De overspelige vrouw

Er zijn bewijzen!

Men moet toegeven dat in het verhaal van Johannes 8:1-11 de farizeeën en Schriftgeleerden met hun beschuldigingen niet over één nacht ijs waren gegaan. Vroeg in de morgen brachten zij een vrouw, die op overspel betrapt was, naar Jezus. Zij waren dus niet op geruchten afgegaan of op geroddel, zoals dit jammer genoeg onder bepaald soort christenen voorkomt. Ze zeiden niet: ‘We hebben gehoord dat deze vrouw in overspel leeft’, of ‘we hebben een man bij haar naar binnen zien gaan’, of ‘we hebben ze samen horen lachen’, maar ze hadden onloochenbare bewijzen. De vorige dag was de laatste en de grote dag van het Loofhuttenfeest gevierd en het is bekend dat de mensen dan nog vaak tot diep in de nacht door dansten. Misschien had de vrouw zich in zo’n loofhut misdragen.

Jezus was juist bezig om in de voorhof van vrouwen, waar zowel mannen als vrouwen mochten komen, het volk te leren. Plotseling wordt deze vrouw in het midden van de kring gebracht en de vraag gesteld: ‘Mozes heeft ons in de wet geboden dergelijke vrouwen te stenigen. Wat zegt U nu?’ Met dezelfde intentie hadden de leiders spionnen uitgezonden, die zich als vrome mannen voordeden, om Jezus op zijn woorden te vangen, om Hem zo te kunnen overleveren aan de stadhouder (Matth.22:15-22). Toen discussieerden zij erover of het geoorloofd was de keizer belasting te betalen. Nu probeerden zij een reactie uit te lokken waarin Jezus óf de rechten van de Romeinse overheid zou schenden door de vrouw ter dood te brengen, óf hen reden zou geven dat men Hem bij het Sanhedrin te kunnen aanklagen, omdat Hij Zich niet om de wet van Mozes bekommerde. Jezus ging echter niet rechtstreeks op de vraag in. Sommige handschriften vermelden, dat Hij deed alsof Hij hen niet hoorde. Hij boog Zich alleen voorover en schreef met de vinger in het stof van het tempelplein. Ook hier werd Hij verzocht van de duivel, die nu deze leiders gebruikte om Hem in de val te lokken.

Het is duidelijk dat dit schrijven het juiste antwoord zou geven en dat dit niet anders kon zijn dan een beroep op het Woord van God. Zijn tegenstanders kenden de schriften immers zo goed. Hij bevond Zich hier tegenover de fundamentalisten van zijn tijd, die de gewijde geschriften van ‘kaft tot kaft’ voor waar hielden, zelfs de kaft. Zij lazen wat er stond en beroemden zich erop alles zo letterlijk en getrouw mogelijk te nemen. Toch had de Heer deze orthodoxe Bijbelonderzoekers vaak van huichelarij beschuldigd.

Wanneer de schijnbaar rechtzinnige tegenstander zich op de Schrift beroept, is het altijd nuttig de aangehaalde plaats op te zoeken. Het ligt voor de hand dat de Heer de betrokken teksten duidelijk naar voren bracht. Wat had Mozes dan precies gezegd? Er zijn twee plaatsen die betrekking hebben op het vonnis dat een overspeelster moest ondergaan. In onze gedachten zien we daarom Jezus allereerst Leviticus 20:10 neerschrijven. Hier staat:

  • ‘Wie overspel pleegt met een getrouwde vrouw, een vrouw die een ander toebehoort, moet ter dood gebracht worden. Beide echtbrekers moeten worden gedood.’

Zouden zij het begrijpen? Zouden zij zich kunnen verplaatsen in de gedachten van God die de wet gegeven had? Nee, want ze hielden niet op met vragen. Konden zij dan niet lezen wat er stond? Had Jezus hun niet gezegd dat het juist Mozes was die hen veroordeelde? Deze gerenommeerde Bijbelverklaarders hadden het zo moeilijk met deze echtbreekster, maar waar was de echtbreker? Zij hadden het moeilijk met de slechte vrouwen en spraken mogelijk over de arme ‘verleide’ mannen, maar er zouden geen prostituees zijn, als er geen onreine mannen waren. Let erop dat God in de eerste plaats spreekt over de slechte man. Déze pleegt echtbreuk met de vrouw van zijn naaste. Hij moet allereerst ter dood gebracht worden. Hij is de hoofdschuldige en niet de vrouw. Zij wordt hier slechts zijdelings genoemd. Maar had Eva niet eerst gezondigd en had zij de man niet verleid? Toch riep God in de hof niet: ‘Eva, waar ben je?’, maar Hij zocht de man. Deze wilde zich wel achter zijn vrouw verschuilen, maar God ging daar niet op in.

Merkwaardig zijn het juist dit soort rechtzinnigen die zich er zo graag op beroepen dat de man het hoofd van de vrouw is. Ook hiervoor halen ze Mozes aan of anders Paulus. Wij willen dit hier niet betwisten, maar dan draagt de man ook de verantwoordelijkheid. Als een jongen een ruit ingooit en hard wegloopt, gaat het erom de vader te vinden, want deze moet betalen. Ze dachten zo sterk te staan. De leiders hadden immers de vrouw op heterdaad betrapt. Welnu, daaruit bleek juist dat ze huichelaars waren, want ze hadden de man achtergelaten. Het was in hun brein niet opgekomen dat volgens de wet de man het eerst terecht moest staan. Men kon van hem ook moeilijk zeggen, dat hij tot deze zonde gedwongen was, zoals van een vrouw wel eens beweerd kan worden dat ze misbruikt werd. Nee, deze starre Bijbelonderzoekers begrepen niet wat de Heer bedoelde. Daarom richtte Hij Zich in zijn volle lengte op, keek ze aan en vroeg:

  • ‘Wie van u zonder zonde is (letterlijk: zondeloos), mag de eerste steen naar haar gooien’.

Hij gaf ze even de tijd, terwijl Hij de tweede tekst op de grond schreef, die luidt:

  • ‘Als een man wordt betrapt met een getrouwde vrouw moeten beiden ter dood gebracht worden, zowel de man als de vrouw met wie hij geslapen heeft’ (Deut.22:22).

Waarom spreekt men toch altijd van ‘de overspelige vrouw’? Was er dan geen overspeler? Waarom hadden de farizeeën en Schriftkenners hém niet in de kring gebracht? Waarom verdraaiden zij de Schrift, terwijl hier toch meer in het geding was dan die ene jota of die ene tittel? Het antwoord is: omdat deze gasten niet in het licht, maar in de duisternis wandelden. Zij misten de sfeer van het Koninkrijk van God, namelijk de gerechtigheid, vrede en blijdschap. Zij bleven tot de dood toe een zondaar en deden vaak maar al te graag wat Mozes hun verboden had. Zo zijn er ook nu nog mannen die voor gelovig doorgaan en zeggen: ‘Als je eens in mijn hart kon lezen, zou je schrikken! Hoe ouder ik word, hoe feller de zondige begeerten in mij opkomen’. Bij dit soort mensen zijn geen vrede en blijdschap te vinden. Om hen is het klimaat van de duisternis: angst, vrees, verontrusting. Jezus vergeleek ze met witgepleisterde graven die van binnen vol zijn van doodsbeenderen en van onreinheid. In de Statenbijbel lezen we dat ze op de alles doordringende vraag van de Heer geen antwoord gaven:

  • ‘Maar zij, dit horende en van hun geweten overtuigd zijnde, gingen heen, de een na de andere, beginnende van de oudsten tot de laatsten’.

Er begon een gesprek tussen hun geest, de drager van de ingeschapen wet van God en hun onreine inspiraties. Het woord van God maakte dit geweten wakker. Mogelijk moest de oudste getuige de eerste steen werpen. Deze herinnerde zich echter nog de vrouw van jaren terug die hij onrechtmatig had begeerd. Niemand was er ooit achter gekomen, maar was hij in staat de eerste steen te werpen? Hij verdween. Dan staat daar nummer twee. Misschien een zestiger. Hij wordt erbij bepaald dat hij eigenlijk nooit zuiver had geleefd. ‘Vrome’ en onreine geesten gaan immers meestal samen. Dit is een wet van het rijk van de duisternis. Wie zal immers deze dienstknechten van de duivel verlossen? Hij vertrekt met stille trom. Ook nummer drie wacht zijn beurt niet af. Hij heeft het al gezien. Hij is ook niet ‘zondeloos’. Hij was wel een bekend leider, maar verstrikt in de grote drie verzoekingen: eerzucht, gelddorst en vrouwen. Ook hij verlaat de kring. Zo laten zij allen Jezus alleen staan en de vrouw nog steeds op dezelfde plaats. Dan richt Jezus Zich opnieuw op en vraagt:

  • ‘Vrouw, waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld?’

De ‘vrome’ en onreine geesten waren openlijk ten toon gesteld en door de Meester ontwapend. Waren hun dienstknechten gebleven, dan hadden ze misschien ook – net als de man met de onreine geest in de synagoge te Kapernaüm – moeten uitschreeuwen: ‘Wat hebt U met ons te maken, Jezus van Nazareth? Bent U gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie U bent: de Heilige van God!’ (Marc.1:24). De Farizeeën en Schriftgeleerden durfden de confrontatie met de ‘Heilige van Israël’ niet aan. In de hemelse gewesten zagen de machten een grote witte troon en zij vluchtten weg voor Hem die erop zat en Zijn grote Zoon, van wie de majesteit hier werd geopenbaard: Wat een schijnvroomheid werd hier ontmaskerd! Op de vraag van de Meester of niemand haar veroordeeld heeft, geeft de vrouw ten antwoord: ‘Niemand, Heer.’ ‘En Jezus zei:

  • ‘Ik veroordeel u ook niet, ga naar huis, en zondig vanaf nu niet meer’.

Vanaf het begin van de kerkgeschiedenis heeft men moeite gehad met dit verhaal. Vooral met deze laatste woorden van Jezus: ‘Dan veroordeel Ik u ook niet’. Men heeft deze geschiedenis niet voor niets tussen haakjes gezet om duidelijk aan te tonen dat men er geen raad mee weet. De kerkelijke tucht zou er onder lijden. De grote godgeleerde Godet schreef: ‘De echtheid van dit stuk wordt door weinige rechtzinnige protestanten aangenomen’. Hun bezwaren gelden dan ‘de innerlijke waarheid van het verhaal’.

Toch is het te vinden in veel handschriften. Jezus was niet gekomen om deze vrouw te veroordelen, maar om haar te redden (Joh.3:17). De Farizeeën hadden haar veroordeeld, maar voor hen gold dat zij de splinter in het oog van deze vrouw zagen, maar de balk in eigen ogen niet opmerkten. Zij leefden bij een dubbele moraal: één voor de man die niet gestraft werd en één voor de vrouw die volgens de wet gestenigd moest worden. Flavius Josephus, de geschiedschrijver van deze tijd, vermeldt dat het volk van Jeruzalem verteerd werd door echtbreuk en onzedelijkheid en Jezus wist dit ook. In deze situatie zou het onrechtvaardig zijn om de wet van Mozes nu alleen voor deze ene vrouw te handhaven. Zelfs haar beschuldigers hadden haar niet durven veroordelen.

Zou deze geschiedenis ook iets te zeggen hebben voor hen die maar blijven volhouden dat een kind van God niet gebonden kan zijn? Vanwege deze leugen zijn ze dan niet in staat voor anderen op de bres te staan. Ze spreken zo, omdat in hun eigen leven meestal gebondenheden zijn, die hun beletten de werkelijkheid te zien en de goede strijd te strijden. Laten in het bijzonder voorgangers en oudsten nauwkeurig hun eigen leven onderzoeken of ook bij hen de religieuze geesten samengaan met de onreine machten of met begeerten naar geld of eer. Wanneer ze oprecht zijn, zal de waarheid ook hen vrijmaken door hen de weg te wijzen naar de verlossing en het herstel door Jezus Christus.