De geestelijke erfenis van de Waldenzen

Petrus Waldus

De Waldenzen kunnen als voor-reformatorische hervormers worden beschouwd. Zij hebben in verschillende landen een geestelijke erfenis achtergelaten, die velen na hen tot zegen is geweest. Zelf hebben zij er alles voor over gehad; van hun werk zijn er nog steeds diepe sporen achtergebleven, van Frankrijk tot Tsjechië en van Italië tot Spanje.

Een anekdote van de Spaanse schrijver Jose Maria Pemany Pemartin handelt over een gesprek dat iemand had met een boeddhistisch geestelijke die christen geworden was. De fijne beeldspraak, die de oosterling eigen is (want het verhaal komt oorspronkelijk uit een Chinese mond), spreekt boekdelen. Toen men de Chinees vroeg, waarom hij de hoogstaande filosofieën van Confucius en Boeddha vaarwel gezegd had om zich tot het christelijk geloof te bekeren, zei hij:

  • ‘Als een blindgeborene ineens midden in de nacht ziende wordt, dan ziet hij voor het eerst de maan en komt meteen onder de indruk van het maanlicht. Als hij dan echter enkele uren later de zon aan de horizon ziet opgaan, vervaagt de indruk die de maan op hem had gemaakt, omdat er eenvoudig geen vergelijking is tussen het zonlicht en het maanlicht.’

Dit was dus volgens de Chinees het verschil tussen het licht dat de Oosterse filosofen verspreidden en het licht dat is gaan schijnen toen Jezus Christus in de wereld kwam. 

In de twaalfde eeuw woonde in de Franse stad Lyon een koopman, Valdes geheten; hij is de geschiedenis ingegaan onder de naam van Petrus Waldus. Vandaar dat zijn volgelingen Waldenzen werden genoemd. Zij braken aanvankelijk niet officieel met de roomse kerk, maar wel verwierpen zij de leer van het vagevuur en van de aflaat. Verder keerden zij zich tegen de ‘heilige’ oorlogen, de Kruistochten incluis, alsook tegen de inquisitie, de zielmissen, de aalmoezen en gebeden voor de doden, waardoor zij zich duidelijk distantieerden van de occulte en spiritualistische praktijken die in de roomse kerk toen al schering en inslag waren. Al hadden de Waldenzen dan niet officieel met Rome gebroken, in de ban werden ze toch gedaan door de ‘heilige’ moederkerk, want in 1179 werden zij veroordeeld door het 3e Lateraanse concilie. Even later werden ze uit Lyon verdreven en vluchtten onder andere naar het bergachtige Provence in Zuid-Frankrijk.

De goede God van de Katharen

Toen ook daar een felle vervolging werd ingezet tegen de Albigenzen (een door Rome gehate groep uit de middeleeuwen), hadden ook de Waldenzen daaronder te lijden. Daarom weken zij uit naar de hooggelegen valleien in de Noord Italiaanse Alpen. Daar kwamen ze geestverwanten tegen, de zogenaamde Humiliati. Dezen waren strijdvaardiger dan de Pauperes Lombardi, of ‘Arme Lombarden’, zoals de Waldenzen in Italië werden genoemd. Dit versterkte hun positie ten zeerste. Alle vervolging ten spijt breidden de Waldenzen zich uit. Ze trokken West-Europa in en vestigden zich zelfs in het tegenwoordige Tsjechië, waar ze zich bij de volgelingen van Johannes Hus, de pré-reformatorische Boheemse hervormer, aansloten. Wat hun leer betrof, lag het precies in hun lijn om zich later bij de Hervorming aan te sluiten.

Tot zover in korte trekken de bekende geschiedenis van de Waldenzen. Niet alleen in Frankrijk en Italië, maar ook in Spanje waren de Waldenzen bezig. Ze vonden daar aanknopingspunten genoeg. Al was Rome in de twaalfde eeuw over het hele noorden van Spanje gaan heersen, de Spanjaarden waren toch alles behalve rooms. Overal beweert men dat Spanje negentien eeuwen lang rooms was en dat Rome bovendien na de overwinning op de sekte van de Arianen alles voor het zeggen had. Niets is minder waar dan dit! Maar doordat de feiten door de geschiedvervalsing stelselmatig weggeredeneerd werden, wordt ons een totaal rooms Spanje gepresenteerd, waar niet-roomsen eigenlijk geen recht van bestaan zouden hebben. Deze drogredenen – hoe simplistisch ze in het licht van de historische feiten ook zijn – zijn eeuwen lang een machtig wapen van de Inquisitie geweest om andersgelovigen te vuur en te zwaard te vervolgen. Wie er een andere leer dan de roomse kwam verkondigen, was eenvoudig een indringer en moest ‘onschadelijk’ worden gemaakt. Wat dat betreft waren de verschijnsels Hitler, Stalin, Mao, Pol Pot en vandaag China, EU en NWO niets nieuws onder de zon.

Het bloed van de martelaren

Waar Rome de absolute macht in handen heeft, is geen plaats voor andersdenkenden. Dat zijn de Spanjaarden na de 12e eeuw aan de weet gekomen. Een tijdlang bleef de Spaanse adel zich echter verzetten tegen de absolute heerschappij van Rome in hun landerijen en duldden het leenmanschap, dat hun vanwege de machtige staatskerk werd opgelegd, onder geen beding. Om zo’n onvrijheid te slikken is een Spaans edelman veel te trots. Daarom verdedigden zij degenen, die tegen Rome waren: de Albigenzen en de Waldenzen. Deze twee worden vaak in een adem genoemd, maar ze mogen zeker niet met elkaar worden vereenzelvigd.

De leer van de Albigenzen strookt op tal van punten niet met de Bijbel, wat die van de Waldenzen, naar het licht dat zij bezaten, wel deed. Al brengen wij de leer van het Koninkrijk van God, wij mogen toch zeker niet op christenen neerzien, die in de donkere middeleeuwen de geloofsmoed hadden om de rudimentaire Bijbelse waarheden te vertellen. Dit evangelie kon in het noorden van Spanje nog enige tijd voortgang hebben onder de bescherming van de Spaanse adel. De voorlopers van de reformatie hebben vooral in Zuid-Frankrijk in de elfde en de twaalfde eeuw grote gemeenten gesticht. In Zuid-Frankrijk was men militair weliswaar zwakker dan in het noorden, maar cultureel stond men op een hoger peil.

Nu is het een vaststaand feit dat een mens van enige beschaving ook zijn verstand heeft leren gebruiken en zich minder gemakkelijk door allerhande dwaalleraren laat misleiden. Dankzij deze omstandigheid werd het on-Bijbelse karakter van de roomse leer en kerk onderkend, zodat velen naar de evangeliepredikers geluisterd hebben. In heel Zuid­ Frankrijk ontstonden er in die dagen bloeiende steden, waar een geest van vrijheid heerste. Het hoeft ons dus niet te verwonderen dat enkele eeuwen later de meeste Hugenoten juist uit deze streken kwamen! Hun taal was uitermate rijk en overal werden er scholen opgericht, waar men literatuur studeerde. De ‘troubadours’, dat wil zeggen de Provençaalse dichters, werden er met open armen ontvangen. Mensen die een dergelijk peil van beschaving hadden bereikt, lieten zich niet meeslepen door de roomse (on)geestelijkheid, die allerhande kerkelijke dogma’s kwamen verkondigen. Bovendien hadden ze voldoende inzicht in geestelijke dingen om zich niet aan het bijgeloof en andere religieuze absurditeiten te onderwerpen, die in de roomse kerk toen al welig tierden. Echter legden ze hun oor te luisteren bij de hervormers, die de dwalingen van de roomse kerkleer aan de kaak stelden.

Waldenzen en de Albigenzen op roomse brandstapels

Op deze wijze is de volksziel zowel ten noorden als ten zuiden van de Pyreneeën onaangetast gebleven. De machten van het middeleeuwse occultisme konden in deze streken niet zo gemakkelijk ingang vinden. Eerst waren het de Waldenzen en de Katharen van wie velen door het zwaard vielen of op de brandstapel verbrand werden. Later kwamen de Hugenoten en de Camisarden; ook zij ondergingen hetzelfde lot. Wanneer echter het zaad van het evangelie eenmaal gezaaid is, zal het niet leeg terugkeren, maar het zal vroeger of later vrucht dragen… al razen er duizend stormen van de Inquisitie over heen.

Wij moeten de putten opgraven die de vijand heeft dichtgestopt. Gezien deze historische feiten is er juist in deze hoek een grote oogst te verwachten voor het Koninkrijk van God. Als de Geest van God een verbintenis wil aangaan met mensen uit de tegenwoordige generatie – die net zoals hun voorouders willen luisteren naar de boodschap van het evangelie – acht ik de mogelijkheid niet uitgesloten dat ook zij met gespannen aandacht zullen luisteren naar de boodschap van het eeuwig evangelie. Deze mogelijkheid zie ik aan weerskanten van de Pyreneeën, getuige de vele evangelische gemeenten die zowel in Zuid-Frankrijk als in Catalonië in de loop van de jaren ontstaan zijn. Iedere gelovige staat daar in het licht dat hij ontvangen heeft en God voegt nog dagelijks zielen aan deze gemeenten toe. Het is daarom een blij makend teken, te merken dat veel van deze gelovigen zien dat wij een tijdperk ingegaan zijn, waarin een strijd gaande is, die men niet kan strijden als men geen geestelijke wapenuitrusting bezit.

Een occulte religie en Gods beschermende hand over zijn gemeente

De boodschap van de Waldenzen heeft in de middeleeuwen verschillende streken van Frankrijk en Noord-Spanje gevrijwaard tegen de occulte invloeden van een afvallige kerk. We willen nu nagaan hoe God zich van de geestelijke nalatenschap van de middeleeuwse boodschappers bediend heeft om steeds nieuwe zielen toe te voegen aan de gemeente van Jezus Christus. In het getuigenis van de Waldenzen hebben wij een Bijbels lichtpunt gezien te midden van de duistere middeleeuwen. Ze mogen dan nog niet de volle boodschap van het Koninkrijk van God gebracht hebben, maar iedere herontdekking van de Bijbel en ieder opbloeien van een christelijk geloofsgetuigenis, dat daaruit voortvloeit, zijn mijlpalen op de weg naar de ontdekking van de volle raad van God voor onze wereld.

De Waldenzen hebben zeker niet aan de weg getimmerd, maar moesten zich in vaak onherbergzame valleien in het hooggebergte zoals de Alpen en de Pyreneeën terugtrekken. We hebben al gezien hoezeer het eeuwig evangelie tot deze valleien is doorgedrongen. Al in de twaalfde eeuw werd daar het zaad gestrooid, niet alleen voor de hervorming, maar ook voor tal van opwekkingen uit latere eeuwen. We hebben ook gezien dat de invloed van de Waldenzen de opkomst van het occultisme in veel plaatsen in Zuid-Frankrijk en in Spanje – met name in Catalonië – heeft tegengehouden. Hieruit concludeer ik dat de kracht tot verlossing, die van de prediking van de Waldenzen uitging, groot is geweest. Men ziet nú nog het verschil tussen de streken, waar het evangelie wèl was gebracht en de gebieden waar Rome zich zonder slag of stoot kon vestigen, zoals bijvoorbeeld in NW-Spanje: het Baskenland en Asturias. In Catalonië komen wij overal evangelische gemeenten van verschillende denominaties tegen, die wij in het Baskenland en in Asturias tevergeefs zoeken.

Heiligenverering

Ach ja, er is hier en daar wel een gemeente met veel moeite van de grond gekomen. Iedereen is het erover eens dat men daar als ‘t ware de rotsen moet ploegen. Hoe komt dat? Eenvoudig omdat het occultisme daar sinds eeuwen hoogtij viert. Daar zijn in de elfde en de twaalfde eeuw de eerste roomse kloosters ‘opgestart’. Er ontstonden bedevaartplaatsen. De heiligenverering nam ongekende vormen aan en door het contact zoeken met de zielen van de doden was men daar al vrij vroeg op weg naar het spiritisme. Ook de waarzeggerij en de kwakzalverij hoereren daar. Relikwieën (botten) van overledenen spelen daarbij een grote rol. Het vreemde aan de zaak is ook het feit dat men juist in die streken de grootste verzetshaarden vindt, van waaruit de felste terreuracties worden geleid tegen de rest van Spanje. Aan de éne kant een diepe religiositeit, aan de andere kant het wapengekletter. Hoe vreemd het ook mag klinken, maar het is een vaststaand feit dat deze bij elkaar horen. Een kwestie van oorzaak en gevolg. Een valse religie wordt altijd met vleselijke wapens verdedigd.

Tot welke uitwassen de verering van relikwieën kan leiden dit verhaal:

Theresia van Avila

  • ‘Na het overlijden van Franco hebben de Spaanse autoriteiten een van de ‘heiligste’ relikwieën van Spanje teruggeven aan de R.K. kerk: de afgehakte hand van de heilige Theresia van Avila, die 400 jaar geleden de orde van de Karmelietessen nieuw leven inblies. Zij was ook één van de meest vooraanstaande Spaanse mystici. Toen zij in 1582 stierf, werd haar linkerhand afgehakt, met de bedoeling dat de hand zou rouleren onder alle kloosters van de door haar gestichte godsdienstige orde. Afgezien van het nogal lugubere karakter van de relikwie, kent men haar een wonderwerkende kracht toe. Daarom werd deze hand Franco ter beschikking gesteld op het hoogte punt van de Spaanse burgeroorlog in 1938, want de generaal dacht dat Theresia’s hand hem ‘geestelijke kracht’ gaf in zijn ‘kruistocht om Spanje te redden’. Zolang Franco over Spanje regeerde, had hij het griezelige kleinood onder handbereik in een mandje; waar hij ook ging, droeg hij het bij zich, Vooral in crisistijden ‘hield Franco zich er aan vast’, Toen hij in november 1975 op sterven lag, werd het mandje met de relikwie voor het laatst bij hem gebracht. Als tegenprestatie voor het feit, dat de relikwie hem werd afgestaan, schonk Franco elk jaar een som geld aan het klooster. Nu is de ‘heilige’ hand dan weer veilig in het bezit van de roomse kerk teruggekeerd!’

Dit is maar een klein voorbeeld van afgoderij, zoals die in de door Rome overheerste landen wordt bedreven. Een paar botjes, die de bezitter geluk moet brengen. Nu is het een overbekend feit, dat mensen, die niet in God geloven, toevlucht nemen tot occulte voorwerpen. Maar als deze kerkelijk gesanctioneerd worden, wordt het bedrog dubbel zo groot, omdat de goegemeente ze met het christendom identificeert. Hoe vaak heb ik niet in (zuidelijke) landen meegemaakt, dat de mensen een kruisje of een amulet tevoorschijn haalden zodra men met hen over geestelijke dingen begon te spreken. Daarmee wilden ze kennelijk laten zien dat ze ook aan ‘godsdienst deden’, maar de werkelijkheid ligt vaak veel dieper: een occulte afscherming van de menselijke geest tegen de invloed van het evangelie.

Vrome amuletten

Ik heb nog nooit meegemaakt dat iemand die met kruisjes, amuletten of heiligenbeelden (medailles) schermde, ooit tot geloof in Jezus Christus is gekomen. Zelfs kruisjes kunnen een occulte werking hebben zodra men er een sacrale betekening aan hecht. Vaak zijn deze voorwerpen door een priester met wijwater gezegend. Tegen deze achtergrond moeten wij ook Franco’s behoefte zien, in tijden van nood of crisis een onheil kerende en geluk aanbrengende relikwie als een afgehakte hand van de ‘heilige’ Theresia mee te dragen. Het bezit van dergelijke ‘heilige’ voorwerpen wordt door de roomse kerk zelfs als een rijkdom beschouwd!

Aan de hand van dit voorbeeld zien wij ook hoe de vorst van de duisternis werkt. Niets vermoedende religieuze zielen kunnen zonder meer door deze religieuze voorwerpen en praktijken worden verleid. In streken waar men het evangelie van de verlossing door Jezus Christus nooit gehoord heeft, kan de satan vrij opereren. Iets anders is het in streken waar het evangelie wèl is gebracht, al is het nog zo lang geleden gebeurd. Er is in veel plaatsen onder een diepe laag stof een Bijbel blijven liggen. Doordat de middeleeuwse predikers doorgaans geen geletterde mensen waren, kenden ze meestal geen Latijn of Grieks. Dus, de Bijbels en aantekeningen die ze gebruikten, werden meestal in de volkstaal geschreven. Al klinkt deze volkstaal nog zo ouderwets in de oren van de mensen van de latere generaties, ze is voor hen verstaanbaar. Op deze wijze is de vonk van het evangelie op veel zielen overgesprongen. Dat blijkt dan ook tijdens het evangeliseren, wanneer wij mensen ontmoeten die als ‘t ware op ons hebben zitten wachten. Deze drinken de boodschap gewoon als water en zeggen alleen: meer, meer, meer!  Echter heeft de Inquisitie een machtig wapen gevonden: het analfabetisme. Door het volk kunstmatig dom te houden, kon het niet lezen en kon het dus geen kennis nemen van ‘ketterse’ geschriften.

Toch heb ik in Spanje ergens een bejaarde vrouw ontmoet, die mij vertelde dat ook zij analfabeet was, maar op latere leeftijd heeft leren lezen. ‘Gewone boeken en de krant zijn voor mij te ingewikkeld, maar de Bijbel is zó eenvoudig dat ik hem gewoon kan lezen’. Dus opent Gods Geest het verstand van de mensen om hen de kennis mee te delen, die ze moesten missen als gevolg van een verderfelijke maatschappijleer, zoals die door de Inquisitie – genaamd de ‘heilige’ – eeuwen geleden was ingevoerd. Het geval van dit grootmoedertje is geenszins op zichzelf staand. Verder heb ik, zowel in Frankrijk als in Spanje mensen horen zeggen, dat men alle ‘verdachte’ literatuur aan de priester moest brengen of verbranden. Want juist in streken waar vroeger eens de Waldenzen, Albigenzen, Hugenoten, Camisarden en andere christelijke groeperingen werkzaam zijn geweest, wordt deze soort ‘verdachte’ literatuur nog wel eens in nissen van oude huizen en in schuren ontdekt. Zoals gezegd, onder een diepe laag stof. Misschien heeft deze literatuur eens een overgrootvader of nog verdere voorouders toebehoord.

Nu hing het uiteraard af van de gezindheid van de vinder. Voelde hij zich, misschien diep in zijn onderbewustzijn, bedrogen door de roomse kerk, dan ging hij deze ‘ketterse’ literatuur uit vroeger geslachten lezen. Want in vroegere eeuwen kon hij niet naar een christelijke boekhandel stappen, zoals dit nu (nog!) mogelijk is. Dus at hij deze oudvaderlijke literatuur op zoals Jeremia het deed: 

  • ‘Zo vaak uw woorden gevonden werden, at ik ze op, uw woord was mij tot vreugde en blijdschap van mijn hart’ (Jer.15:16).

De Geest waait waar Hij wil en als Hij ergens een kleine gloed ontdekt, wakkert Hij deze aan tot een laaiend vuur. Wij weten niet waar Gods Geest vandaan komt noch waar Hij naartoe gaat; de geestelijke mens neemt Hem waar. Maar van één ding kunnen wij zeker zijn: God kent de Zijnen en zoekt ze op en daarom is iedere kleine gloed Hem welkom. Als God in het oude verbond het geknakte riet niet verbroken en de kwijnende vlaspit niet uitgedoofd heeft (Jesaja 42:3), zal Hij het zeker in het nieuwe verbond niet doen. Want voor deze christenen die vanaf het apostolisch tijdperk – zoals het in Spanje het geval is geweest – langs de wegen van Europa getrokken zijn, is Christus gestorven. Hoe onvolmaakt hun kennis geweest mag zijn, zij vormden de ruggengraat van onze westelijke beschaving en tegen de achtergrond van de geschiedenis kom ik tot de conclusie dat God de geestelijke Semieten tot bouwmeesters van ZW- Europa aangesteld heeft, zodat Christus’ gemeente onder hun bescherming in de donkere middeleeuwen kon blijven voortbestaan.