36. Legendarische figuren als militaire verdedigers van de middeleeuwse kerk

Alcoy, Spanje – Door christenen gesticht in 1256

Naast de Sint-Joris devotie in de bloedige strijd van wat zich in de middeleeuwen ‘christenheid’ noemde, tegen belijders van heidense religies, ontstonden in die eeuwen ook ridderromans, zoals de koning-Arthur- legenden en de sage van de heilige graal. Aan de hand van deze legenden werden van toen af iedere militaire ingreep en iedere bloedige onderdrukking van andersdenkenden gesanctioneerd (‘geheiligd’), mits het maar de kerk ten goede kwam. In de vorige aflevering van deze serie prijkt een plaatje van Sint Joris, die volgens de legende voorgoed afgerekend zou hebben met islam buiten de poorten van de Spaanse stad Alcoy, die wij hierboven zien. Nu zou dit op zich zelf een onschuldige volksmythe kunnen zijn, ware het niet dat Sint Joris nog steeds een belangrijke rol speelt in het religieuze leven van miljoenen mensen. Zijn beeld prijkt op veel roomse altaren. Nu maakt het weinig verschil wèlke heilige men op het altaar plaatst, want theologisch gezien dient ieder heiligenbeeld hetzelfde doel: aansporing van de ‘vrome ziel’ tot diepe devotie.

De Sint Joris-devotie leidt ons echter een stapje verder in het begrip van de Spaanse volksziel, zoals deze zich aan de wereld heeft vertoond vanaf de middeleeuwen. Ik zeg met opzet vanáf de middeleeuwen, omdat er sindsdien in wezen maar weinig veranderd is. Behalve dan in het leven van hen die in de Christus van de Schriften zijn gaan geloven en zich door het geloof in Jezus Christus hebben ontdaan van alle religieuze devotie. Deze laatsten, zelfs in onze verlichte eenentwintigste eeuw ‘ketters’ genoemd, vormden en vormen nog steeds de ruggengraat van de natie. Want in hoeverre wij de roomse kerk, zuiver objectief en statistisch bekeken nog als ruggengraat zouden kunnen beschouwen, valt nog te bezien. Uit de berichten uit Spanje en Latijns-Amerika blijkt overigens, dat zelfs de zich zo sterk wanende roomse kerk in alle voegen kraakt. Veel Spaanstalige roomsen zijn alle vorm van devotie kwijt. Misschien wordt hun vroeger of later een ‘charismatische devotie’ ingeblazen door de charismatische beweging. Dit is althans in Amerika het geval en het is mij bekend dat men ook in de Spaanstalige wereld in die richting aan het sleutelen is. In hoeverre dit al effect heeft gesorteerd, hoop ik over enkele maanden gewaar te worden wanneer ik voor een korte periode mijn activiteiten in Spanje hoop te hervatten.

De Sint Joris-devotie

Eén ding staat echter vast: door een ‘oppoetsen’ van de middeleeuwse devoties en religieuze tradities komen wij er niet; deze kunnen hoogstens baanbrekend zijn voor het atheïstisch marxisme, dat het volk allerhande maatschappelijke reformen komt verkondigen en de mensen het laatste sprankje hoop op God komt ontnemen, dat ze nog bezitten. De ontwikkelingen uit de laatste jaren hebben immers aangetoond, hoe gemakkelijk bepaalde Europese landen (incl. Nederland) te indoctrineren zijn. Aangezien vandaag het nieuwe communisme van de EU zeer atheïstisch is, moeten wij er ons geen illusies van maken, of de indoctrinatie van de massa’s zal niet alleen antiklerikaal, maar ook antichristelijk zijn.

Wat heeft de Sint-Joris-devotie hiermee te maken? Bijzonder veel, omdat de strijd van islam tegen het christendom vandaag weer hoogst actueel is. In de middeleeuwen heeft de afkeer tegen islam grote vormen aangenomen. Vooral door de vele slachtpartijen die door hen in naam van ene mo zijn en nog steeds worden uitgevoerd. Kinderen van islam ouders, die ten tijde van de verovering toch rooms werden, gedoopt en opgevoed, werden fanatieker en dweepzieker dan volksstammen die al eeuwen lang rooms waren geweest. En de kerkelijke leiders hebben iedere gelegenheid te baat genomen om deze haatgevoelens feller te doen oplaaien. Met de Joden gebeurde precies hetzelfde: te zeggen dat Maria een Joods meisje was en dat Jezus van Joods bloed was, kwam haast neer op een heiligschennis en is hier en daar zelfs ‘inquisitiewerk’ geworden. Historische bewijzen hoop ik later te leveren. Als ik het nu al deed, zouden wij op een zijspoor terechtkomen.

In de roomse Sint Joris-devotie wordt dus duidelijk een rassen- en godsdiensthaat gepredikt. Deze heeft, wat Spanje en Portugal betreft, pathologische (ziekelijke) vormen aangenomen, omdat de haat tegen het eigen voorgeslacht gericht was. Als deze haat dan nog religieuze vormen krijgt, wordt hij satanisch. Dat heeft niets te maken met God, die de demonen en hun zondige inwerking in de mens haat; deze goddelijke ‘haat’ leidt tot bevrijding van het individu. De satanische, roomse rassen- en godsdiensthaat echter, met inbegrip van het antisemitisme, leidt tot vernietiging. Dit is geen middeleeuws verhaal dat van iedere actualiteit gespeend is. Integendeel, na de Tweede Wereldoorlog heb ik ook antisemitische Joden gekend, die hun Jood-zijn haatten en vervloekten. Zelfs Hitler had Joods bloed in zijn aderen. Het zijn de meest ongelukkige stumperds die men zich kan indenken. Vooral wanneer men om godsdienstige of politieke redenen zijn afkomst verloochent.

Als er na de oorlog Duitsers waren, die hun ‘Deutschtum’ verloochenden, was dat begrijpelijk, omdat men in die jaren Duitsland met het nazisme geïdentificeerd heeft. Nu wij van deze verderfelijke oorlogspsychose verlost zijn, hoeft zich ook geen Duitser meer voor zijn Duitser-zijn te schamen. Ook de Nederlandse literatuur, met name de poëzie, was in de oorlogsjaren duidelijk door de haat geïnspireerd. Maar deze haat had geen religieuze achtergrond, zoals het antisemitisme. Hitler had het antisemitisme niet verzonnen. Wanneer hij op één punt niet gelogen heeft, was het toen hij zich ‘een dienaar van de kerk’ noemde in die zin, dat hij het antisemitisme predikte in navolging van de middeleeuwse kerk.

In het verfijnen van de Joden-uitroeiing heeft hij wel veel steun gehad aan de islamitische grootmoefti uit Jeruzalem. Als er één politieke ideologie is die vandaag openlijk spreekt over het elimineren van alle Joden ter wereld is het wel islam. Het is daarom niet verwonderlijk dat islam vandaag Hitler nog steeds bewondert en groot ontzag heeft voor zijn ‘Mein Kampf’. Dit boek is te koop op vrijwel iedere straathoek in islam landen, terwijl het in Nederland verboden is. Ook Luther was er niet vrij van. Toen men later op basis van dat religieus antisemitisme een ‘christelijk ras’ ging propageren, was het hek pas goed van de dam. Want daarin komen wij een vorm van ‘christendom’ tegen dat iedere kritiek tart. De Sint-Joris-devotie heeft dus bijgedragen tot de vorming van een ‘christelijk Herrenvolk’ en was tegelijkertijd een onderdeel van de riddercultus, die in de gedachtewereld van veel ‘goede christenen’ nog lang niet uitgestorven is.

Koning Arthur en de heilige graal

Binnen het kader van deze verhandeling passen de legende van koning Arthur en de sage van de heilige graal. Deze zuiver middeleeuwse verhalen stoelen op het volksgeloof. Het kerkvolk dat op een gegeven moment de Heilige Schrift en dus ook de boodschap van de verlossing moest missen, kreeg behoefte aan fabels, mits deze maar met ‘christelijke gedachten’ doorspekt waren. In landstreken waar men het oer christendom nooit gekend heeft, ging men er eenvoudig vanuit dat het koninkrijk van Jezus Christus op aarde, waarvan de paus de aardse heerser was, door vrome ridders moest worden verdedigd tegenover de heidenen.

Alvorens tot een verantwoorde conclusie te komen, moeten wij even een duik gaan nemen in de middeleeuwse literatuur, waarin deze fabels een belangrijke plaats innamen. Wij citeren in dit verband de Franse dichter Robert de Boron, die omstreeks het jaar 1300 leefde. Hij was de auteur van ‘Joseph d’ Arimathie’ en van ‘L’ histoire du Saint Graal’, dus de geschiedenis van de heilige graal. De eerste 4.000 verzen van dit laatste werk zijn bewaard gebleven. Hoewel van geringe letterkundige waarde, vormen ze toch een goede weergave van de gedachten en gevoelswereld van zijn tijdgenoten. Eén van de meest begaafde middeleeuwse schrijvers was ongetwijfeld Chrétien de Troyes, ook Fransman, die in de tweede helft van de 12e eeuw leefde. Als romanschrijver, ook auteur van zijn beroemde Arthurromans, werkte hij aan het hof van Philips van de Elzas, graaf van Vlaanderen, die hem stof leverde voor zijn graalroman.

Ook de Engelse literatuur heeft zich hierin niet onbetuigd gelaten. Vermelding verdient in dit verband Sir Thomas Malory, een Engels prozaïst die omstreeks 1470 ‘Morte Darthur’, ook wel ‘Le morte d’ Arthur’ (de dood van Arthur) schreef. Een staaltje van het vroegste Engelse proza-epos, of heldendicht. Het werk omvat een grote verzameling van vertellingen over de ridders van koning Arthur en de graalsage, die op een oude Franse overlevering stoelt. Een aristocratische afbeelding van een vervlogen ideaal. Als schrijver beïnvloedde Malory de Engelse vertelkunst in zoverre, dat de Arthurlegenden telkens op romantische wijze herleefden, voor het laatst in de ‘Idylls of the King’ van Tennyson (1809-1892). Het feit dat Tennyson een zoon van een dominee was, hoeft allerminst een bevestiging van de historiciteit van de Arthurlegenden en van de graalsage te zijn. Hij mag zich in het aangehaalde werk als een prototype van een Victoriaans gentleman geuit hebben, maar tegen deze achtergrond bekeken, kunnen wij misschien enigszins begrijpen hoe het komt, dat zelfs vooraanstaande Britten uit de 21e eeuw, waaronder leden van het parlement, aan het bestaan van het monster van Loch Ness geloven…

De ‘heilige’ graal

Na deze inleiding zullen wij de sage van de heilige graal kort analyseren. Volgens de legende is de graal de beker of schaal die Jezus bij het laatste Avondmaal gebruikte en waarin Jozef van Arimathéa het bloed van de aan het kruis stervende Christus zou hebben opgevangen. In het verlengde hiervan zien wij ook de bloedprocessie in Brugge, waar men volgens een oude traditie het bloed van Christus ronddraagt, dat kruisridder Godfried van Bouillon na de eerste Kruistocht uit Jeruzalem zou hebben meegebracht. Het is dan ook helemaal niet verwonderlijk dat de heilige graal een zeer begeerlijk voorwerp was; de graal en zijn bezitter werden immers wonderlijke krachten toegeschreven.

Brugse bloedprocessie

Ziehier in korte trekken het verhaal van de verschijning van de graal aan koning Arthur en zijn ridders. Op de avond vóór Pinksteren hadden de ridders van de ronde tafel hun plaatsen ingenomen, om met Arthur, de heer van Brittannië, samen de maaltijd te gebruiken. Toen ineens werd het firmament door een bliksem doorkliefd en weerklonk er een geweldige donderslag, die het kasteel op z’n grondvesten deed schudden. Door de halfduistere eetzaal boorde zich een lichtstraal, die helderder was dan het zonlicht. In dit als bovenaards beschreven licht verscheen voor de ogen van de ridders een met juwelen bezette bokaal. De beker was zó schoon en er straalde een verblindende glans van af, zodat de ridders er niet aan twijfelden, of, het moest de beker geweest zijn die Jezus bij het laatste Avondmaal gebruikt had! De beker verdween echter net zo vlug als hij was verschenen, zodat de ridders zwoeren niet te zullen rusten voordat zij de beker zouden hebben teruggevonden. Wie hem in zijn bezit zou krijgen, zou over wonderlijke krachten beschikken, die Arthur’s rijk tot zegen zouden kunnen zijn. De ridder, die waardig was de heilige graal te gaan zoeken, moest een zuiver geweten hebben, zodat niet iedere ridder waardig was, de graal te bemachtigen.

De eerste poging, op zoek te gaan naar de graal, werd ondernomen door de kampioen van koning Arthur, sir Lancelot. Maar Lancelot slaagde er niet in, hem terug te vinden, omdat hij een heimelijke liefde had opgevat voor de vrouw van koning Arthur, koningin Guinevere. Pas Lancelots zoon Galahad, ridder Parsifal en koning Bors zouden de graal mogen terugzien. De sage eindigt wanneer Galahad, de zuiverste van de ridders uitroept:

  • ‘Nu, gezegende vader, heerst zulk een vrede in mijn hart, dat ik slechts leven zal als u dat wilt!’

Terstond krijgen Galahads metgezellen, Parsifal en koning Bors, een hemels visioen. Engelen omringen Galahad en stijgen met zijn ziel op naar de hemel. Na het visioen ligt Galahad dood op de grond met een gelukzalige glimlach op zijn lippen. Wie echter denkt dat men deze legende uitsluitend literaire waarde toekent, heeft het mis. Want de roomse kerk ‘bezit’ de heilige graal in de vorm van een relikwie, net zoals ze ‘hout van Christus’ kruis’ en bloed (zie Brugge) zegt te ‘bezitten’! Naar de mens gesproken, is Rome dus schatrijk, maar… naar de Geest gesproken straatarm. Ondanks alle materiële heiligheid kunnen wij als christenen in de Brugse bloedprocessie niets anders zien dan een profanatie van Jezus’ bloed, waardoor wij gereinigd zijn van onze zonde.

Dat Jozef van Arimathéa zich van de avondmaalsbeker bediend zou hebben om Christus’ bloed op te vangen is daarom ongeloofwaardig, dat hij als gelovige Jood wist dat Jezus geofferd werd als offerlam, wiens bloed geplengd moest worden. De wonderwerkende kracht, die men de heilige graal toekent, is bovendien een vorm van toverij, net zoals alle andere ‘heilige’ voorwerpen en miraculeuze, dat wil zeggen wonderdoende beelden. Toch is de graal, of wat er voor moet doorgaan, in de kathedraal van Valencia te bezichtigen… achter tralies. Kunsthistorisch bekeken mag het dan een pronkstuk zijn, maar ik persoonlijk acht het waarschijnlijker dat Herodes bij zijn bacchanalen uit zo’n bokaal gedronken heeft dan dat Jezus hem gebruikt zou hebben bij de inzetting van het Avondmaal!