De rijke jonge man

God is goed!

In Mattheüs 16:19 stelde een rijke jongeman de vraag:

  • ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’

Deze hooggeplaatste persoon had het optreden van Jezus en zijn manier van leven waargenomen en bewonderd. Hij had geconstateerd dat de Heer zachtmoedig, vriendelijk en nederig was. Hij zag Hem het land doortrekken, goed doend en allen genezend die door de duivel waren overweldigd. Als Hij daarbij uitgescholden werd, reageerde Jezus er niet op. Hij bleef in alle omstandigheden het Koninkrijk van God uitstralen in vrede, gerechtigheid en blijdschap. Dan volgt de merkwaardige wedervraag van Jezus:

  • ‘Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, behalve God!’

De Heer wil hiermee zeggen: je noemt Mij wel goed, maar hoe denk je nu over God zelf? Is deze zoals Ik ben, of heb je een andere voorstelling van Hem? Van Mij kun je niet zeggen dat Ik sla en dat mijn handen tegelijkertijd beter maken. Ik herstel alleen en veroorzaak geen enkel kwaad. Ik maak ook niemand stom, doof en blind.  Maar doet God – van wie Ik Zijn wezen laat zien – dit dan wel?

Veel zich christelijk noemenden zijn, net als die jonge man, op oudtestamentische manier mét of ónder de wet opgevoed. Zij leerden dat het Nieuwe Testament het vervolg was op het Oude. Allebei bleven ze van waarde. Zo’n absurde gedachte moet men in het natuurlijke leven eens aan een notaris proberen voor te leggen! Zij hielden zich ook bezig met het evangelie dat óver Jezus ging, maar zij kenden het evangelie ván Jezus niet. Zijn openbaringen over de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen drongen niet tot hen door. Stel u voor dat iemand een testament maakt en dit later wijzigt en rijker van inhoud maakt voor zijn erfgenamen dan het eerste. Welke wilsbeschikking is dan rechtsgeldig? Zo zou de apostel van het Oude Testament zeggen dat het afkeurenswaardig was en op het punt van verdwijnen. Het Nieuwe is echter op betere beloften gebaseerd, dus rijker en vol van genade en waarheid.

Toen de rijke jongeman verdrietig wegging en zich weer aan het oude verbond vastklampte, vertelde onze Heer aan de omstanders de gelijkenis van de werkers in de wijngaard. Het ging over een landheer, die successievelijk werkloze arbeiders op verschillende tijden van de dag in zijn dienst nam. Toen het avond werd, keerde hij aan allen hetzelfde loon uit. Toen de eerst gehuurden hiertegen in verzet kwamen, sprak de landheer: ‘Of mag ik met mijn geld niet doen wat ik wil? Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?’ God is goed! Hij keert het loon uit aan allen die Hem hun leven lang dienen, maar Hij vergoedt ook de jaren van werkloosheid. Bij de uitbetaling houdt Hij rekening met wat die werklozen geleden hebben. Zij hadden zich ook aangeboden en wilden ook voor God werken, maar kwamen niet aan bod.

Wij kennen mensen die hun hele leven de Heer wilden dienen, maar door ziekte, door aanvechtingen en door overweldiging van boze geesten uitgeschakeld bleven. De Heer vergoedt de jaren dat de sprinkhaan alles opvrat en de kaalvreter zijn plunderend werk deed. Hij vergeldt zijn volk wat het geleden heeft onder de zwaar drukkende hand van de vijand, die positieve arbeid onmogelijk maakte. Gods goedheid is zo hemelhoog en zijn barmhartigheid zo rijk, dat veel christenen zich hieraan stoten en maar liever terugkeren tot de God van vergelding en wraak die het oude verbond kenmerkte. Wij zijn echter getrokken door Gods heerlijkheid en macht!

Wat moet ik doen?

De rijke jonge man vroeg nog iets merkwaardigs. Hij informeerde ernaar wat voor goed hij moest doen om het ‘eeuwige leven’ te erven. Deze uitdrukking was voor de oudtestamentische schriftonderzoekers zeker geen onderwerp van gesprek, want zij komt alleen voor in Daniël 12:2 in verband met de opstanding van de doden. Het woord ‘leven’ komt echter veelvuldig in het Oude Testament voor. Het was deze man opgevallen dat de Heer vaak over het ‘eeuwige leven’ sprak. Jezus schoof dit niet weg tot na de opstanding van de doden, maar Hij beloofde het nu te geven. Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven en er staat niet dat hij dit later ontvangen zal. Eeuwig leven is blijvend leven en daarom is het kwaliteitsleven. Van de wet had Mozes gesproken: ‘Dit is uw leven’ en in zijn antwoord bepaalde de Heer de jongeman bij de tweede tafel van de wet, dus bij de eisen van het oude verbond ten opzichte van de naaste.

‘Wie deze dingen doet, zal daardoor leven’.

Ondanks dit ‘leven’ zou de mens toch de dood zien en bij zijn sterven het dodenrijk binnengaan. De rechtvaardigen van het oude tijdperk geloofden dat wat God gezegd had, goed voor de mens was. Zij luisterden niet aan de duivel, de leugenaar en verleider, maar wandelden met God. Op hen rustte in dit leven een zegen en hun namen werden geschreven in het Levensboek.

Ook deze jonge man hoorde bij deze categorie rechtvaardigen. Hij getuigde dat hij alle geboden in acht genomen had. Hij knoopte daarom de vraag eraan vast, wat hij eigenlijk nog tekort kwam. Jezus verblijdde zich over hem, zag hem aan en kreeg hem lief, want de Heer zag de oprechtheid van het hart en de zuivere levenswandel. Hij zou de jonge man in zijn leerlingenkring op willen nemen; want hier stond geen beschadigd of aangetast persoon die eerst bevrijd en genezen moest worden, maar een gaaf mens. Deze jonge man had de verleidingen van de rijkdom weerstaan en was niet in zonde gevallen. Hij had daarmee de limiet van het oude verbond bereikt. Als hij hierin volhardde, zou hij als een rechtvaardige sterven en in het dodenrijk een plaats ontvangen in de schoot van Abraham. In zijn antwoord stelt de Heer aan deze rechtvaardige echter een hoger ideaal voor ogen. Hij roept hem op zich daarnaar uit te strekken en wijst tegelijkertijd op de voorwaarde waaraan voldaan moet worden. Het doel van de gelovige in het nieuwe verbond is niet de rechtvaardigheid, maar de volmaaktheid, dat is het opgroeien en zich ontplooien van een kind van God in de geestelijke wereld. Nu wordt de mogelijkheid geschonken als geestelijk mens op te groeien tot de mannelijke volwassenheid.

Lezer, denk u eens in, wat uw antwoord zou zijn bij de vraag: ‘Wil je volmaakt zijn?’ De gemiddelde kerkganger zal antwoorden dat hij tot de dood toe een zondaar blijft. De Pinksterchristen zal deze vraag van de hand wijzen met de opmerking dat hij liever ‘verbroken’ wil worden en ‘niets’ wil zijn, ja, dat hij zelfs dagelijks bidt om maar een ‘deurmatje’ of drempeltje te mogen wezen. Naar hun mening komt immers het volmaakte na het sterven. Ja, het stellen van deze vraag werkt al irriterend. Men is immers een christelijke of fatsoenlijke zondaar. De gedachte aan volkomenheid is voor de hedendaagse christen absurd en onaanvaardbaar. Ogenblikkelijk zal dan ook de vraagsteller de woorden ‘zondeloosheid’ of ‘perfectionisme’ moeten vernemen. Jezus bedoelde: ‘Wil je nog verder komen dan in het oude verbond mogelijk is? Wil je nog een ander doel najagen en andere mogelijkheden verwerven? Dan zal Ik de weg wijzen die omhoog voert, naar de hemelse gewesten’.

Er is een evangelie van het Koninkrijk der hemelen dat ongekende perspectieven biedt. Dit was nooit eerder verkondigd, maar Jezus openbaarde het. Om volmaakt te zijn (niet dit na de dood te worden), zal de jonge man zijn aardse zekerheden moeten inleveren. Hij zal zijn vastheid moeten vinden in genade en niet in rijkdom. Hij zal moeten ingaan in het onzienlijke Koninkrijk van God om daar een schat te verzamelen, die niet door mot of roest aangetast en die hem niet ontstolen kan worden. Hij zal daar enkel en alleen door geloof moeten leven. Daarom adviseert de Heer hem:

  • ‘Verkoop uw bezittingen en geef het aan de armen en je zult een schat in de hemelen hebben. Kom dan en volg Mij!‘

Jezus volgen betekent: Zijn woorden overnemen en vasthouden, uit zijn gedachtewereld leven, denken zoals Hij dacht, spreken zoals Hij sprak en handelen zoals Hij deed. Het houdt in:

  • alles willen prijsgeven om de hemelse erfenis te verkrijgen,
  • namelijk de schuldvergeving,
  • het kindschap van God,
  • de inwoning van Gods Heilige Geest met Zijn begaafdheden,
  • deel krijgen aan de goddelijke natuur,
  • het uitdragen van de liefde van God die zich richt op bevrijding,
  • genezing en herstel,
  • het overwinnen van satans’ demonen.
  • Zelfs de dood en het dodenrijk zullen dan overwonnen vijanden zijn, die niet meer gesmaakt of gezien worden.

Al deze schatten zijn echter onzichtbaar voor het natuurlijke oog. Zij worden alle door het geloof toegeëigend en vormen de ‘onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis die in de hemelen weggelegd is’. Jezus garandeert de jonge man deze hemelse rijkdommen, als hij in staat is zijn aardse zekerheden los te laten. De jonge man had veel goederen waarover hij zich moest bekommeren en zorgen moest maken. Hij bezat meer dan geld. Hij dacht aan zijn aanzien, aan zijn status, aan de ceremoniën van het oude verbond, aan zijn ernst, zijn lang gebed, het plechtige gewaad, aan heel die inhoud van een uitwendig godsdienstig leven met zijn onthoudingen, sabbatsvieringen, voorschriften en plechtigheden. ‘Geef het aan de armen’, raadde de Heer aan. ‘Geef je geld aan hen die het nodig hebben om een minimaal bestaan te leiden en schenk al dat uiterlijke vertoon maar aan de Farizeeën en Schriftgeleerden voor wie deze dingen onmisbaar zijn om zich in de godsdienstige wereld te kunnen handhaven. Volg Mij om onbekommerd de waarheid te kunnen horen en om deel te krijgen aan de rijkdommen van het Koninkrijk van God’. De rijke jonge man kon de overstap van de aarde naar de hemel, van het zichtbare naar het onzichtbare, niet nemen. Hij volgde Jezus niet, maar ging verdrietig heen. 

Ook u zult moeten kiezen: of een naamchristendom op oudtestamentische grondslag, of een waar christendom dat door vernieuwing van denken en door geloof, opnieuw geboren worden en doop in Gods Geest, streeft naar de volmaaktheid. Kortom: Leg eerst het enige Bijbelse fundament in uw leven en volg Jezus Christus!