11. Spanje vóór Jezus Christus

Al vóór de Feniciërs in het verre westen voet aan wal zetten, bestonden er tussen Spanje en Egypte handelsrelaties, waarvan voor het eerst melding is gemaakt in de 11e eeuw v. Chr., dus vier eeuwen na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte. In de Bijbel wordt Spanje genoemd door de profeet Obadja, wanneer hij het heeft over de ballingen van Jeruzalem, die zich in Sefarad bevonden (Ob.20). Het was immers vrij algemeen in die tijd – en zelfs veel later nog (!) – dat krijgsgevangenen slaven werden in het land waar ze naar toe werden gevoerd. Omdat de Feniciërs in die tijd in Spanje koloniën aan het stichten waren, waren de Joodse ballingen hoogstwaarschijnlijk betrokken bij de stedenbouw. Die konden dan het zware werk opknappen voor het ‘Herrenvolk’ uit de 7e eeuw v. Chr.

In de rabbijnse literatuur wordt Spanje inderdaad met Sefarad aangeduid, vandaar de naam ‘Sefardische’ Joden in tegenstelling met de ‘Askenasische’, dit wil zeggen Duitse Joden. Maar nu kom ik in mijn Bijbel op dezelfde bladzijde nog het boek Jona tegen. De ongehoorzame profeet die de toenmalige wereldstad Ninevé het oordeel van God moest aanzeggen, maar dit echter niet wilde doen uit nationale (Joodse) trots en ook uit vrees dat Ninevé zich toch zou bekeren. Gods barmhartigheid jegens berouwvolle zondaars kennende, wilde hij Gods opdracht aanvankelijk niet uitvoeren. Waarschijnlijk om zijn geweten te sussen, had Jona zich toen een andere opdracht opgelegd: naar Tarsis varen om daar te prediken voor de Joden in de diaspora. Een taak die men zichzelf oplegt, hoe vroom ook, is geen goddelijke roeping. Vooral wanneer men dat ‘vrome werk’ wil doen om Gods opdracht te ontlopen, wanneer men die niet zo prettig vindt. Vandaar dat Jona Tarsis nooit heeft bereikt.

Jona leefde ongeveer in de 8e eeuw v. Chr.; maar nu de vraag, waar moeten wij Tarsis zoeken? Welnu, dat heeft naar alle waarschijnlijkheid gelegen in het mondingsgebied van de Guadalquivir, in het zuidwesten van Spanje, ongeveer op de plaats waar nu Sanlúcar de Barrameda ligt (op kaart linksboven). Tarsis onderhield belangrijke handelsrelaties met Fenicië, met name met de steden Tyrus en Sidon. De naam Tarsis lezen wij al in Genesis 10:4, als zijnde één van de zonen van Javan. Javan is Griekenland en in het vijfde vers lezen wij dat:

  • ‘Naar Javan’s zonen de kustlanden van de volken in hun landen verdeeld waren, elk naar zijn taal, naar hun geslachten onder hun volken’.

De profeet Jesaja kondigt de ondergang van Tarsis aan en de vernietiging van zijn koopvaardijvloot (Jes.23). Statige schepen voor die tijd! De overtocht in zo’ n schip leek blijkbaar ook Jona aantrekkelijk. In Jesaja 23:6,7 lezen wij:

  • ‘Steek over naar Tarsis, weeklaag, bewoners van de kuststreek! Is dit uw uitgelaten stad, waarvan de oorsprong in de dagen van weleer ligt, waarvan de voeten haar ver wegdroegen om er als vreemdeling te verblijven?’ Dan vers 10: ‘Overstroom uw land zoals de Nijl, dochter van Tarsis, er is geen gordel meer.’

Inderdaad, met de Nijl is de grote rivier te vergelijken, aan de oever waarvan Tarsis gebouwd was. De Arabieren noemden haar niet voor niets en niemendal Oead-el-kebir, of, in Spaanse transcriptie: Guadalquivir, de grote rivier, die in vroeger eeuwen o zo vaak buiten haar oevers getreden is en blijkbaar ook Tarsis verwoest heeft. Maar wie dat bekoorlijke land kent met de vruchtbare vega’ s (dit is laagvlakten), kan zich levendig voorstellen dat er in de buurt van Tarsis nog meer steden werden gebouwd, die tot vandaag zijn blijven bestaan.

Maar hoe kwam het toch dat de Fenicische steden Tyrus en Sidon zo trots op Tarsis waren? In Jeremia 10:9 lezen wij dat uit Tarsis zilver werd aangevoerd. Ezechiël voegt er aan toe (27:10) dat in Tarsis behalve zilver ook ijzer, tin en lood werden verscheept. Dus allemaal kostbare metalen. Niet alleen handel en scheepvaart brachten de Feniciërs naar die landen, ook hun cultuur brachten ze mee, waaronder hun afgoden. Maar het land waar ze hun steden bouwden, was allesbehalve onbewoond. Het waren dus koloniën in de volle zin van het woord. De oer-bevolking, de Iberiërs, waren in het grijze verleden overgekomen uit Noord-Afrika, Er zijn geschiedschrijvers die beweren dat de Iberiërs afstammelingen van Tubal dus ook van Jafeth, waren. Tussen al die heidense volksstammen in leefden er dus ook Joden in de diaspora: een eigenzinnig monotheïstisch volkje zonder afgodsbeelden, dat doorgaans trouw is gebleven aan zijn inzettingen en dat de God van Israël niet heeft verloochend.

Opmerkelijk is dat men juist in die streken ruïnes heeft ontdekt van christelijke kapelletjes, die nog wel uit de eerste of tweede eeuw van onze tijdrekening dateren. Compleet met doopbad, waarin Spanjes eerste christenen werden ondergedompeld IN water. Opmerkelijk is ook dat de zuidpunt van Spanje een vruchtbare voedingsbodem is voor het evangelie. Er is daar haast geen plaats waar niet een grotere of kleinere gemeente is ontstaan. De meeste leden mogen dan weliswaar niet verder gekomen zijn dan de waterdoop, maar zij zijn christenen die tijdens en na de Spaanse burgeroorlog onnoemelijk veel leed, onderdrukking en geloofsvervolging hebben ondergaan, maar die desondanks trouw zijn gebleven aan hun Heer en Verlosser. Zo werpt het Oude Testament licht op het ontstaan van het Spaanse volk.

Een chronologische volgorde

Maar in het Nieuwe Testament vinden wij nog veel belangrijker gegevens, die wij nu in chronologische volgorde gaan bespreken. Na de Feniciërs kwamen ook de Carthagers die aan de zuidoostkust van Spanje het nieuwe Carthago hebben gesticht: Cartagena, dat van ouds een strategische betekenis heeft behouden, in verband met de marinehaven. Cartagena heeft voor Spanje dezelfde betekenis als Den Helder voor Nederland. Verder vestigden zich daar nog Indo-Germaanse, Keltische stammen, die cultureel echter weinig inbreng hadden, doordat ze de cultuur én de godsdienst hadden overgenomen van de streek, waar ze zich hadden gevestigd.

Wat ons nu in hoge mate interesseert, is het Romeinse tijdperk en later de Arabische of Moorse overheersing, die liefst acht eeuwen heeft geduurd. In de noord Spaanse stad Tarragona zag ik een kasteel, vlak naast het Romeinse amfitheater, waarvan de Iberiërs de grondmuren bouwden, terwijl de bovenbouw door de Romeinen en de bovenste trans met kantelen door de Arabieren werden gebouwd. Dat kasteel is als het ware een typische weergave van de opbouw van de Spaanse natie, waartoe tal van oude cultuurvolken bouwstenen hebben geleverd. De Romeinen hebben op het Iberisch schiereiland belangrijke koloniën gesticht en daar hun cultuur, godsdienst en filosofie gevestigd. De Spaanse oer-bevolking werd door de Romeinen onderwezen in het Latijn.

Maar nu, hoe heeft het Nieuwe Testament van onze Heer Jezus Christus daar ingang gevonden? Héél vroeg en niet zoals wij in Frankrijk zagen, uit de tweede of derde hand, maar uit de éérste hand. In Handelingen 10 lezen wij over Cornelius, een hoofdman van de zogenaamde ‘Italiaanse afdeling’. Cornelius was dus een Romeins officier. Wat wij in dit verband nader moeten bekijken, is de Italiaanse afdeling, waar hij hoofdman over was. Het Romeinse leger was samengesteld uit een groot aantal afdelingen, ook ‘cohorten’ genaamd. Zo’ n cohorte was echter niet naar het grote land Italië genoemd, want anders zou het een groot leger van één cohorte geworden zijn! Zo heeft ook iedere Italiaanse stad of streek afzonderlijke cohorten gerekruteerd uit de mannelijke inwoners van de desbetreffende stad of streek. Maar in Italië is geen stad die Italië heet, dus deze stad moeten wij weliswaar binnen het grondgebied van het Romeinse Rijk, maar buiten Italië gaan zoeken.

Italica

Als wij een historische atlas opslaan, vinden wij een Romeinse stad en kolonie genaamd Italica in Spanje, ten noordwesten van de oorspronkelijk Fenicische stad Sevilla. Het bijbehorend bijvoeglijk naamwoord, dit wil zeggen, de volksnaam, vinden wij in de grondtekst van het Nieuwe Testament: ‘Kornelios, hekatonáches ek speíres tes kalouménes Italikés’. De ruïnes van Italica heb ik indertijd bezichtigd. Nog nooit was ik zó onder de indruk gekomen van ruïnes als toen in Italica. Wat men dan meestal het eerst ziet, is het monumentale amfitheater, dat na 2000 jaar nog betrekkelijk goed behouden is gebleven. Wèl heeft de tand des tijds geknaagd aan de stad zèlf en aan de patriciërhuizen, waarvan maar enkele vloermozaïeken behouden zijn gebleven. Maar wat ervan overgebleven is, zijn indrukwekkende kunstwerken. De rioleringen van de stad, die ten dele behouden zijn gebleven, tonen aan dat het een grote stad geweest is.

Ik had een uitstekende reisgids: Santos Molina Zurita, presbyter van de Anglicaanse kerk van Sevilla, de latere bisschop van de Iers-Anglicaanse kerk in Spanje. In zijn kerk, waarvan kort tevoren het interieur met altaar-Bijbel, kansel en al, verwoest was geworden door knokploegen van de ‘Katholieke Actie’, heb ik nog eens mogen voorgaan. Compleet met toga en stool. Ik was toen immers ‘Fellow of the Evangelical Preachers’ Association’ in Londen, bezat het Reverend’s degree’ en mocht dus ook in de ‘low Church’, dit wil zeggen de evangelische richting van de Anglicaanse kerk, in de gewone diensten voorgaan. Met de liturgie wilde het weliswaar niet zo erg vlotten want daar was ik niet bij grootgebracht, maar ik weet nog wel dat ik als ‘aartsketter in toga’ een preek hield over de apostolische successie, op basis van Handelingen 20:29:

  • ‘Zelf weet ik dat na mijn heengaan (Paulus als laatste apostel) grimmige wolven bij zullen binnenkomen, die de kudde niet zullen sparen … ‘

‘En, zijn ze gekomen … ?’ vroeg ik aan mijn Sevillanen. Toen schoot de hele gemeente in de lach. Iets dat waarschijnlijk niet zo vaak gebeurt in een Anglicaanse kerk. Maar de Sevillanen begrepen heel goed wie de grimmige wolven waren, die de gemeente niet spaarden. Na afloop van de dienst werd ik opgewacht door een statige Sevillaan, een officier van het Spaanse leger in burger. Hij kwam ‘incognito’, omdat hij in zijn officiersuniform in die dagen nooit een niet-roomse kerk had mogen betreden. Hij vond het nogal moedig dat ik de dingen zo bij hun naam genoemd had, omdat dit in Spanje zo’n jaar of twintig geleden apert gevaarlijk was. Want toen was er dan ook geen actief christen die de gevangenis niet één of meer keren van binnen had gezien! Deze officier wilde mij kennelijk waarschuwen voor eventuele nare consequenties.

Na het gesprek met die officier, moest ik onwillekeurig denken aan die andere officier die 1900 jaar geleden uit die contreien kwam en in Caesarea tot het geloof in Jezus Christus kwam en ten slotte vervuld werd met Heilige Geest! Daarom werd hij als eerste heiden door Petrus gedoopt en in de nieuwtestamentische gemeente opgenomen. Naast Cornelius waren er nog meer Romeinen, mogelijk gezinsleden en soldaten, die dezelfde gave van de Geest deelachtig werden. Zouden Cornelius en de zijnen niet eens naar Italica zijn teruggekeerd? Naar alle waarschijnlijkheid wèl. Er is in die dagen zoveel gebeurd in het evangelie wat nooit te boek werd gesteld en wat eenvoudig aan de aandacht van de geschiedschrijvers is ontsnapt. Of wij de feiten kunnen achterhalen of niet, het doet er niet toe: de Geest werkt door. Onuitwisbaar, om vaak na eeuwen opnieuw op te laaien met dezelfde oorspronkelijke energie. Want wat mij trof, was het feit dat op een steenworp afstand van Italica het verlaten klooster San Isidro staat: ‘de geboorteplaats van de Spaanse Reformatie.’

De Geest waait waar Hij wil en heeft ongeveer 1400 jaar na Cornelius de ogen geopend van de prior van dat klooster, Garcia Arias. Het Woord van God is voor hem onweerstaanbaar geworden en de genade van God door Jezus Christus is in zijn leven zó machtig gaan doorwerken, dat hij zijn monniken uit de Bijbel is gaan voorlezen in plaats van zich aan de liturgische diensten te wijden. Wij moeten de werken van God niet gaan forceren; als wij ons dan maar laten gebruiken als de Geest van God Zich ergens baan wil breken!

Met het voorgaande zwijgt het Nieuwe Testament nog niet over Spanje en de Spanjaarden. In Handelingen 18:12-17 lezen wij hoe Paulus verdedigd werd door Gallio, die toen landvoogd van Achaje was. De Joden hadden Paulus immers voor de rechterstoel gesleept maar Gallio sprak Paulus vrij. Gallio was een broer van de Romeinse schrijver en wijsgeer Seneca, afkomstig uit de zuid Spaanse stad Cordoba. Seneca noemde Gallio verscheidene keren in zijn geschriften en heette hem een buitengewoon wijs en verdraagzaam man, evenwichtig van karakter: een man aan wie de Romeinse keizer veel kon overlaten.

Tenslotte laten wij Paulus zèlf aan het woord. Wij weten niet of Paulus in Corinthe nog meer contact gehad heeft met Gallio, maar van belang is toch wel dat Paulus de Romeinenbrief vanuit Corinthe, de hoofdstad van Achaje geschreven heeft, waarschijnlijk in het jaar 60. In de Romeinenbrief (15:24,28) maakt de apostel zijn verlangen kenbaar, naar Spanje te reizen. Later volgde Paulus’ eerste gevangenschap te Rome, maar ná zijn gevangenschap is hij hoogstwaarschijnlijk doorgereisd naar Spanje, vergezeld van Romeinse broeders. En welke boodschap zou Paulus dan in Spanje verkondigd hebben? Zou hij het rooms-katholicisme naar Spanje gebracht hebben zoals bepaalde geschiedschrijvers ons willen doen geloven? Zou hij het pausschap van Petrus verdedigd hebben? ‘Dat zij verre! van mij!’, zou Paulus daarvan zeggen. Want als de Romeinse broeders vandaag de dag naar Rome zouden terugkeren om daar het evangelie te brengen, zoals zij het 20 eeuwen geleden brachten, zouden ze direct als ketters worden geëxcommuniceerd. Noch Paulus, noch de Romeinse broeders zouden immers tot enige ‘oecumenische samenwerking’ bereid zijn …