12. Mythologische achtergronden van de godsdienst in Spanje

 

De demonische reïncarnatie van Kaïn, Nimrod, Thammuz, Astarte en Adonis, met inmiddels een beest op zijn kromstaf

In het vorige artikel zijn wij gekomen tot de beginfase van het christendom in Spanje. Dat de aanvankelijk in Spanje verkondigde christelijke leer op zuiver Bijbelse grondslagen moet hebben gestoeld, leiden wij af van het feit dat het wortel geschoten heeft in een door en door vijandige omgeving. Vijandig, omdat de toen in Spanje aanwezige volksstammen naast hun culturen ook hun religies hadden meegebracht. Wat was hun godsdienst? Welnu, naast het Jodendom diende de wereld van de oudheid een hele serie afgoden. De tegenstelling van de leer van het Oude Testament met de afgodendienst van de volken buiten Palestina werd ook in Spanje voortgezet. Deze twee grootheden staan tegenover elkaar als water en vuur. De God van Israël duldde geen afgoderij. Ze was en is in zijn ogen een gruwel. De wet van God slaat in eerste instantie op de eredienst, voordat er ook maar in het geringst sprake was van een maatschappelijke ordening. Want de theocratie kan niet functioneren, wanneer het volk ongehoorzaam is aan God. En wanneer God op Sinaï de wet dicteert, begint Hij:

‘Ik ben de Heer uw God … U zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. U zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch in de wateren onder de aarde is. U zult u niet voor hen buigen, noch hen dienen.’

Zo, dat is voor God het belangrijkste. En wanneer Israël later de afgoden gaat dienen, laat God zijn volk over aan de demonen die het diende. Uit het drama van de Babylonische ballingschap en uit alles wat er aan voorafging, zien wij dat God geen enkele gemeenschap kan hebben met de werken van satan. De goden van de heidenen noemt Hij drekgoden. Gods toorn was dan ook niet van de lucht. De maatschappelijke orde had hier en daar ontwricht kunnen zijn; het volk had op bepaalde punten niet onberispelijk kunnen zijn, God zou zijn volk vergeving geschonken hebben. Maar God giet zijn toorn uit over zijn volk dat Gods wil kent en toch de afgoden gaat dienen.

Maar nu, wat is de mythologische betekenis van de afgoden? Een afgod is in feite een personificatie, een symbolisering van wat de mens zich onder God voorstelt. Een afgod kan inderdaad een zuiver beeld zijn van een ethisch verheven deugd of van een religieuze perfectie die men nastreeft. Hoe mooi en verheven ook, God spreekt er zijn vloek over uit! In artistiek opzicht kan een afgod een pronkstuk zijn, een artistieke expressie van een religieus zeer verheven geest. Het kan ook een groteske voorstelling zijn van een onreine godheid, die men in één oogopslag in het demonenrijk kan plaatsen. Hoe het ook zij, de Bijbel is duidelijk in dit opzicht: hetzij een demonische voorstelling, hetzij een projectie van een ethisch en religieus verheven geest, alle categorieën afgoden zijn satanisch. Zó satanisch zelfs, dat men alleen al door de bekoring van de artistieke schoonheid van een afgodsbeeld onder de macht van de satan kan komen.

Wat heidense godsdiensten van de oudheid betreft, worden in de Bijbel man en paard genoemd. De profeten, Bijbelse dichters, evangelisten en apostelen wikkelden er geen doekjes om. Bij het uitsterven van de oude volken zijn de godsdiensten van de oudheid allerminst uitgestorven, maar werden telkens door latere beschavingen overgenomen, zij het dan in een enigszins gewijzigde vorm. De godheden werden dan ook telkens onder andere naam vereerd, vaak ook met enigszins gewijzigde attributen, d.w.z., de wondertekens die hun werden toegeschreven, werden telkens anders ingekleed naar gelang de behoeften van latere generaties aan veranderingen onderhevig waren. De Grieken hebben bijvoorbeeld godheden overgenomen uit Babylonië, maar op hun beurt tooiden de Romeinen hun tempels met Griekse goden. Zo werd Zeus bij de Romeinen Jupiter, Hera werd Juno, Pallas Athene werd Minerva, de godin van de wijsheid, wetenschap, bezinning en schone kunsten. En zo kunnen wij doorgaan tot in het oneindige.

De poort van de Oude Wereld, d.w.z.de rotsen van Gibraltar en Kreta, werden door de Feniciërs ‘zuilen van Melkart’ genoemd. Toen echter later de Griekse cultuur zich manifesteerde, kreeg ook Melkart een Griekse naam: Heracles of Hercules, de sterke held uit de Griekse mythologie. Sindsdien heten deze twee rotsen ‘zuilen van Hercules’. De Feniciërs brachten indertijd de Kanaänitische godsdienst met al z’n afgoden over naar Spanje, waar de cultus zich zonder enige remming kon ontwikkelen. De in Spanje wonende Joden waren ballingen die weinig of niets in de melk te brokkelen hadden. Ze moesten blij zijn wanneer ze ongestoord konden vergaderen in hun synagogen. Van een eigenlijke Joodse kolonisatie in de volle zin van het woord was immers pas in de latere eeuwen sprake. In Palestina zelf waren er in die tijd machtige profeten opgestaan, die in Gods Naam te velde zijn getrokken tegen de Kanaänitische afgodendienst. Ik denk hier in eerste instantie aan Jeremia en Ezechiël: want deze beide profeten verschaffen ons inlichtingen omtrent de toenmalige eredienst. Hun prediking bevatte gegevens van de Fenicische-Kanaänitische eredienst; de Feniciërs noemden zich immers ook Sidoniërs of Kanaänieten.

Deze mythologische gegevens moeten wij in een tweetal lijnen splitsen, willen wij enig inzicht verkrijgen in de ontwikkeling van de wereldgodsdiensten. Wij zien daarbij meteen hoe geniaal de satan te werk gegaan is in de stelselmatige verleiding van de mensheid door middel van de godsdienst! De door ons in het oog te houden lijnen zijn:

  1. De pseudo-Christus-cultus,
  2. De moeder-gods-cultus.

Laten wij eerst luisteren naar wat Ezechiël ons te zeggen heeft. In hoofdstuk 8 lezen wij hoe God aan Ezechiël verschenen is in een gedaante ‘als van vuur; vanaf wat zijn lendenen leek naar beneden was vuur en vanaf zijn lendenen naar boven had het de aanblik van een lichtgloed, schitterend als metaal’. Dat was een manifestatie van niets minder dan Gods heiligheid en heerlijkheid. De vuurgloed van de goddelijke jaloersheid en gekrenkte liefde jegens een volk dat zich van zijn God had afgekeerd om de Kanaänitische afgoden te dienen. Dan zegt God tot Ezechiël: ‘Mensenkind, ziet u wat zij doen? De grote gruwelen die het huis van Israël hier bedrijft, zodat Ik ver van mijn heiligdom moet blijven?’

Maar er komt een climax in de in hoofdstuk 8 opgesomde gruwelen van afgodendienst. Bij de noordelijke ingangspoort van de tempel te Jeruzalem zaten Joodse vrouwen die de Thammuz beweenden. De Thammuz werd vereerd door de Feniciërs of Kanaänieten, maar helaas ook door de Israëlieten. De Thammuzdienst was dus mede een oorzaak van de straf die God aan de Israëlieten had voltrokken door hen in ballingschap te laten gaan naar Babylon. De Joden vonden de afgodendienst kennelijk zo ‘lekker’ dat ze een afschuw ervan moesten krijgen, juist door het zien van de meest extreme vormen van afgodendienst. In Babylon werden ze immers gedwongen om voor de afgoden neer te knielen. Tot ze er eens schoon genoeg van kregen. De Thammuz zelf was een natuurgod, een personificatie van de plantengroei. Men was gewend in de vierde maand, die naar Thammuz was genoemd, klaagliederen te zingen over de dood van deze natuurgod. Maar men troostte zich bij voorbaat met de gedachte aan de wederopstanding van Thammuz in het volgende voorjaar. De Thammuzdienst ging in de regel gepaard met schandelijke vormen van religieuze hoererij. Zelfs de prostitutie heeft dus een religieuze achtergrond. Maar dan de zich jaarlijks herhalende liturgie van de dood en opstanding!

Hier hebben wij al een pseudo-Christus-cultus van de ergste soort. Hier heeft de satan het volk Israël de gedachte ingeheid aan een dood, gevolgd door opstanding, maar dan de opstanding in de natuur, waardoor de opstanding als het ware een natuurlijk gegeven werd. Wij moeten ons duidelijk voor ogen houden, dat Jesaja zijn boodschap van de Man van Smarten al had verkondigd. Israël had kennelijk niet begrepen dat de komende Messias zou moeten sterven om het volk van God te verlossen van zijn zonden: ‘Wanneer Hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen van de Heer zal door zijn hand voortgang hebben’ (Jesaja 53:10).

De Joden begrepen niet op wie dit sloeg, maar de satan wèl! Vandaar dat hij de volken van de oudheid bij voorbaat een totaal foutieve opvatting heeft ingegoten door middel van liturgische handelingen en afgodendienst. Dit wordt ons volkomen duidelijk wanneer wij de naam ‘Thammuz’ taalkundig ontleden. Deze naam is namelijk afgeleid van Dumu-zi, dit is ‘de ware zoon’. Dus ook al een ‘zoon van god’, waarschijnlijk van de zonnegod, waarover wij het straks nog zullen hebben. De Feniciërs kwamen onder Grieks bewind, onder Alexander de Grote, toen deze laatste bijna het hele Midden Oosten veroverde. Het trotse rijk van de Feniciërs, met Tarsis daarbij, moest eens ondergaan.

Zoals ik in het voorafgaande artikel al zei, was deze ondergang voorspeld. De Feniciërs verdwenen, maar Tarsis verdween niet. Onder de Grieken bloeide de Thammuz-cultus op tot de cultus van Adonis, de schone jongeling uit de Griekse mythologie, die door een wild zwijn werd verscheurd en uit wiens bloed de kortbloeiende anemoon ontstond. In de botanica heet deze anemoon immers ‘Adonis’; in de volksmond ‘kooltje vuur’. Altijd de dood gevolgd door een natuurlijk verklaarbare ‘opstanding’. De duivel heeft prachtige parodieën verzonnen op het lijden en sterven van Christus.

Nu volgt een korte beschouwing over de zonnedienst, d.w.z. de verering van de zonnegod. In het al aangehaalde hoofdstuk 8 van het boek van de priesterprofeet Ezechiël lezen wij van ongeveer 25 mannen aan de ingang van de tempel, die met hun rug naar de tempel stonden, terwijl hun gezicht naar het oosten gekeerd was (vergelijk islam, maar dan naar een gevallen stuk meteoriet). Zij bogen zich in de richting van het oosten neer voor de zon. Dit doet ons onwillekeurig denken aan de Babylonische zonnegod Sjamasj, wat overigens ook in het Hebreeuws’ zon’ betekent. Deze zonnegod werd aanbeden met de woorden:

Die licht verspreidt en door het duistere breekt, die de middaggloed aansteekt, die de akkers doet rijpen, van uw glorie zijn overdekt de geweldige bergen, van uw schittering zijn de vlakten vervuld’.

Deze cultus was als het ware een vuistslag in Gods aangezicht: ‘Mijn eer geef Ik aan geen ander.’ Dat zegt God in Jesaja 48:11. ‘Het licht schijnt in de duisternis’, wordt van Christus getuigd in Johannes 1:5. Het was er bij satan altijd om te doen, wereldgodsdiensten in het leven te roepen, waarin Christus als Verlosser en Overwinnaar over de dood bij voorbaat werd uitgeschakeld. In plaats van het bloedig offer van Christus, kwam bij de natuurgod Thammuz het onbloedig offer van de ‘vruchten van het veld’. Een offer dat ons zeer sterk doet denken aan het onbloedig offer van Kaïn, dat God niet kon aanvaarden en dat aanleiding gaf tot de moord op Abel, wiens bloedig offer wèl aanvaard werd. Uit het leven van de aartsvader weten wij dat zij allen dieren hebben geslacht op het altaar. Maar het is ons ook bekend dat men ook bloedige offers gebracht heeft aan de afgoden. Alle Semitische volkeren hebben dieren geofferd, dus ook de Feniciërs, wier taal veel op het Hebreeuws leek. Op het onderwerp van de dierenoffers zullen wij op een later tijdstip terugkomen, omdat dit van belang is voor een juist inzicht in de geestelijke achtergrond van de Spaanse volksziel.

Na dit korte uitstapje naar het terrein van de dierenoffers, gaan wij terug naar de onbloedige of plantaardige offers. Het valt buiten het bestek van deze artikelenreeks om een parallel te trekken tussen de offers uit Leviticus en die van de heidense wereld, eenvoudig omdat de Joodse tempeldienst weinig invloed heelt gehad op de eredienst onder de volken van ‘Latijnse’ tong, behalve dan op een later tijdstip, toen de Joden zélf kolonies gingen stichten in Spanje en Portugal. In de inleidende artikelen over Frankrijk heb ik geschreven over de verwoede pogingen van de satan om Christus ‘onschadelijk’ te maken, om nu eens een rake kreet te gebruiken van een duivelsdienaar optima forma, Adolf Hitler. Want elementen die de uitvoering van Hitlers duivelse plan van wereldverovering in de weg stonden, moesten eenvoudig worden ‘geëlimineerd’. Welnu, deze praktijk heeft de satan al van het prille begin van de mensheid af toegepast, want Jezus zegt van hem dat hij een mensenmoordenaar was vanaf het begin:

‘U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af, en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij vanuit wat van hemzelf is, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen’ (Joh.8:44). ‘De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en verloren te laten gaan; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed hebben’ (Joh.10:10).

Nadat de duivel geen vat op Jezus heeft kunnen krijgen in de woestijn, heeft de verleider de Joden gebruikt om Christus ten val te brengen. Eerst op een subtiele wijze, na de wonderbare vermenigvuldiging van de broden. Satan wilde Jezus toen het leven ‘sparen’ door hem tot broodkoning over Israël te laten uitroepen door zijn volk. Zo’n functie van een tweede Zafnath Paäneach (Jozef) had de satan wel willen toestaan, misschien zelfs de rol van staatkundig bevrijder van Israël. Want de duivel had ook wel door dat de Romeinen hem in één opzicht niet konden dienen, namelijk in de wijze van terechtstellen. Dat kruis was de duivel een doorn in het oog. De satan wist dat Jezus daaraan zou komen te hangen als Hij zuiver Messiaans zou blijven functioneren volgens Gods plan. Dan zou Hij immers Zichzelf vrijwillig als zoenoffer offeren voor de hele mensheid, zodat iedereen behouden zou worden die door Christus tot God gaat.

Geen broodkoning? Dan ook geen Verlosser! Vandaar de strijd in Gethsémané, waar Jezus zei: ‘Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe’. Deze woorden zijn wij van Jezus niet gewend, maar op het moment dat Jezus vrijwillig de zonden van de mensheid op zich had geladen, werd het levend contact met God verbroken en konden alle demonen op de aarde én uit dodenrijk hun gang gaan. Daar zag de satan Jezus zwak staan en dat was hét moment voor de duivel om toe te slaan met de beker. Maar het mocht niet baten. Jezus is niet in Gethsémané gestorven, maar aan het kruis. Dat kruis was satans nederlaag, want het vrijwillige zoenoffer was gebracht.

Maar dan s.v.p. geen opstanding! En komt de opstanding de glorieuze overwinning op de satan op de paasmorgen toch, dan wil hij God nog een slag voor zijn. Satan heeft gefaald als moordenaar, nu handelt hij in zijn hoedanigheid van ‘vader van de leugen’. Daags na de kruisiging van Jezus richtten de overpriesters en de Farizeeën het verzoek tot Pilatus, of hij Jezus’ graf wilde laten verzegelen tot de derde dag, uit vrees dat de leerlingen het lichaam van Jezus zouden komen stelen om tot het volk te kunnen zeggen, dat Jezus uit de doden was opgestaan. Na deze mislukte poging tot geheimhouding van Jezus’ opstanding, stelde de Joodse Raad zich in de dienst van de satan door een vuistdikke leugen te verzinnen. Eerst moesten de soldaten worden omgekocht, opdat ze zouden zeggen:  ‘Zijn leerlingen zijn ’s nachts gekomen en hebben Hem gestolen, terwijl wij sliepen’.

En sindsdien wordt Christus door alle wereldgodsdiensten doodgelogen. Hij moest eeuwig aan het kruis blijven hangen. De joden èn de Romeinen besloten dat Jezus de wereldgeschiedenis zou ingaan als ‘de eeuwig dode en gekruisigde!’ Zijn kruisdood zou het hele Christusbeeld van de mensheid moeten beheersen, zodat er voor een opstanding en een overwinningsleven geen plaats meer zou zijn. Erger nog: Christus werd zelf tot een afgod gemaakt door hem te laten hangen aan het crucifix. Daardoor is de hele mensheid verleugend: een moreel hoogstaand mens vindt het immers immoreel om zich te laten verlossen door het bloed van een dode Jood. De vrome, devote mens echter, aanbidt Christus zoals Hij daar hangt aan het kruis en heeft innig medelijden met zijn eeuwig hangen aan het vervloekte hout!”

In deze context moeten wij de roomse passieliederen beluisteren. In mijn jeugdjaren heb ik eens een roomse priester zien neervallen op de kansel onder het lezen van de liturgie, terwijl de oude vrouwtjes de tranen langs de wangen biggelden. Tal van wereldgodsdiensten aanvaarden Jezus als ‘profeet’ of ‘ziener’ naast ene mo en boeddha, maar nooit en te nimmer als Verlosser door wie ieder tot God kan gaan. En daar staat de roomse priester dan in de schaduw van het crucifix het onbloedig misoffer op te dragen. Hij heeft zich opgewerkt tot ‘sacerdos alter Christus’ (dit is: ‘de priester is een andere Christus’) die de ‘gewijde’ hostie, ook wel ‘eucharistische Heiland’ genoemd, in zijn handen houdt. Ziehier de zwarte lijn door de gehele geschiedenis van de mensheid, vanaf het onbloedige offer van Kaïn, Nimrod, via Thammuz of Adonis, naar het roomse altaar! Ziehier de inzet bij een eeuwenoude tragedie, die al aan miljarden mensen het leven heeft gekost!

Sacerdos alter Christus, met het eeuwige onbloedige reïncarnatieoffer