George Müller had uit betrouwbare bron gehoord dat er in Engeland 6.000 weeskinderen in gevangenissen woonden. Bij gebrek aan andere huisvesting had men hen in cellen ondergebracht. Deze noodtoestand rustte nu als een loden last op George Müller. Eerst sprak hij er met niemand over, zelfs niet met zijn eigen vrouw. Pas na enkele weken vertelde hij haar wat hem zo bezig hield. Samen hebben zij toen meer dan 19 maanden lang voor deze zaak gebeden. Daarna werden eindelijk de andere medewerkers ingelicht. Maar op dat moment had George Müller ook de diepe zekerheid, dat het inderdaad Gods wil was dat hij opnieuw ging bouwen.
In het geloof richtte George Müller zich op de bouw van een tweede weeshuis, waarin hij 700 weeskinderen zou kunnen onderbrengen. Hierdoor zou het totale aantal door hem verzorgde wezen op 1.000 komen. Maar uiteraard twijfelde hij ook. Alleen het bouwen van dit grote, tweede weeshuis zou al drie en een halve ton kosten. Terwijl er ieder jaar £ 7.000 nodig zou zijn om dit enorme bedrijf draaiende te houden. En juist in die tijd kwamen bijzonder weinig giften binnen. Er was nauwelijks genoeg geld om de 300 kinderen in het eerste weeshuis van het nodige te voorzien. Maar ook nu hield George zich vast aan zijn geloof.
Op 12 oktober 1856 ontving George Müller een cheque van £ 100. Hij kon het geld goed gebruiken. Maar de bijgaande brief, hoe goed bedoeld ook, beschouwde Müller als een valstrik.
- ‘Geachte Heer. Omdat ik grote bewondering heb voor wat u doet voor de arme wezen en voor het mensdom in het algemeen, geloof ik dat het goed is als er een fonds wordt gesticht ten behoeve van Uw levensavond. Deze £ 100 mag u beschouwen als een start van dit fonds. Ik hoop dat er voor dit doel nog veel giften zullen binnenkomen. God zegene U en de Uwen zoals Hij dat tot dusver steeds gedaan heeft’.
In zijn dagboek schrijft George Müller naar aanleiding van deze brief:
- ‘Door Gods genade aarzelde ik geen moment. Hoewel ik het gebaar van deze gever zeer waardeerde, beschouwde ik het toch als een verzoeking. Omdat ik uitsluitend op God wilde blijven vertrouwen, antwoordde ik de milde gever als volgt: ‘Ik dank U voor Uw vriendelijke brief en bevestig hiermee ook de goede ontvangst van Uw cheque van £ 100. Ik deel U echter mee dat mijn vrouw en ik geen enkel persoonlijk bezit hebben. Noch als dominee, noch als directeur van het weeshuis en de andere afdelingen van het ‘Instituut voor Bijbelkennis’ heb ik ooit een shilling salaris ontvangen. Wanneer ik iets nodig heb, buig ik mijn knieën en vraag ik God of Hij zo goed wil zijn mij te geven wat ik nodig heb. Al 26 jaar lang voorziet Hij zo in al mijn behoeften. Tot eer van God kan ik verklaren dat het mij nooit aan iets ontbroken heeft. Mijn lieve vrouw en mijn enige dochter (die nu 24 jaar oud is) zijn ook in dit opzicht volkomen eensgezind met mij.
- Deze manier van leven vermoeit ons niet in het minst. Integendeel: van dag tot dag worden wij er meer door gezegend. Nooit heb ik ook zelfs gedacht over een voorziening voor mijn oude dag of voor de levensavond van mijn vrouw en dochter. Tenminste niet op het menselijke vlak. Wanneer ik echter een arme weduwe ontmoette, een hulpbehoevende of een gebrekkig kind, heb ik altijd geholpen, zoveel in mijn vermogen lag. Dit deed en doe ik in de zekerheid dat, als wij ooit iets nodig zouden hebben, God ons rijk zou terugbetalen wat wij aan de armen hebben geschonken. Wie aan de armen geeft, leent immers aan de Heer! Onder deze omstandigheden is het mij dus niet mogelijk uw milde gift voor mijzelf te aanvaarden. Mocht ik uw brief verkeerd begrepen hebben, dan zou ik dat graag van u horen. De cheque zal ik houden tot ik verdere berichten van u ontvang. Inmiddels, zeer geachte heer, ben ik overtuigd van uw vriendelijke bedoelingen en ik bid dat God u rijk zal zegenen, zowel in tijdelijk als in geestelijk opzicht’.
Twee dagen later ontving George Müller antwoord. De gever vroeg hem de £ 100 voor de weeskinderen te willen gebruiken. Een dag later ontving George Müller weer £ 100 van dezelfde gever en 4 dagen later nogmaals hetzelfde bedrag. Omdat hij in geen geval schulden wilde maken, wachtte hij zolang met het bouwen van het tweede weeshuis tot al het benodigde geld binnen was. Dankzij een grote gift van £ 8.000 kon er al snel een begin gemaakt worden met de zo noodzakelijke uitbreiding. Op 12 november 1857 werd het tweede weeshuis geopend, waardoor er in totaal 1.000 weeskinderen konden worden opgenomen. Op 12 maart 1863 werd het derde weeshuis geopend. Op 5 november 1868 het vierde en tenslotte op 6 januari 1870 het vijfde. De miljoenen die voor de bouw van deze moderne weeshuizen nodig waren, werden uitsluitend ontvangen door middel van gelovig gebed.
Nog meer geld nodig
Alleen aan voedsel, kleding en verdere verzorging was er voor de duizenden wezen per jaar een half miljoen nodig! Waar kwam dat geld toch allemaal vandaan? Rijke dames stonden hun juwelen af, maar ook armen gaven hun laatste spaargeld. Zakenmensen gaven een deel van hun winst, maar ook schoolkinderen gaven hun zakgeld. Omdat alle wezen 3 paar schoenen hadden, moesten er liefst 6.000 paar schoenen zijn. De gebouwen hadden verf en onderhoud nodig. De 500 kamers moesten gemeubileerd worden en dit meubilair moest regelmatig vernieuwd worden. De salarissen van de medewerkers vormden een aanzienlijke post op de balans, terwijl de weeskinderen natuurlijk ook medische verzorging nodig hadden. De giften die binnenkwamen, varieerden van een fatthing (¼ penny) tot en met ruim een ton.
Ook in natura kwam er heel wat binnen:
- Een boer stuurde 2 ossen en een professor verkocht zijn hele bibliotheek om zo geld te doneren.
- Iemand gaf 8 ganzen (om op te eten) en een ander 8 kanaries (om te verkopen).
- Een vertegenwoordiger had geld bespaard tijdens zijn reizen door derde klas in plaats van tweede klas te reizen.
- Een schooljongen kreeg een shilling als beloning voor een verloren ring. Die shilling stuurde hij aan George Müller.
- Iemand stuurde het bedrag dat hij anders zou hebben uitgegeven aan sigaren.
- Een dame gebruikte een jaar lang geen suiker in thee en koffie. Het bedrag dat zij op die manier overhield, stuurde ze naar Bristol.
- Enkele christenen in België stuurden 6 shilling en een Nederlandse barones £ 85.
- Een Engelse prins stuurde het bedrag dat hij gespaard had door een diner af te zeggen. Met dat geld kon een maaltijd bereid worden voor liefst 100 wezen. Hij was nog steeds dankbaar, schreef hij er bij, voor de zegen die hij ontvangen had tijdens zijn bezoek aan de weeshuizen in Bristol.
- Een vrouw gaf een pond dat zij verdiend had door bij anderen de was te doen en een planter stuurde van overzee de opbrengst van de verkoop van 1.000 cacaobonen.
- Van een weduwnaar ontving men de trouwring van diens overleden vrouw, onder het motto ‘het sterven was winst voor haar’.
- Een boer stuurde een grote gift, uit dankbaarheid omdat een van zijn koeien na ernstige ziekte toch weer hersteld was.
- Een andere boer twee pond, met het volgende briefje erbij: ‘Dit zend ik u als een dankoffer aan God, omdat hij mijn gebed voor een ziek paard verhoorde. De veearts had hem al opgegeven. Ik beloofde de Heer dat ik £ 2 aan de wezen zou geven, als Hij mijn gebed verhoorde’.
- Een dankbare vader van 11 kinderen stuurde jaar in jaar uit het geld dat nodig was om elf weeskinderen volledig te onderhouden.
- En een man, die zojuist zijn leven aan Christus had gegeven, stuurde 15 shilling gewetensgeld, omdat hij vroeger als schooljongen eens gestolen had uit een busje voor de weeskinderen.
Aan de verzorging en opvoeding van de wezen werd de uiterste zorg besteed. ‘Wanneer een van onze weeskinderen geen bruikbaar lid van de maatschappij wordt, mag dat in ieder geval niet onze schuld zijn’ hield George Müller zijn medewerkers voortdurend voor.
In de weeshuizen was alles kraakhelder en al werd er veel gelachen, toch heerste er Pruisische discipline. Alles gebeurde stipt op tijd. ‘s Morgens vroeg om 6 uur was er reveille. Een uur later moesten alle kinderen gewassen zijn en aangekleed, want tot 8 uur gingen de meisjes dan breien en de jongens lezen. Na het ontbijt werd er een korte morgendienst gehouden, waarna de school begon. Na schooltijd mochten de kinderen spelen tot zes uur. Na de avondmaaltijd gingen de jongens helpen in de moestuinen, die rondom de weeshuizen waren aangelegd, terwijl de meisjes werden ingeschakeld bij het sokken stoppen. Dit klinkt misschien vreselijk, maar voor de weeskinderen die uit de gevangenissen kwamen, was Bristol een stukje hemel op aarde!
