40. Bloedige en onbloedige offers

 Overgebleven surrogaat van bloedige offers

Na de invoering van het onbloedige misoffer bleef onder het volk onbewust een herinnering aan de bloedige offers van hun voorvaders bestaan, al dan niet met de gedachte aan verzoening met de één of andere godheid die ze vroeger hadden gediend. Als compensatie hiervoor kunnen in Spanje de stierengevechten als religieus sportief surrogaat van de bloedige offers worden beschouwd. Ziehier een onderwerp dat bijna niemand aandurft! Waarom niet? Eenvoudig omdat het tegen de gevestigde religieuze wereldorde ingaat, die in de loop van de eeuwen een wetenschappelijk tintje gekregen heeft. Wetenschappelijk echter niet in de betekenis van een research, een onderzoek om na te gaan hoe de feiten precies liggen. Want men wil op dit gebied de feiten niet onder ogen zien! Haalt men er de Bijbel bij, dan zoekt men doorgaans naar zogenaamde ‘texta probanda’ of bewijsteksten, die men o zo graag aanhaalt om een gevestigd religieus systeem te staven. Vooral niet om eerlijk onder ogen te zien wat Christus met een bepaalde tekst bedoeld heeft of wat de apostelen er mee wilden zeggen.

Wij hebben hier te maken met een religieus taboe, want als wij de kwestie van de offers in Bijbels licht bekijken, vallen alle religieuze systemen als kaartenhuizen in elkaar: islam, het Jodendom, maar ook Rome en alle protestantse of piëtistische stellingen, die in de loop van de eeuwen zijn opgebouwd. Vanaf Adams val is het slachten van dieren nodig geweest tot bedekking of kleding. Abel heeft daar al de diepere betekenis van begrepen: de door de zonde van God verwijderde mens, had een zondoffer nodig. Het zoeken naar de weg terug naar God is inherent aan het menselijk wezen; het Oude Testament leert ons immers dat er zonder bloedvergieten geen vergeving mogelijk was.

Voordat er een wet bestond wist de mens – laten wij gemakshalve bij Abel blijven – dat God alleen met het allerbeste uit de kudde genoegen kon nemen. Dat allerbeste heeft Abel geslacht voor het aangezicht van God en God heeft Abels offer aanvaard, met andere woorden, Hij heeft Abel vergeven en wilde weer gemeenschap hebben met de mens, die daar een dier stond te offeren omdat hij zich zèlf niet als offergave kon brengen. Kaïn echter dacht dat God ook wel genoegen zou nemen met een offer, bestaande uit de ‘vruchten van het veld’. Een onbloedig offer dus, dat door God niet werd aanvaard. Een verklaring hiervan vinden wij in Leviticus, waar wij lezen over de verschillende spijsoffers van meel en olie. Als wij de inzettingen m.b.t. spijsoffers echter in hun verband lezen, komen wij tot de conclusie dat deze alleen ná het brandoffer en zondoffer konden worden gebracht, met andere woorden er moest een bloedig offer aan voorafgaan. Om ons nu eens nieuwtestamentisch uit te drukken: alleen de verloste mens mocht spijsoffers brengen; alleen hij mocht met een eerstelinggarve verschijnen voor het aangezicht van God. Want een niet-verlost mens kon immers geen vruchten voortbrengen die waarde hadden voor God!

Wie ziet hier niet het principe van de hele kerkgeschiedenis? Degene die, naar het voorbeeld van Abel, een bloedig offer brengt om vrede te verkrijgen met God –degene die dus het beste weggeeft dat hij bezit, als hij maar weer voor zijn God mag verschijnen – wordt doodgeslagen door de modernist, die denkt dat God het niet zo nauw neemt en dus kan volstaan met een onbloedig offer. Hierin schuilt de tragiek van de hele kerkgeschiedenis. Wanneer later Jezus Christus, de Zoon van God, te midden van de wereld- en kerkgeschiedenis staat en omdat de heiligheid van God, de Kodesj Jahweh, in Hem woont, waardig wordt bevonden om zichzelf te offeren voor de mensheid, barst de hel los.

Herhaaldelijk heb ik aangetoond dat de satan Christus’ kruisdood wèl gedoogt, maar niet zijn opstanding uit de doden. In de wereld en kerkgeschiedenis werd Jezus stelselmatig doodgelogen door een satanische verleugening. Niet alleen van de wereldgeesten, maar vooral van de religieuze mens, die in zijn hele godsdienstbeleving niet verder komt dan Goede Vrijdag. Hij kan als pelgrim gaan huilen op de berg Golgotha, hij kan Christus’ dood bewenen of de voeten van een crucifix kussen, maar aan Pasen komt hij nooit toe. De juichtoon van Pasen ontleent hij aan de ieder jaar weer ontluikende natuur – ook een vorm van onbloedig offer (!) – maar niet aan Christus, die uit het graf is opgestaan en die wij nooit meer mogen zoeken onder de doden. Wie dit toch doet, valt onherroepelijk in de valkuil van het religieus occultisme.

De ‘plaatsvervanger van Christus op aarde’, met een voor eeuwig dood beest, als Christus op de kromstaf in zijn occulte hand

Jaren geleden bezocht ik eens een Russisch-orthodoxe kerk en bekeek daar de iconen. Dit gebeurde onder het toeziend oog van de koster, een na de Oktoberrevolutie naar het westen gevluchte Rus. Het ging allemaal goed, tot ik in mijn nieuwsgierigheid een kijkje wilde gaan nemen achter het altaar. De koster trok mij aan mijn jas en zei: ‘Dat mag niet, dat is voor de dode!’ – ‘Ligt er dan een lijk opgebaard achter het altaar?’ – vroeg ik… en de Rus wees naar de icoon van de gekruisigde Christus. Daar kunnen de orthodoxe Russen dan juichend hun paashymnen aanheffen, luidkeels roepend: ‘Christus is opgestaan’. Maar ze zingen dat staande voor het altaar van de ‘dode’, waarvan ze de opstanding in hun geloofsleven nooit zullen beleven, tenzij ze gaan geloven in de Christus van de Schriften.

Icoon van de gekruisigde Christus

Soortgelijke uitbundige paasvieringen heb ik ook in Spanje meegemaakt. Na het Vaticaanse concilie is er op dit gebied weliswaar niet veel meer te beleven, maar vroeger zag ik kinderen met stenen tegen de weergalmende stalen telegraafpalen slaan. De burgerpolitie, de guarda civil, droeg op Goede Vrijdag en op de daaropvolgende zaterdag van de ‘silencio del sepulcro’ (stilte van het graf) de geweren met de loop naar beneden. Zodra echter de ‘toque de gloria’  (klaroenstoot van de overwinning) weerklonk, gingen de geweerlopen weer naar boven.

Bij een zonnige paasdag in Spanje hoort echter nog wat anders, dat wèl is blijven bestaan: het stierengevecht! Wat heeft dit er nu mee te maken? Het enige verschil met de paasgebruiken uit vroeger jaren, zoals het nog was toen ik Spanje leerde kennen, is dat de stierengevechten iedere zondag plaatsvinden en niet bij het verleden horen. Integendeel, er worden ook buiten Spanje stierengevechten gehouden. Hoe langer hoe meer. In het Zuid-Franse Nîmes heb ik indertijd een grote arena gezien. Maar… nog maar enkele dagen geleden werd ik opgebeld door één van de redacteuren van een dagblad, die mij vertelde dat er volgens een bericht in de West, op Aruba, een arena gebouwd wordt (met ontwikkelingsgelden?) en dat daar eind juni het eerste stierengevecht zal plaatsvinden. Dit laatste wist een Venezolaanse impresario te berichten. Dus wordt ons aloude onderwerp weer actueel; enkele jaren geleden dacht men dat het stierengevecht verdrongen zou worden door voetbal. Maar niets is minder waar dan dit: deze twee schijnen een bestaansrecht naast elkaar te hebben gevonden.

Wanneer het eerste stierengevecht heeft plaatsgevonden, weet niemand precies te vertellen. Historici noemen in dit verband de vermaarde Cid, die onder andere Valencia op islam had veroverd. Zijn naam heb ik ook al genoemd in verband met de veroveringen vanuit het noorden door de koning van Castilië en Leon, alsmede door de koningen van Aragon en Navarra, die ongeveer tegelijkertijd naar het zuiden oprukten. In deze strijd onderscheidde zich Ruy Diaz de Vivar als veldheer, die de bijnaam Cid Campeador, of kortweg Cid kreeg. Cid is afgeleid van het arabisch ‘sidi’, dat ‘heer’ betekent. Vroeger heette Valencia voluit ‘Valencia del Cid’. Deze Cid zou voor het eerst een soort ringvormige arena gebouwd hebben, waarin – naar men denkt – voor het eerst een mens de strijd tegen een van de sterkste dieren ter wereld, de stier, zou hebben aangebonden. Daarna zou deze sport tijdens en na de verovering van Spanje op islam in heel Spanje populair zijn geworden. Het is best mogelijk dat de historici op het punt van de ontwikkeling van het stierengevecht als sport gelijk hebben, maar hoe is de Cid op het idee gekomen om juist stierengevechten te organiseren? Er moet dus al vroeger een vorm van strijd tussen mens en stier bestaan hebben, al was het dan geen strijd op leven en dood.

Volle Arena Madrid

Het eigenaardige aan deze zaak is het feit, dat de invoering van de stierengevechten als sport samenviel met de invoering van de roomse godsdienst in Spanje. De verklaring dat het stierengevecht de strijd van de christen (lees christenridder) tegen islam moest uitbeelden, bevredigt mij geenszins en veel anderen, die zich met deze kwestie hebben bezig gehouden, denken ook in een andere richting. Eigenaardig is in dit verband het feit dat degenen, die toespelingen in een andere richting dan de sport maakten, helemaal niet godsdienstig waren. Ik denk aan Hemmingway en aan de Amerikaanse neger Richard Wright, die de Spaanse volksziel vrij grondig hebben bestudeerd. Hun boeken brachten mij op het idee deze zaak nader te gaan onderzoeken. Sinds onheuglijke tijden heeft de stier een rol gespeeld als offerdier. Trouwens, ook in het Oude Testament neemt de stier als zodanig een belangrijke plaats in.

Dit artikel heb ik opzettelijk met een korte beschouwing over Kaïn en Abel ingeleid, als zijnde twee figuren die lang voor Mozes geleefd hebben. Ze beschikten niet over een geschreven wet en waren dus geen Joden. Dit om vanaf het begin aan de misvatting weg te nemen, dat alleen de Joden offerdieren zouden hebben geslacht. Bloedige offers werden alle eeuwen door veel volken aan hun godheden gebracht. Ongeacht de plaats, die de offers in de cultus van al deze volken hebben ingenomen, is het rituele slachten van een groot en sterk dier als de stier een indrukwekkende gebeurtenis geweest, die op de verbeelding van de mens moet hebben geappelleerd. Dergelijke offers werden in de dagen van Paulus in Griekenland nog gebracht, maar ook de Romeinen hebben zich niet onbetuigd gelaten. Ook de oude Feniciërs offerden dieren. Als wij dan ook nog de Joden erbij nemen, hebben wij al vier volken genoemd, die in Spanje al meer de 2.000 jaar geleden koloniën hadden gesticht. In zo’n kolonie ontbraken die religieuze centra nooit.

Als wij de sportevenementen van de oude Grieken en Romeinen onder de loep nemen, zien wij dat deze niet van religieuze aspecten ontdaan waren, om nu maar eens te beginnen met het vuur van de Olympus, waar volgens de oude Grieken Zeus moet hebben gewoond. Zonder Olympisch vuur kunnen ook in de 21e eeuw de Olympische Spelen niet beginnen. Dit religieuze vleugje deed in mij het vermoeden rijzen dat er ook in Spanje een verband moet hebben bestaan tussen de stierenoffers van vroeger en de stierengevechten van nu. Als wij het wezen en de handelingen van de stierenvechter wat nader bezien, komen wij onherroepelijk tot de conclusie dat de stierenvechter eigenlijk een soort priester is. Het begint al in de kleedkamer, waar hij in dure kleren met goudbrokaat gestoken wordt. De wijze waarop dit gebeurt, doet mij onwillekeurig denken aan het wijdingsvolle aankleden van de oude Joodse priesters, maar niet minder aan de wijze waarop een rooms priester zich, al dan niet met behulp van een ander, in de liturgische jurken steekt.

Natuurlijk kan een stierenvechter niet met toga of kazuifel in de arena verschijnen, maar zijn kledij lijkt sprekend op die van de kruisridders uit de middeleeuwen. Misschien een kruising van een Romeins gladiator en een kruisridder. Wanneer de stierenvechter helemaal aangekleed is, knielt hij voor een Madonnabeeld neer, dat ergens in het ringvormig gebouw van iedere arena is opgesteld. Daar zegt hij nog een gebedje op, want hij denkt in de arena de bescherming van de ‘heilige maagd’ nodig te hebben, gezien het levensgevaar dat er dreigt.

Kleding Matador

Af en toe gebeurt het dat zo’n stierenvechter ondanks alles zo gewond raakt, dat hij voor de rest van zijn leven een andere functie of ambt moet kiezen. Dan gebeurt het wel eens, dat zo’n overwonnen stierenvechter dienaar van de kerk wordt. Echter heb ik al eens van gefrustreerde priesters gehoord, die zich in hun jongensjaren eigenlijk eerder tot het ambt van stierenvechter geroepen voelden. Bij iedere ‘corrida de toros’, of stierengevecht, is trouwens ook meteen een priester bij de hand om in voorkomende gevallen het ‘viaticum’, of het sacrament van de stervenden toe te dienen aan een stierenvechter, die dit nodig blijkt te hebben. In de ogen van zijn vereerders is een stierenvechter onsterfelijk. Ik heb eens van gevallen gehoord dat de woning van een gesneuveld stierenvechter werd omgetoverd in een soort heiligdom, waarin zijn heldenportret en zijn kleren te bezichtigen waren. Ook kreeg hij dagelijks zijn lievelingsmaaltijden toegediend en zijn jonge weduwe mocht niet hertrouwen, omdat de grote held eigenlijk nog leefde. Het is mogelijk dat men na het laatste concilie ook met deze gebruiken afgerekend heeft, maar het voortbestaan van de stierengevechten spreekt op zich zelf al boekdelen, al wordt hier en daar met bepaalde uitwassen afgerekend.

Zoals door mij al eerder is aangetoond, verlangt ieder volk, dat onder dwang een andere godsdienst moet aanvaarden, terug naar zijn oude godsdienst. Dit gebeurt nu nog bij islam in Indonesië, waar oude hindoeïstische godheden nog steeds in musea en oude tempels worden vereerd. Of in Zuid-Amerika, waar de Indianen vaak maar voor de schijn en onder dwang rooms zijn geworden; zij gaan ‘s morgens naar de mis en ‘s avonds offeren ze aan hun eigen Indiaanse goden. Dwang is nooit overtuiging. De oerbevolking van Spanje kende – op de eerste christenen na – bloedige offers. Daarom leefde bij deze volksstammen de behoefte om met hun god of goden verzoend te worden.

Het onbloedig misoffer

Ineens heeft Rome in de middeleeuwen onder dwang het onbloedig misoffer ingevoerd, dat deze heidenen of Joden nooit voldoening heeft geschonken. Bewust of onbewust is de stierenvechter daarom een priester, die bloedige offers brengt. Na het onbloedig misoffer op zondagmorgen gaat het volk in de namiddag in drommen de arena binnen om bewust of onbewust getuige te zijn van het bloedig offer, dat daar gebracht wordt, al wordt er dan van het bloed van deze stieren geen enkele vorm van verzoening meer verwacht. Het publiek wordt volkomen gehypnotiseerd door het enerverende schouwspel, waaruit het religieuze èn occulte karakter van dit sportevenement blijkt.

Het is begrijpelijk dat geen van de Spaanse gelovigen naar de stierengevechten gaat kijken. De meeste Spaanse christenen mogen dan nog geen volledige kijk hebben op de onzienlijke manifestaties van het rijk van de duisternis, toch zijn ze geestelijk genoeg om te zien dat een gelovige zich niet willens en wetens mag blootstellen aan de werkingen van de satan. Toen ik ongeveer dertig jaar geleden voor het eerst in Spanje werkzaam was, dacht ik ook dat het stierengevecht een soort toeristische attractie was. Als toeschouwer zag ik echter hoe zelfs hoogstaande figuren uit het maatschappelijk leven volkomen opgezweept en gehypnotiseerd werden. Na afloop van het schouwspel vertelde ik mijn ervaringen aan een aantal Spaanse vrienden. Vrij vertaald luidde hun antwoord als volgt: ‘Als je het evangelie liefhebt, ga je daar niet naartoe.’ Ze hadden beslist gelijk. Ik ben er dan ook nooit meer geweest, want de geest die daar rondwaart, verschilt weinig van die van een spiritistische seance.