37. Godsdienstige praktijken, ingesteld om het kerkvolk te misleiden

<<<<<

Parzival

Het is een bekend feit dat literatuur kan worden gebruikt als middel tot verbreiding van het evangelie, maar dat ze ook een machtig wapen kan zijn in de handen van de vijand. De geestelijke achtergrond van de Ridderlegenden en ‘heilige’ Graal sagen is daar een duidelijk voorbeeld van. Deze middeleeuwse literatuur was als ‘t ware een wegbereider voor een cultus, die in Spanje de omverwerping van de oorspronkelijke christelijke gemeente veroorzaakte.

De vorige aflevering in deze serie was nog maar nauwelijks gepost, of ik moest weer eens voor zaken naar Zuid-Duitsland. Vanuit Neurenberg reden wij door een tiental kleine steden en dorpen, tot wij eindelijk het prachtige natuurgebied Odenwald binnenreden. Even later zagen wij van de weg af de ruïne van het kasteel Wildenberg. Mijn vrouw merkte toen ineens op, dat deze naam haar aan de middeleeuwse Duitse dichter Wolfram von Eschenbach herinnerde. Wie deze naam noemt, denkt onwillekeurig aan de Heilige Graalsage. Hij was immers de auteur van ‘Parsival’, genaamd naar de ridder, die uiteindelijk waardig was bevonden om de Graal terug te vinden. Sommigen beweren zelfs dat Wildenberg hem als inspiratiebron gediend zou hebben bij zijn beschrijving van de ‘Wildenberg und Munsalvaesche.’ Deze sage heeft in de middeleeuwen tal van schrijvers van verschillende nationaliteiten geïnspireerd. Men zocht kennelijk naar een vernieuwing, een geestelijk ideaal.

De Bijbel weggenomen

Het volk was de Bijbel zo goed als kwijt (Op.6:5) en om de religieuze behoeften van het volk te kunnen bevredigen, waren de Ridderverhalen onontbeerlijk. Ze dropen immers van religiositeit, maar keurden de roemruchte wapenfeiten ook niet af. Men was er immers van overtuigd dat de belangen van de kerk met het zwaard moesten worden verdedigd. Dat moesten de geestelijken niet zélf doen, maar de kunstenaars uit die tijd leverden werken die aan de gevoelens van de mensen appelleerden. Als wij daar de werken over Faust naast leggen, komen wij gaandeweg tot de conclusie dat de literatuur een belangrijke bijdrage heeft geleverd tot de demonisering van de middeleeuwse christenheid.

Faust – Duivelspact met Mephisto

Wanneer wij bijvoorbeeld Marlowe, Shakespeare, Goethe en tal van andere auteurs lezen, kunnen wij ons niet aan de indruk onttrekken dat ze onder occulte invloed gestaan hebben. Dit pleit de kerk van de middeleeuwen echter niet vrij, omdat zonder haar toestemming geen boek had kunnen worden gedrukt en verspreid. De sagen stuitten op geen weerstand van de kant van de kerk, maar de Bijbelvertalingen des te meer. Zeker, de clerus mocht de Bijbel wel bezitten en die had geen vertaling uit het Grieks nodig. Die beschikte wel over de Septuagint (het Oude Testament in het Grieks) en de grondtekst van het Nieuwe Testament. Iedere priester kon verder de Vulgata (de Latijnse vertaling van het N.T.) lezen en men stond ook wel de vertaling van bepaalde Bijbelgedeelten toe, als ze maar aan bepaalde literaire eisen voldeden en in de kraam van de geestelijkheid van pas kwamen.

Moeilijkheden rezen er pas toen er hele Bijbelboeken en tenslotte de complete Bijbel in moderne talen verschenen… dát was uit den boze! Want aan de hand van de Bijbelvertalingen kon het volk zien in hoeverre de middeleeuwse kerk van de leer van Christus afgeweken was! Het werd dus een touwtrekken tussen de kerkelijke autoriteiten en hervormingsgezinden als Johannes Hus en John Wycliffe. Deze laatste heeft niet alleen de grondslagen gelegd van het Engels proza, maar hij heeft ook de Bijbel in het Engels vertaald. Hier werd dus de literatuur ondergeschikt gemaakt aan de evangelieverspreiding door de ‘poor preachers’ (arme predikers).

John Wycliffe

Het Frans aan het hof was toen net verdrongen door ‘The King‘s English’, dat op zijn beurt het voertuig is geworden van het brengen van het evangelie onder het volk, dat het aan het hof gesproken Frans niet verstond. Hoe belangrijk de literatuur kan zijn in de dienst van het evangelie, blijkt ook uit het feit dat één van de eerste Engelse schrijvers, Chaucer, de tolk geweest is van de zich onder de lagere volksklassen verschuilende volgelingen van Wycliffe, de Lollarden, welke naam waarschijnlijk te maken heeft met ‘lollen’ of kletsen, omdat ze praatten en baden in de volkstaal. De leringen van Wycliffe werden toen immers veroordeeld door de aartsbisschop, zodat er in de benaming ‘Lollarden’ iets verachtelijks moest worden gezien.

Terwijl de Ridderromannetjes en Graalsagen in de middeleeuwen een groot spreidingsgebied hebben gekend – kennelijk doordat ze zich in de kerkelijke goedkeuring mochten verheugen – werden de ‘Canterbury Tales’ van Geoffrey Chaucer, die van grote literaire waarde zijn, pas lang na diens dood gepubliceerd. De stem van de Lollarden, die godvruchtig leefden en de hervorming van de middeleeuwse kerk op het oog hadden, werd uiteraard niet geduld. Zij werden verbrand door de Roomse kerk.

Waarom haal ik nu de Engelse literatuur aan, terwijl ik toch in hoofdzaak over Spanje en Frankrijk schrijf? Eenvoudig om een heel wat gecompliceerder onderwerp als de verspreiding van het evangelie in Spanje gemakkelijker te kunnen benaderen. Zoals Wycliffe de reformatie in Duitsland onder Luther in de hand gewerkt heeft door zijn zoeken naar de openbaring van Jezus Christus in de Bijbel, zo hebben wij in de voorafgaande artikelen gezien hoe in de Spaanse geschiedenis de ene geest de andere bevrucht heeft in het zoeken naar Bijbelse waarheden. Doordat de Spaanse christenen eeuwenlang aan de doop IN water hadden vastgehouden, is in hun geloofsleven het verlangen blijven voortleven naar de verlossing door Jezus Christus. Terwijl Luther vooral de eer van God zocht en Calvijn zich afvroeg, hoe hij een rechtvaardige God kon vinden, vraagt de Spanjaard zich af hoe hij verlóst kan worden.

De Roomse ‘sacramenten’

Nergens ter wereld had Rome zich zó ingespannen om het volk wijs te maken, dat men alleen langs de sacramentele weg zalig kon worden, dan juist in Spanje. Felheid uit zich immers alleen dán, wanneer men een andere zienswijze wil bestrijden. Want vóór de romanisering was men er in Spanje van overtuigd dat men rechtstreeks tot Christus kon gaan om gered te worden. Vandaar dat de Inquisitie in Spanje zo scherp op ieder onderdeel van de geloofsgetuigenissen van de mensen heeft gelet die zich aan ‘ketterijen’ schuldig hadden gemaakt. Als iemand verklaarde dat het offer van Jezus aan het kruis voldoende was voor de redding van zijn ziel, dan was hij al een toekomstige martelaar. Daardoor stelde hij namelijk alle roomse sacramenten en de voorspraak van een Roomse Maria buiten werking.

Geen geloof in Maria de verlosseres? Dan de dood!

Het mag dus een wonder van God heten, als het getuigenis van het evangelie de Inquisitie heeft overleefd. Al dacht men de ‘ketterij’ met wortel en tak te hebben uitgeroeid, toch zijn er altijd Spanjaarden geweest die in het geheim een Bijbel bezaten. Vaak mochten zelfs de familieleden er niets van weten, maar altijd en overal zijn er mensen geweest die zich in hun geweten aangesproken voelden door het evangelie. Zó werkt de Geest van God. Het doet er in eerste instantie niet toe, hoe ver deze mensen zijn gekomen op de weg van het geloof; vaststaat dat hun zielen behouden zijn voor de eeuwigheid.

Al naderen wij in onze beschouwing een tijdperk van vervolgingen, zó geraffineerd en wreed, dat ze alleen door de satan ingegeven konden zijn, wij zullen niet al te zeer stilstaan bij het bloed en de tranen van de martelaren, maar bij het positieve getuigenis dat ze ons hebben achtergelaten. Meer dan eens heb ik erop gewezen dat de satan zich van de valse kerk bediend heeft om de christenen in hun geest te vergiftigen. Men gebruikte o.a. het wapen van het analfabetisme, want mensen die niet kunnen lezen en schrijven, kunnen ook de Bijbel niet lezen, al wordt deze in hun eigen spreektaal vertaald. Ook kunnen analfabeten benaderd worden met geschriften die moeten dienen tot opbouw van het geloof.

Spanje in de 11e eeuw

Na deze vrij algemene beschouwing over het geloofsleven in de tijd van de Inquisitie, wil ik het een en ander aantonen aan de hand van historische feiten. In de elfde eeuw was het gedeelte van Spanje dat niet bij islam hoorde, in drie koninkrijken ingedeeld: het verenigde koninkrijk van Castilië en Leon, naast de koninkrijken van Aragon en Navarra. Leon, Aragon en Navarra liggen in het noorden, terwijl Castilië zich tot midden Spanje uitstrekt, met inbegrip van Toledo, dat omstreeks die tijd op islam weer werd terugveroverd. Verder heeft Castilië een gebiedsuitbreiding ondergaan na de verovering van Valencia door de beroemde Cid, die in tal van heldendichten wordt bezongen. Tegen het einde van de elfde eeuw werd Castilië geregeerd door koning Alfonso VI van Leon. In de geschiedenis van Castilië heet hij Alfonso I, omdat er in dat koninkrijk nooit eerder een koning van die naam had geregeerd.

Nu heeft de geschiedenis van Israël al aangetoond, dat koningen niet zo standvastig blijven in hun geloof, wanneer ze in staat zijn grote rijkdommen te verwerven en hun gebied uit te breiden. Dit heeft David al ondervonden, nota bene een man naar Gods hart. Hetzelfde gebeurde ook met Alfonso, die bij een uit de oerchristelijke gemeente voortgesproten kerk hoorde, net zoals zijn onderdanen. Daar had Alfonso aan vastgehouden tot het moment dat Constance, een Franse prinses, zijn tweede vrouw werd. Frankrijk was immers al spoedig na de dood van Karel de Grote onder de heerschappij van Rome gekomen. Toen de prinses zich vestigde in Castilië, importeerde zij ook priesters uit haar geboorteland; zij droegen de mis op, zoals zij gewend was en al dan niet onder invloed van de Franse priesters, heeft Constance, Alfonso ertoe weten over te halen, de roomse liturgie in te voeren in zijn koninkrijk.

Tenslotte zorgde de pauselijke gezant, Richard, abt van Marseille, ervoor dat Castilië onder de heerschappij van Rome kwam. Dit leidde echter tot fel verzet van de zijde van de onderdanen, want noch de kerkelijke leiders, noch de adel, noch het volk wilden zich aan de paus onderwerpen. Er moesten heel wat misleidende geesten aan te pas komen om het volk zover te krijgen. Maar de grote wetteloze wist raad, want juist in die tijd schoten er ‘heiligdommen’ en bedevaartplaatsen als paddenstoelen uit de grond.

Bij de bespreking van het eerste zendingswerk in Spanje ten tijde van de apostel Paulus, heb ik al enige woorden gewijd aan de cultus van ‘Onze-Lieve-Vrouwe-ter-Zuil’ in Zaragoza. De roomse traditie wil dat de apostels Paulus en Jacobus bij de invoering van deze devotie betrokken zijn geweest, om er althans één Bijbels tintje aan te geven. Verder meen ik voldoende bewijzen te hebben geleverd dat de ‘nationale heilige van Spanje’, Jacobus (in het Spaans: Santiago), nooit de Spaanse bodem heeft betreden. Maar wie eens in de roomse heiligenlegenden heeft gelezen, weet dat het voor de schrijvers van hagiografieën (levensbeschrijvingen van heiligen) een koud kunstje was om Jacobus na zijn dood naar Spanje te doen verhuizen. Er doen ontelbare verhalen de ronde over de wijze waarop het miraculeuze beeld van Zaragoza door de engelen naar die stad aan de Ebro gedragen is. Zelfs niet roomse auteurs zijn onder de bekoring geraakt van deze madonna, officieel ‘Nuestra Sefiora del Pilar’ en in de volksmond ‘Pilarica’ geheten. Pilar betekent immers zuil.

‘Nuestra Sefiora del Pilar’

In zijn Childe Harold’s Pilgrimage wijdt Lord Byron een aantal versregels aan de ‘Maid of Saragossa’, waarin hij zijn verwondering over haar uitspreekt. Als wij daarbij aan de depressieve geest van deze auteur denken, wordt ons duidelijk uit wèlke occulte bron zijn inspiratie kwam. Zeker, een artistieke geest komt er van onder de indruk, zo imposant is de aanblik van dat Madonnabeeld! En als de pelgrim dan nog aan de voet van de zuil wordt voorgehouden, dat het beeld miraculeus is en men, door er gelovig naar te kijken, duizenden uren aflaat kan verkrijgen, dan is de mystificatie volkomen!

Mijn eerste conclusie luidt dus: deze madonna heeft al duizenden ervan weerhouden om tot Christus te gaan. De cultus van ‘Onze-Lieve-Vrouwe-ter-Zuil’ is inderdaad in de elfde eeuw ingevoerd ten tijde van Spanjes onderwerping aan Rome. Iedere verwijzing naar het apostolisch tijdstip, alsof deze cultus door de apostelen en door Maria zélf was ingevoerd, is in strijd met de kerkhistorische feiten en een opzettelijke misleiding van het vrome kerkvolk. Mede door deze cultus zijn de Spanjaarden negen eeuwen geleden de laatste resten van hun inzicht in de Bijbelse leer kwijtgeraakt.

Met opzet heb ik de verovering van Valencia op islam vermeld. Niet alleen omdat Valencia ‘s veroveraar, de Cid, als de grote held van de stad wordt beschouwd, maar ook omdat Valencia prat kan gaan op het bezit van de ‘heilige’ Graal. Volgens de Graalsage, worden de bezitters van de Graal wonderlijke krachten toegeschreven. Hier verkrijgt de Graal dus de onheil kerende of geluk aanbrengende eigenschappen, die men een talisman toekent en wordt hij een occult voorwerp van religieuze devotie, al wordt de beker dan met het Heilig Avondmaal en met het bloed van Christus in verband gebracht. Dit is dus een graadmeter van het geestelijke gehalte van de middeleeuwse kerk.

De ‘heilige’ graal

Het teken van onze verlossing, dat door Jezus is ingesteld in het Heilig Avondmaal, wordt in de elfde eeuw gedegradeerd tot een puur heidens fetisjisme, door de verering van een voorwerp als ‘een heilige Graal’. En wee degene die de moed opbrengt om aan de hand van de Bijbel aan te tonen, hoe wij verlost kunnen worden door het offer van Jezus Christus! Met deze Graal als talisman wijst de kerk de weg naar een ‘Maria’ genoemde, heidense godin, die qua attributen of wondertekens alles te maken heeft met de Artemis van de Efeziërs (Hand.19:21-40) en geen enkele overeenkomst vertoont met de Bijbelse Maria, de moeder van Jezus.

Met goud en diamanten behangen Maria de koningin van de hemel in Keulen

Wij zien dus hoe langer hoe meer de tendens naar een geestelijke onderdrukking van het volk; van een vrij Schriftonderzoek was er spoedig geen sprake meer. Het volk en zijn leiders werden monddood gemaakt, door het onderwijs alleen open te stellen voor degenen die zich onderwierpen aan het nieuwe regime en ook bereid waren, het te dienen. Wie dat niet wilde, kon geen onderwijs volgen en telde niet meer mee. De tweede generatie, die de oude toestand nog alleen maar uit overlevering kende, tekende weinig protest meer aan. De stem van de protesterende massa verstomde vanzelf wel… 

Op één belangrijk punt had Rome zich echter verrekend: de Joden en islam konden ze, al dan niet met geweld, uitschakelen, maar de christenen bleven ook na de invoering van het romanisme actief. Rome dacht deze militante minderheid te kunnen uitroeien, maar zou aan de weet komen dat degenen die de waarheid zoeken, onuitroeibaar zijn. Want zowel uit de Spaanse literatuur als uit historische bronnen zullen wij geloofsgetuigenissen te horen krijgen, die van de bovenste plank zijn. Al zien wij in deze ontwikkeling de geest van de antichrist, Christus houdt zijn gemeente in stand. Wanneer wij denken dat er niets meer van overgebleven is, heeft God nog altijd de zevenduizend die hun knieën niet voor de Baäl gebogen hebben!

>>>>>