De dood van Jacobus

  • ‘Mijn bloed wordt al als een offer uitgegoten, het moment waarop ik heenga nadert. Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden. Nu wacht mij de krans van de gerechtigheid die de Heer, de rechtvaardige Rechter, aan mij zal geven op de grote dag; en niet alleen aan mij, maar aan allen die naar zijn komst hebben uitgezien … Alleen Lucas is nog bij mij’ (2 Tim.4:6-8,11). 

De apostel Paulus zegt dat hij de goede strijd heeft gestreden. Als je dat gedaan hebt, is het niet moeilijk om heen te gaan. Hij heeft het evangelie van het koninkrijk der hemelen gebracht. Hij heeft een metamorfose ondergaan, zoals een rups verandert in een vlinder. Het latere stadium is niet te vergelijken met het eerdere stadium. Paulus ziet uit naar opnieuw een gedaanteverwisseling, wanneer hij heengaat en hij voor altijd bij de Heer zal zijn. Paulus heeft in de strijd het geloof behouden, hij heeft de waarheid van dat geloof vastgehouden. Paulus heeft het evangelie verkondigd, daarbij een parcours volgend tot aan het eind. Nu hij aan het eind van zijn loop is, krijgt hij een krans omdat hij dit evangelie, de waarheid en het geloof in de waarheid, behouden heeft. Over de strijd van Paulus en over de geschiedenis van de eerste christenen willen we nadenken. Paulus heeft een strijd gevoerd, om – terwijl miljoenen het evangelie van de aarde vasthielden – het evangelie van het koninkrijk der hemelen te verkondigen. Nu zit hij in de gevangenis te Rome, Lucas is bij hem. Deze Lucas heeft het evangelie van Lucas en de Handelingen geschreven. In de cel van Paulus waar hij is geketend als een misdadiger, voeren ze gesprekken:

  • Allen, die in Christus Jezus naar Gods wil willen leven, zullen vervolgd worden’ schrijft Paulus aan Timotheüs (2 Tim.3:12)

Hij spreekt uit ervaring, denk maar aan Antiochië, Iconium en Lystra, het gebied waar Timotheüs vandaan kwam. Lucas beschrijft dit in Handelingen 13 tot 15. Paulus’ prediking over rechtvaardig zijn door geloof in de vergeving van zonden door Jezus Christus, wekte daar de woede op (1 Thess.2:15; Fil.3:2; Op.2:9). Zij geloofden liever in de werken van de wet, in zelfkastijding, in het iets moeten presteren. Elke keer als Paulus op zijn zendingsreis het evangelie bracht, werd hij – ondanks de zegeningen – tegengewerkt tot het stenigen aan toe. Paulus heeft veel gereisd, tot Illyrië aan toe, het vroegere Joegoslavië wat nu Albanië is.

Het eeuwig evangelie

Aan Timotheüs schrijft Paulus nu dat al die vervolgingen en die strijd niets zijn vergeleken met de rijkdom van het evangelie van het koninkrijk der hemelen. Hij heeft ontdekt dat het geheimenis van de geestelijke wereld, dat alle eeuwen door verborgen is geweest, ook in onze tijd(!), het enige evangelie tot ons behoud is. Hij heeft dat beschreven in de Hebreeënbrief, nadat het aan hem op betrouwbare wijze is overgeleverd en God heeft het bevestigd door veel tekens en krachten en Zijn Heilige Geest. Zo heeft ook Lucas beschreven in het boek Handelingen, dat Jezus na zijn opstanding 40 dagen lang met zijn leerlingen gesproken heeft, over alles wat op het Koninkrijk van God betrekking had. Hij schreef over de uitstorting van Gods Geest te Jeruzalem, waarna de apostelen voortgezet hebben wat Jezus was begonnen te doen en te leren (Hand.2). In de Handelingen lezen we ook over de uitwerking van de uitstorting van Heilige Geest, de gemeente groeide en sprak in nieuwe talen.

Ook als wij vervuld zijn met Gods Heilige Geest, zal de Heer door ons werken met tekens van herstel, zoals in de tijd van de eerste gemeente (Hand.5).

De apostelen brachten overal het evangelie. Ook een diaken, Filippus, ging op weg, hij predikte in Samaria de Christus (Hand.8). De boze geesten gingen schreeuwend en gillend uit. Deze eerste gemeente weerspiegelde het wezen van het evangelie van Jezus Christus. Ze vormden een geestelijke eenheid, de band onder de broers en zusters was vol eendracht, volkomen geleid door dit eeuwig evangelie (Op.14:6). God werkt daar doorheen met Zijn Geest.

De natuurlijke mens

Er was en is veel strijd, omdat dit evangelie botst met de natuurlijke mens. De mens wil wat zien, heeft iets zichtbaars nodig. Ze kunnen niets met de geestelijke wereld, daarom botst het ook zo met de joden, die allerlei zichtbare rituelen en tradities hebben. Ook veel christenen willen door hun werken iets bereiken, iets verdienen. Het gevaar voor de eerste gemeente was dan ook dat het christendom ingekapseld zou worden in het jodendom, zodat de joden deze ‘richting’ zouden kunnen beschouwen als een modaliteit (vergelijk de verschillende richtingen binnen de Hervormde Kerk en Roomse Kerk van nu). Binnen het jodendom is dit ook heel normaal, dus vroegen ze zich af hoe ze deze christenen zouden noemen. Eusebius beschrijft hoe ze binnen het jodendom bespraken welke deur Jezus toegewezen moest krijgen, maar Jezus zegt: ‘Ik ben de (enige) deur!’ Geen oecumene dus, geen in elkaar schuiven van christelijke waarden, inclusief de Heilige Geest in de joodse religie met zijn uitwendige, zichtbare vroomheid. Als dat was gebeurd, was het christendom nooit een wereldgodsdienst geworden. Het jodendom is verbonden aan een volk, ras en traditie. Maar er is niets traditioneels aan het christendom, het evangelie van Jezus Christus moet overal verkondigd kunnen worden, in alle vrijheid en zonder banden met een volk of voorgeslacht. Voor God zijn we allemaal hetzelfde, als we in de geestelijke wereld leven; er is geen sprake van jood of heiden, man of vrouw.

De wet met al zijn inspanningen is nutteloos en hopeloos

Paulus heeft het evangelie, vrij van de wet, gepredikt en het beschreven in zijn vele brieven. Het evangelie van de genade van God is ons deel, zodat wij deelgenoten zijn van een hemelse roeping. Paulus heeft zich verzet tegen de verjoodsing van het christendom. Hij bestrijdt de sabbatten, de spijswetten, de besnijdenis enz. en heeft ons geleerd dat de wet van de Geest van het Leven ons heeft vrijgemaakt van zonde en dood. De tien geboden kunnen de zonden nooit overwinnen, maar we zijn vrij van schuld door het bloed van Jezus Christus. Wij kunnen daarom de zonde overwinnen en de demonen uitdrijven door de kracht van Gods Geest. Zo weerstaan we de duivel en hij zal van ons wegvluchten. De vrome joden waren echter fanatiek op zoek naar wetsovertredingen van Paulus en de apostelen. Het is nu ook nog voor veel christenen moeilijk om de tien geboden als vervuld te beschouwen. Wat is er een strijd als het gaat over wat je wel of niet op zaterdag of zondag moet doen, de wet en de tien geboden hebben altijd de sfeer van de dood om zich heen. We treffen het nog steeds aan in allerlei kringen, zo wordt gebedsgenezing zelfs tot een wet gemaakt: omdat iemand met de oudsten gebeden heeft om genezing, zal er al genezing zijn! Denk aan de zonen van Sceva, die in de naam van Jezus, die Paulus predikt, boze geesten uit wilden bannen (Hand.19). Maar dit zal niet gebeuren zolang men werkt met rituelen en formules.

Als men niet geestelijk is en de kracht van Gods Geest niet in zijn hart heeft, is men niet vrij van de wet. Een leer van de aarde redt de mensen niet, de ware christenen worden daarom gehaat door iedere religieuze die aan regels en wetten gebonden is, zoals de joden met hun judaïsme, maar ook de kerken met de leer van de voorvaders. Jezus is gekruisigd door de wet, omdat Hij niet leefde overeenkomstig de joodse inzettingen en de regels van de farizeeën en Schriftgeleerden: ‘Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven’ (Joh.19:7). Jezus zei dat Hij de tempel zou afbreken, omdat ieder die gelooft, God zou aanbidden, niet in Jeruzalem en niet op de Gerizim, maar in geest en in waarheid. Deze uitspraak over de afbraak van de tempel was de afbraak van de liturgieën, van het ceremonieel, van het verdwijnen van de offers.

Het heerlijke van het evangelie van het koninkrijk der hemelen is tegelijk het aanstotelijke. De eerste gemeenten waren oprechte christenen, die net als de apostelen in de zuilengangen van de tempel te vinden waren. Maar toch was er veel tegenwerking en vijandschap. Zo werden Petrus en Johannes voor de Hoge Raad gesleept toen ze een verlamde man genazen (Hand.3). Dat gebeurde omdat zij leerden dat Jezus was opgestaan uit de doden, terwijl de priesters en de sadduceeën dat loochenden. De sadduceeën vormden ook een modaliteit binnen het jodendom, maar ‘zij konden geen vorm vinden om hen te straffen’ (Hand.4:21). Petrus en Johannes werden vrijgelaten onder dreigementen. Ook later worden de apostelen, als ze allemaal samen gevangen zitten, vrijgelaten maar deze keer door een engel van de Heer (Hand.5:19). En nog een keer worden ze gevangen genomen door een tempelwacht en weer gaat het over de opstanding. Deze keer worden ze vrijgelaten nadat Gamaliël, een farizeeër, die wel in de opstanding gelooft, de Raad gesust heeft met de woorden:

  • ‘Laat u niet in met deze mensen en laat hen geworden; want als dit streven of dit werk uit mensen is, zal het vernietigd worden, maar als het uit God is, zult u hen niet kunnen vernietigen; het mocht eens blijken, dat u tegen God strijdt’ (Hand.5:38,39).

Ze werden door de raad nog wel gegeseld (50 zweepslagen), maar daarna vrijgelaten. Heerlijk toch, die aardse Jodenaanbidding?

De Griekse Jood Stefanus

Maar de echte strijd begon pas bij Stefanus, een Griekse Jood, die in de synagoge zat. Aan de Griekse Joden vertelde hij dat de Allerhoogste niet woont in een tempel met handen gemaakt (Hand.6:8-15). Stefanus werd daarop gevangen genomen, omdat hij de zeden, de manier van leven van de joden had aangetast. Hij werd de eerste martelaar en Paulus (toen nog Saulus) was er getuige van. Hij hoorde ook bij die buitenlandse joden in de synagoge, hij was juist naar Jeruzalem gekomen om al die wetten en wetjes te bestuderen. Hij was woedend op Stefanus, hij geloofde in de leer van de aarde. Zijn woedende reactie was dan ook:

  • ‘En Saulus verwoestte de gemeente en hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mee en hij leverde hen over in de gevangenis’ (Hand.8:3).

Paulus schrijft later zelf over zijn daden:

  • ‘hoewel ik vroeger een godslasteraar en een vervolger en een geweldenaar was, is mij ontferming bewezen, omdat ik het in mijn onwetendheid, uit ongeloof, gedaan heb’ (1 Tim.1:13).

Op weg naar Damascus wordt Paulus door Jezus uitgekozen om aan de uitverkorenen te vertellen wat het verschil is tussen jodendom en christendom. Hij wordt vervolgens de grote strijder tegen het judaïsme. Prachtig zoals Jezus, ook nu, mensen gebruikt om de dwaling en leugen te weerleggen, mensen die door ervaring tot in de finesses bekend zijn met het gedachtengoed van valse leringen. Vaak zijn het mensen die heel goed geleerd hebben hoe een leer in elkaar zit, maar zij hadden geen enkele geloofsbeleving.

Paulus in Jeruzalem

Paulus wordt getoond hoeveel hij lijden moet ter wille van de naam van God (Hand.9:17). De vrome geest die Paulus in zich had terwijl hij christenen vervolgde, was uitgedreven. Maar deze geweldgeest (vrome geesten zijn altijd vol geweld) laat hem niet zomaar los, het is de engel van satan die hem telkens met vuisten slaat (2 Cor.12:7). Zoals eerder in dit artikel genoemd wordt Paulus op al zijn reizen steeds tot het uiterste getergd. In Jeruzalem werd hij ook niet gewaardeerd, hoewel de apostelen daar toch hetzelfde evangelie verkondigden. Hij vertrok daarom uit Jeruzalem en pas na 14 jaar kwam hij weer terug, nadat Barnabas hem is komen opzoeken (Gal.2). Met Titus, een onbesneden Jood, reizen ze naar Antiochië, waar Paulus een openbaring krijgt dat Agabus een hongersnood aankondigde (Hand.11:28). Omdat Antiochië een welvarende havenstad en Jeruzalem een verafgelegen stad is, waar alles erg duur is, vertrekken Paulus, Barnabas en Titus met goederen en geld naar Jeruzalem om de gemeente daar te helpen.

Paulus spreekt daar met Jacobus, Johannes en Petrus. Deze 3 leerlingen van Jezus waren altijd bij de belangrijkste gebeurtenissen tijdens Jezus’ rondwandeling op aarde geweest. Ze waren bij de opwekking van het dochtertje van Jaïrus, ze waren op de berg van de verheerlijking en in de hof van Gethsémane. Aan hen heeft Paulus daar te Jeruzalem uitgelegd wat zijn evangelie is (Gal.2), namelijk het evangelie wat hij aan de heidenen verkondigd. De heidenen hoefden geen joodse elementen over te nemen, zoals besnijdenis en sabbat. Paulus heeft deze mannen waarschijnlijk niet verteld dat zij ook geen joodse tradities hoefden vast te houden, maar hij vertelt hen hoe zij vrij konden worden van de wet en zij bekeerden zich.

Het boek Handelingen geeft een duidelijk chronologisch overzicht, want die ontmoeting van Paulus met de 3 apostelen staat in Handelingen 11. In hoofdstuk 10 staat dat er bij Petrus al een verandering van denken heeft plaats gevonden. Petrus krijgt een visioen van reine en onreine dieren. Hij moet er van eten van de Heer, maar in eerste instantie weigert hij dat. Als de Heer hem duidelijk maakt dat Hij alles wat onrein was, heilig heeft verklaard, gaat Petrus er van eten. Meteen daarna krijgt hij bezoek van de knechten van Cornelius, een hoofdman, een onbesneden Romein. Petrus moet hem gaan opzoeken, dat doet hij ook al is Cornelius geen jood. Jezus had hem dus voorbereid, zodat hij later ook Paulus accepteert. Johannes had er minder moeite mee waarschijnlijk, hij had te dicht bij Jezus geleefd om dit niet te begrijpen. Petrus, Johannes en Jacobus waren zeer in aanzien, ze worden de steunpilaren van de gemeente genoemd. Jacobus wordt ook wel ‘de oudere’ genoemd, hij was de oudste broer van Johannes. Er is nog een Jacobus, de broer van Jezus, hij wordt ‘de rechtvaardige’ genoemd. Jacobus, de oudere, geven met Petrus en Johannes aan Paulus de broederhand. Paulus gaat verder met het verkondigen van het evangelie van het koninkrijk der hemelen aan de heidenen.

In Hand.12 lezen we dat – na het vertrek van Paulus – Jacobus, de oudere, gevangen wordt genomen en even later onthoofd wordt door Herodes Agrippa de Eerste. De engel van satan, die duistere macht, werkt ontzaglijk door in het geslacht van de Herodessen. Eerst was er Herodes, de kindermoordenaar, nu is Agrippa I die Jacobus laat onthoofden en later staat Paulus voor Herodes Agrippa II (Hand.25). Agrippa I doodt Jacobus om de joden een gunst te verlenen. Deze Herodes, zeggen de geschiedschrijvers Eusebius en Clemens, ging elke dag naar de tempel en bracht daar elke dag zijn offers. Hij had zich daarvoor zelfs laten besnijden, hij was uiterst nauwkeurig in het naleven van regels, terwijl hij een leven leidde, dat niet door de beugel kon. Na de dood van Jacobus wordt Petrus gevangen gezet (zie dood van Herodes).

En hoe is het gegaan met Johannes? De moeder van Johannes en Jacobus had al een keer aan Jezus gevraagd of haar zonen aan de linker- en rechterkant van Hem mochten zitten. Jezus kon dat niet beloven, maar hij vroeg of ze de beker konden drinken die Jezus gedronken had en of ze ook met de doodsdoop gedoopt konden worden waarmee Jezus gedoopt werd. Zij beaamden toen dat zij dat konden. En zie, Jacobus werd gedood en was Johannes gevangenis op Patmos ‘om het woord Gods en het getuigenis van Jezus’ (Op.1:9). Johannes werd ook verdrukt vanwege het evangelie van het koninkrijk der hemelen. Later wordt hij gedood, vermeldt de kerkgeschiedenis. Paulus zegt: ‘U zult verdrukt worden en geboycot, gehaat en geminacht’.

Jacobus, broer van de Heer Jezus

Tot slot is daar ook Jacobus, de broer van de Heer. Eerst wou Jacobus niets weten van het evangelie dat zijn broer Jezus verkondigde (Joh.7), hij is later bekeerd nadat de Heer ook aan Jacobus is verschenen (1 Cor.15:7). Jacobus staat als eerste vermeld in de lijst van de 15 bisschoppen te Jeruzalem, hij was de leider van de eerste christengemeente (Hand.1). Van Jacobus wordt gezegd dat hij elke dag in de tempel was, dat hij daar elke dag op zijn knieën bad voor de zonden van het volk. ‘Zijn knieën waren van eelt, net als een kameel’, zo vaak bad hij. Hij was een Nazireeër, hij was een zuivere jood en een rechtvaardig man. Alle joden hadden respect voor hem, zelfs de farizeeën hadden ontzag voor hem. Hij is een wetsgetrouw man, regelmatig lezen we over ‘die van Jacobus waren’. Dat zijn Jacobus’ volgelingen die zich tegenover Paulus stellen en benadrukken dat Paulus zich moet laten besnijden. Jacobus was een voorbeeld van het samengaan van christendom en jodendom. Hij leefde trouw naar de wet; hij had Jezus en zijn leer bovenmate lief, maar ook zijn Joodse broeders naar het vlees. Op de vergadering te Jeruzalem zegt Jacobus:

  • ‘Val Paulus en de heidenen verder maar niet lastig, zij hoeven zich niet aan de joodse regels te houden, maar wij doen dat wel’ (naar Hand.15). Een ruimdenkend besluit, de band wordt niet verbroken, ‘wij laten elkaar vrij’. Maar hij voegde er toch nog eventjes aan toe: ‘Onthoud je wel van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed’ (vers 20).

Wat is er met Jacobus gebeurd?

  • Hij krijgt, al predikend over Jezus en over de tempeldienst, enorm veel aanhang onder de priesters. De hogepriester (Ananias) wil dat niet langer, hij zegt dat Jacobus tijdens het Paasfeest op de dakrand van de tempel moet gaan staan (waar Jezus stond toen Hij door de duivel verzocht werd (Luc.4:9). Jacobus moet dan tot het volk spreken en hen zeggen dat ze de tempeldienst moeten onderhouden. Hij mag niet over Jezus spreken, want Jezus was maar een deur in plaats van dé deur. Jacobus staat vervolgens op de tinnen (de rand) van de tempel en zegt: ‘Ik geloof in Jezus Christus, die gestorven en opgestaan is en aan de rechterhand van de Vader in de hemel zit. Hij zal terugkomen op de wolken’. Het volk begint Hosanna te roepen, waarop de hogepriester concludeert dat Jacobus, de rechtvaardige, in de fout is gegaan. Hij geeft de opdracht Jacobus van de tempelrand te stoten. Jacobus valt naar beneden, in het dal Kedron, hij leeft nog. De joden, vooral de Rechabieten, roepen dat de hogepriester Jacobus moet laten leven. Maar er komt een volder, die Jacobus doodslaat. Waar Jezus een geestelijk duwtje zou krijgen van de duivel, daar kreeg Jacobus een duw van de hogepriester, de handlanger van satan. Ook deze geschiedenis is opgetekend door Flavius Josephus.

De geschiedenis herhaalt zich, want we leven in een tijd dat men weer de aardse tempel wil herbouwen. Wij moeten één worden, één waar ook de jood bij hoort, maar niet met het aardse jodendom en zijn visies. We kijken met Abraham uit naar de hemelse stad Jeruzalem en zijn geestelijke tempel en dit wordt niet getolereerd door een christendom van de aarde. Dit betekent dat wij ook met geweld en strijd te maken hebben. In de geestelijke wereld, maar ook in de natuurlijke wereld, waarbij zelfs de rechtbank niet geschuwd wordt. Vanwege ons geloof en het volgen van Jezus, lopen we kans om aangeklaagd te worden, omdat we de joden zouden discrimineren, maar die discrimineren we niet. Het nepchristendom discrimineert juist ons, omdat we zeggen dat het christendom niet samengaat met het jodendom. Want zodra de tempel herbouwd wordt, worden we verplicht om weer de liturgieën en ceremonieën in stand houden, zoals de Maranathaleer en de aards Israëlleer. Maar wij kijken niet langer naar de aarde, daar wordt de chaos alleen maar groter. Geweld, haat en vijandschap is ons deel, maar wij zeggen wat Johannes opschreef, in opdracht van de Heer:

  • ‘Ze zeggen, dat zij Joden zijn, maar ze zijn een synagoge van de satan’ (Op.2:9). En met Paulus zeggen wij: ‘Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn’ (Col.3:2) en ‘Maar het hemelse Jeruzalem is vrij; en dat is onze moeder’ (Gal.4:26).

Met de apostelen wijzen we op de enige (en niet een), weg vàn Jezus, de weg van de geestelijke wereld. We zien niemand dan Jezus alleen. Zijn leer willen wij verkondigen en volgen.