er in zijn leven bepaalde gevoelsargumenten de overhand; in zijn ‘werk voor het evangelie’ werd hij een volslagen opportunist die ondanks zijn vroomheid bijzonder wreed kon zijn. Door dat opportunisme werd op een bepaald moment een gezegende werk onder Spanjaarden teniet gedaan….

  • ‘Ne pas voir Dieu, ne pas voir Dieu’ (God niet zien, God niet zien…)

Toen ik hem onlangs ergens in Duitsland ‘toevallig’ tegenkwam, droop hij van ‘vroomheid’. Zijn stem was helemaal veranderd en met deze vleiend vrome stem vertelde hij mij dat hij nu voor kloosterlingen predikte. Ik proefde ongeveer dezelfde geest als indertijd bij de Mariënschwestern in Darmstadt. Overal hetzelfde waas van vroomheid, geheimzinnigheid en verhevenheid. Als dit geen scheiding van geesten brengt, weet ik het niet meer. In ieder geval was er voor mij noch bij deze broeder, noch bij de Mariënschwestern enige basis van gemeenschap meer aanwezig. Deze geestelijke ‘modaliteit’ evolueert namelijk, dat is ook mij gebleken. Wat ze vijf jaar geleden was, is ze nu niet meer. Deze broers en zusters, die zich nu met het predicaat ‘charismatisch’ tooien, zijn in een bepaalde richting geëvolueerd waar ze voor andersdenkenden ongenaakbaar en onbereikbaar geworden zijn. Dat doet mij denken aan het zwarte laken dat een Franse pinksterzuster ruim dertig jaar geleden heeft gezien, toen zij eens – zonder het vooraf te weten – naar een spiritistische seance meegetroond werd. Zij zag daar een zwart laken dat over de aanwezigen uitgespreid lag, terwijl ze ook een stem hoorde die zei:

  • ‘Ne pas voir Dieu, ne pas voir Dieu’ (God niet zien, God niet zien…).

Datzelfde zwarte laken heb ik telkens in roomse kerken, kloosters en kathedralen over de hoofden van de mensen uitgespreid gezien, die voor een madonna- of heiligenbeeld geknield lagen. Onbereikbaar zijn deze zielen en hoezeer ze bevrijding en verlossing ook nodig hebben, iedere evangelieprediking ketst tegen de occulte barrière van dat zwarte, ondoorzichtige laken af! En aan deze geestelijk mismaakte zielen, die als ‘t ware in een tang van duistere religiositeit gevangen zitten en die vooralsnog uitsluitend bekering, verlossing en bevrijding uit hun ban nodig hebben, gaan de charismatische broeders nu de ‘vervulling met de Heilige Geest’ prediken! Het spreekt vanzelf dat er zich ‘een geest’ zal manifesteren, maar niet God Heilige Geest. De valse leer van die religieuze congregaties en communes laat geen bekering toe, want hun leden ‘zijn al bekeerd, de lagere of hogere wijdingen ontvangen hebbende…’ Iedere verdere prediking van bekering, verlossing en bevrijding is in die kringen taboe. ‘Niet de leer, maar de heer!’ Dat ‘heer’ heb ik met kleine letters geschreven, omdat de ‘heer’, die zich daar manifesteert, niet onze Heer Jezus Christus kàn zijn… Hoe verderfelijk de dwaling van deze broeders en hoe verwoestend deze machten zijn, moge uit het voorafgaande overtuigend blijken.

De St. Joris legende

St. Joris en de draak

In mijn artikel over mijn ontmoetingen met mensen in Alcoy had ik het onder andere over een arts van deze stad, wiens boeken over de historische ontwikkeling in dat gebied ik had gelezen. Typerend vond ik daarbij de St. Joris legende, waarover ik al eerder geschreven heb. Daar wilde ik met de auteur over spreken. Hij stond mij in zijn praktijk te woord en hoewel hij een van de meest vooraanstaande medici en politici uit de regio is, omhelsde hij mij en zei: ‘De vrienden van mijn vrienden zijn mijn vrienden!’ En ik ben ervan overtuigd dat hij het meende. Zijn vriendschap met mijn vriend heeft nu al tien jaar geduurd en er is geen teken van dat ze zal ophouden. Deze arts en politicus ziet in mijn vriend een dienstknecht van God die al veel gedaan heeft tot leniging van de geestelijke nood van Alcoyanen. Heerlijk, zouden we zeggen. Veel Nederlandse calvinisten zouden zoiets niet verwacht hebben van een Spanjaard, die nota bene rooms is en die vroeger zelfs de lagere wijdingen heeft ontvangen op weg naar het priesterschap, waartoe zijn ouders hem hadden bestemd.

Ik begon meteen over de St. Joris legende, waarin hij zèlf niet bleek te geloven. Volgens hem was het eenvoudig een product van het volksgeloof, dat men het volk niet mocht ontnemen. Via de legende kwam het gesprek, in het bijzijn van mijn vriend, de voorganger, vanzelf op het waarachtig en Bijbels geloof in Jezus Christus. Zodra ik op het punt van de verzoening kwam te spreken, als zijnde de toegangspoort tot de genadetroon van God, bereikte ik een drempel die mijn nieuwe Spaanse vriend niet bleek te kunnen overschrijden. De boodschap van verlossing door het zoenoffer van Christus ketste af op ‘de genademiddelen van de heilige moederkerk….’ Toen ik later op straat weer met mijn vriend stond te praten, vertelde hij mij dat dit het dode punt was in al zijn contacten met deze medicus, schrijver en politicus. Zóver reikt de keten, waarmee hij aan de roomse leer vastgeklonken zit. Hij kan geen stap verder komen, tenzij deze keten stukgetrokken wordt.

Mensen die het evangelie graag vrijblijvend willen benaderen zonder de beslissende stap van de bekering te doen, komen wij in Spanje dagelijks tegen. De broeders van de charismatische beweging zouden het als ‘een verknochtheid aan hun oude geloof’ zien, aangezien de roomsen door de babybesprenkeling, ‘kinderen van God’ geworden zijn. De bekering wordt afgewezen of onbelangrijk geacht, maar het ontvangen van ‘geestelijke gaven’ wordt gretig aanvaard tot versterking van deze mensen in hun ‘oude geloof. Dit knelpunt, dat door de leer wordt gesuggereerd, neemt in feite de vorm aan van een demonische gebondenheid. De zielen worden door de leer geblinddoekt, zodat ze niet tot Christus kunnen komen. Het spreekt dus vanzelf dat het evangelie met autoriteit moet worden gepredikt. Zuiver theologisch gezien moeten deze occulte leringen in botsing komen met de leer en de richtlijnen die Christus is komen verkondigen. In de zielszorg komen wij dan vaak een levensgrote demon tegen, die eerst moet worden gebonden voordat de mensen ontvankelijk kunnen worden gemaakt voor het evangelie. Deze verknochtheid aan het oude geloof is in feite niets anders dan een vorm van demonie.

En de nonnetjes dan, die praktisch dag en nacht klaarstaan om te helpen? Daar heb ik lang over nagedacht en ben tot de conclusie gekomen, dat er twee verschillende oorzaken kunnen worden aangewezen: de volksaard  òf de ‘goede werken’, die in de roomse kerk een grote rol spelen. Ik geloof dan ook onvoorwaardelijk dat de hulpvaardige nonnetjes het inderdaad uit volle overtuiging doen. De spreekwoordelijke bereidheid waarmee zij mensen helpen, ligt echt in hun aard. Het zijn van nature bereidwillige en hulpvaardige mensen, die daarmee God willen dienen. Maar is dat dan geen bewijs, dat ook de roomse religie goed is? Deze vraag moet ik ontkennend beantwoorden, want er is geen godsdienst in deze wereld die haar volgelingen leert dat ze slecht moeten zijn. Ze hebben integendeel goede en hoogstaande ideeën verkondigd. Maar de godsdiensten, die de exponenten zijn van deze hoogstaande ideeën en goede daden, redden de mensen niet! Zelfs deze nonnetjes hebben bekering nodig en zolang ze niet tot bekering zijn gekomen, kunnen ze hun medemens alleen maar op het aardse en stoffelijke vlak helpen. De gastvrijheid van hun Joodse en Semitische voorouders was spreekwoordelijk; die hadden praktisch alles over voor hun medemens. Van deze oer-Semitische karaktertrek heeft de roomse kerk handig gebruik weten te maken in haar propagandasysteem, onder het motto van de ‘goede werken’. Het pleit ons echter geenszins vrij, alsof wij geen goede werken moesten doen. En de wereld dan? God heeft de héle wereld lief, omdat Hij alle mensen heeft geschapen naar zijn beeld! Dat is iets dat de Spanjaarden begrepen hebben; ook in gemeenteverband heb ik mogen zien wat er gebeurt, als er één lid lijdt. En het lijden is helaas ook deze christenen niet bespaard gebleven.

De perfecte calvinist

Om volledig te zijn, moet ik het nog hebben over andere soorten religieuze banden en gebondenheden, waar men hoofdzakelijk op het reformatorisch erf mank aan gaat en die minstens even erg zijn als de gebondenheden, die we in een land als Spanje tegenkomen. Ik bedoel: de calvinistische rechtschapenheid, die de mensen zo rein, vroom en rechtschapen maakt, dat ze menen geen bekering nodig te hebben. Zij die desondanks tot bekering komen, voelen zich dan zó goed, zó perfect, dat ze anderen menen te mogen beoordelen of liever veroordelen. Met hèn heeft Christus eigenlijk maar weinig moeite gehad, maar zij beseffen niet dat zij juist door hun eigengerechtigheid God in de weg staan. En wanneer zij het dan nog voor het zeggen hebben in een gemeente, zijn ze bovendien nog in staat om de Geest van God tegen te houden. Dit kan de ondergang betekenen voor tal van plaatselijke gemeenten. Het geestelijk plafond dat zij bereiken, mag door hun medechristenen niet doorbroken worden. Dit kan hinderlijk zijn voor iemand die verder omhoog wil. Deze ‘volmaakte’ en zelfvoldane christenen zijn op dat punt even schuldig als het roomse leergezag dat het kerkvolk er van weerhoudt, tot Christus te komen, zoals de Schrift zegt.

Als kind heb ik de nodige vermaningen meegekregen van mijn calvinistisch-methodistische familie. Ik heb ze als een wet ervaren, die mij in mijn jongensjaren een bekering tot God onmogelijk maakte. Ik dacht dat ik niet kon voldoen aan de mij gestelde normen van vroomheid en christelijk fatsoen, tot ik later hoorde dat ik tot Christus kon komen ‘zoals ik was’. Maar dit hield een breuk in met de familiegeest en traditie. En die was oud!

Het positieve daaraan was, dat mijn familie op grond van haar godsdienstige traditie geen behoefte had aan metafysica en dus niet openstond voor het spiritisme. Toch probeerde de geest van het spiritisme zich desondanks aan mijn familie op te dringen via de roomse familie van mijn grootmoeder aan moederskant. Al had mijn grootmoeder bij haar huwelijk met een Hugenoot afstand gedaan van haar roomse geloof, is het toch eigenaardig dat de familie van mijn moeder (die rooms geweest is) op het terrein van het spiritisme terechtgekomen is en ten dele zelfs mediamiek ‘begaafd’ bleek te zijn. Ik herinner me nog goed hoe een oom – een rooms opgevoede Roemeense Jood – tijdens een kerstviering in mijn ouderlijk huis ineens opstond en zei: ‘Toe, laten wij elkaar een hand geven en samen de geesten van vader en moeder (mijn grootouders aan moeders kant) oproepen’. Ik wist toen nog niet zoveel van deze dingen af, maar ik keek mijn vader strak in zijn gezicht, die zei: ‘Daar komt niets van in!’ Vader, die uit calvinistisch-methodistische huize kwam, voelde instinctief aan dat het fout was, terwijl moeder zich toen waarschijnlijk had laten meeslepen.

Zo kwam ik dus al heel vroeg te weten wat er achter Rome’s altaren, met al die madonna- en heiligenverering, kon zitten. Daarom is het dan ook in één woord verderfelijk, wanneer wij onder mensen met een roomse traditie over de gaven van de Geest gaan praten buiten de volle boodschap van het Koninkrijk om. Als bijvoorbeeld het spreken in talen zo mooi in de oren klinkt van een pasbekeerde van roomse afkomst, kan dat een spiritualistische snaar raken in zijn ziel. En wanneer de ‘charismatische’ broeders over de gaven van de Geest gaan spreken met paters en fraters, die daarvoor open staan, enkel afgaande op het feit dat ze ‘door de babybesprenkeling een kind van God’ geworden zijn en de kerkelijke wijdingen ontvangen hebben, kan dit alleen maar een schromelijk misbruik zijn van Gods Heilige Geest. Maar aangezien Gods Geest zich niet laat misbruiken, is de vraag wat er dan gebeurt wanneer deze onbekeerde roomsen – zowel geestelijken als leken – toch in talen gaan spreken. Het is geen reden om ‘halleluja’ te roepen, want het is intreurig en gevaarlijk. Dit blijkt wel, wanneer wij horen dat roomsen, die ‘de Geest hebben ontvangen’ (naar hun zeggen) ‘de heilige maagd Maria‘ nog devoter vereren dan ze vroeger al deden!

Toen ik een paar maanden geleden in Alicante sprak, kwam na afloop een zuster naar me toe, die zei: ‘Cornelio, kom je nog even met me praten, want wij hebben in Alicante nog een gemeente gesticht… dat moet je meemaken!’ – Dat was mij een dolksteek in het hart, want ik had haar als jong meisje gekend en nu heeft zij een charismatische gemeente gesticht, waar het nogal wild moet toegaan. Iedereen schijnt daar in talen te spreken en dan nog zonder enig toezicht van een voorganger of oudste. Dat leidt onherroepelijk tot excessen die veel kwaad kunnen stichten. Een dolksteek, ja, niet minder dan dat. Want deze zuster is ijverig en een goed kind van God, dat zich heeft laten misleiden. ‘Wat vind ik dàt fijn, dat je dat onderkend hebt’ zei mijn vriend Adolfo na afloop, toen ik het met hem over de uitnodiging van die zuster had. ‘Een jaar of twee geleden is ze uit ons midden weggegaan en heeft nog een aantal broeders meegesleept. Het was toch allemaal niet nodig geweest, want ook wij zoeken naar de vervulling met Heilige Geest, alleen geloven wij niet dat het op een stormachtige wijze moet gebeuren.’ Aan de hand hiervan zien wij dat de boodschap van het Koninkrijk der hemelen broodnodig is, ook in Spanje en ik vertrouw dan ook dat de Heer van de gemeenten (Op.1:12-18) wegen ontsluit en deuren opent, om dit spoedig op groter schaal mogelijk te maken.