2. Overdopers en de ban

Menno Simons (ca. 1496 – 31 januari 1561)

Een voortreffelijke leider die in Holland en Noord-Duitsland, te midden van het Munsterse tumult, naar voren kwam, was Menno Simons. Geboren in 1496 te Witmarsum in Friesland, werd Menno op zijn 28e jaar ingezegend als priester in de R.-k. kerk. Hij had ogenschijnlijk geen bijzondere religieuze overtuiging. Twijfels over de praktijken bij avondmaal en dopen brachten hem tot een onderzoek in de Bijbel en hierdoor verwierf hij nieuwe inzichten. In 1534 kwam Menno in aanraking met de Munsterse dwalingen in zijn eigen parochie van Witmarsum en zag dat veel vrome harten misleid werden. Terwijl hij op energieke manier de dwalingen van de Munstersen bestreed, werd Menno meer en meer door een ernstig innerlijk conflict in beslaggenomen. Zijn argumenten werden opgevat als een ondersteuning en verdediging van het Katholicisme, terwijl hij er juist innerlijk los van begon te komen.

Het beslissende moment kwam voor Menno in maart 1535, toen een groep van 300 mensen, waaronder Menno’s broer Pieter Simons zich aaneensloten om Munster te ondersteunen en zich meester te maken van ‘Het Oude Klooster’ vlakbij Witmarsum. Het resultaat was, dat zij omsingeld en gevangen genomen werden. Een deel sneuvelde in de strijd en de anderen werden terechtgesteld. Hoewel Menno het wel eens was met de fundamentele leer van de Dopersen, betreurde hij toch hun blinde ijver. De aanblik van deze verdwaalde schapen maakte op hem een diepe indruk. En zo gebeurde het dat Menno Simons – ongeveer een jaar na dit tragisch voorval – met de Rooms-katholieke Kerk brak en Anabaptist (overdoper) werd. Een jaar later – in 1537 – werd hij als voorganger ingezegend. Tot aan zijn dood in 1561 toe, trok hij rond van plaats tot plaats – terwijl er een prijs op zijn hoofd gesteld was – predikende en lerende om de Dopersen te versterken, want ze waren door dit alles theologisch helemaal ontredderd. Twee Bijbelse idealen stonden in zijn boodschap bovenaan, te weten heiligheid in de praktijk van het leven en de erkenning van de hoge plaats die de kerk bij de gelovigen moet innemen. Beide idealen waren gericht tegen ‘de valse profeten van de verdorven sekten, die in veel handelingen van de leer, de heerschappij en de maat van Christus overtraden’.

Van de doop naar de ban

In de Hebreeënbrief wordt gesproken over het ‘de eerste beginselen van de leer over Christus’. Men zal er tevergeefs zoeken naar een leer over de ban of excommunicatie. In hoofdstuk 6 van deze brief worden als fundamentele zaken opgesomd:

  • ‘bekering van dode werken,
  • geloof in God,
  • een leer van dopen (meervoud),
  • het opleggen van handen,
  • de opstanding van de doden en
  • het eeuwig oordeel’.

In de Schleitheimer artikelen (1527), het meest gezaghebbende leerstuk van de eerste Dopersen, treft men echter naast de zaken van de doop ook voorschriften over de ban aan. Twee jaar nadat de Dopersen hun fundament vonden in de doop op het geloof van hun eerste leiders te Zürich – waarbij van geen compromis meer sprake was – verzamelde zich een groep Dopersen in Schleitheim (Zwitserland) en stelde 7 geloofsartikelen op, waarover zij eensgezind waren. De Schleitheimer artikelen bevatten:

  • Doop,
  • Ban,
  • Avondmaal,
  • Afscheiding van de gruwelen,
  • Voorganger van de gemeente,
  • Het zwaard en
  • De Eed.

Het voorwoord van deze geloofsbelijdenis maakt duidelijk wat de aanleiding vormde tot deze opstelling en wat de broeders in hoofdzaak leerden. Een klein stukje eruit:

  • ‘Er is een heel groot kwaad in onze kerken binnengeslopen door bepaalde valse broeders. Zij zijn van het ware geloof afgeweken door de manier waarop zij menen de vrijheid van Christus en van zijn Geest te mogen gebruiken. Maar zij staan buiten de waarheid en geven zich tot hun eigen verderf over aan zelfzucht en wellust van het vlees. Zij denken dat geloof en liefde hen alles toestaat en dat niets hen schade zal doen of veroordelen, omdat zij gelovigen zijn’.

De belijdenis had dus een tweeledige taak en wel: Zij was nodig om de broeders te verenigen in een gemeenschappelijk geloof en zij moest de valse broeders aanwijzen en zichzelf middelen verschaffen om hen doeltreffend uit te rangeren. De 7 ‘geloofsartikelen’ opgebouwd op vermeende Bijbelse gronden, gaven concrete gedragslijnen voor de beweging. Deze subtiele verschuiving van innerlijke overtuiging naar uiterlijke onderwerping aan regels van de nieuwe kerk, doet de vraag rijzen of hiermee de kerk voldoende is beschermd tegen het indringend verderf en zonder dat de werking van Gods Heilige Geest wordt onderdrukt. Men kan dus eigenlijk de vraag stellen, of een kerk trouw kan blijven aan de Schrift zonder dat men de Geest aan banden legt.

De zuivere en ware kerk

De gemeente van de gelovigen was in de Doperse Beweging afgebakend van de wereld door de doop aan de ene kant en de ban aan de andere kant. Deze twee vormden nu vanzelfsprekend de ‘toegang’ en de ‘uitgang’ tot de zuivere en ware kerk. Deze moest waar zijn met betrekking tot haar leer en zuiver ten opzichte van het leefpatroon van haar leden. De ‘Schleitheimer artikelen’ hebben als eerste en voornaamste punt:

  • ‘Inachtneming van de doop: deze zal bediend worden aan allen die berouw hebben over hun zonden en zich instellen op verbetering van hun leven en die waarlijk geloven dat hun zonden zijn weggedragen door Christus; en aan allen die wandelen in de opstanding van Jezus Christus, omdat zij wensen met Hem begraven te zijn in de dood en met Hem een opstandingleven te leiden. Aan allen, die deze dingen voor ogen hebben en verzoeken gedoopt te worden en deze doop zelf begeren. Dit sluit elke babybesprenkeling uit, want die is de ergste en de hoofdgruwel van de paus. Hierin vindt u het fundament en getuigenis van de Apostelen, zoals beschreven in Mattheüs 28, Markus 16 en Handelingen 2,8,16,19. Dit willen wij eenvoudig, krachtig en met zekerheid handhaven’.

Het volgende artikel en wel dat over de ban is als zodanig geen geloofsbelijdenis, maar geeft aan de Beweging een schema, van waaruit zij een oordeel kan vellen over leer en leefwijze. Dit artikel is minder helder uiteen gezet dan het vorige. Er worden geen bepaalde richtlijnen gegeven voor het gebruik van de ban en daarom hangt de inhoud af van de interpretatie. Het verleent echter wel door zijn aanwezigheid kracht en autoriteit aan de andere leerstellingen, waar het tussen staat. Daarom is het niet te verwonderen dat de stelling over de ban, waarover de broeders het allen eens waren en die een beveiliging tegen verderfelijke invloeden was, later toch weer een grote bron van geschillen werd:

  • ‘Ten aanzien van de ban zijn wij het over het volgende eens: de ban zal worden toegepast aan diegenen, die zich eens aan de Heer hebben gegeven, om te wandelen in zijn geboden en aan allen, die gedoopt zijn in het ene lichaam van Christus en broers en zusters genoemd worden, maar die toch afwijken door dwaling en die door zonden worden overweldigd. Een zodanige zal tweemaal in het verborgene vermaand worden en de derde keer zal hij in het openbaar in de gemeente bestraft worden. Eerst dan zal hij in de ban worden gedaan, zoals Christus bevolen heeft volgens Mattheüs 18. Maar dit alles zal volgens de aanwijzing van de Heilige Geest plaats vinden vóórdat het avondmaal wordt gevierd, zodat wij één brood kunnen eten en breken en dan één van geest en één in liefde de ene beker kunnen drinken. De ban is te vergelijken met het zwaard, dat de wereldlijke magistraten gebruiken ‘tot bestraffing van boosdoeners’ (1 Petr.2:14). In de vervolmaking naar Christus wordt de ban alleen gebruikt als een waarschuwing en tot excommunicatie van degenen, die gezondigd hebben, maar zonder vlees te doden. Eenvoudigweg een waarschuwing en een bevel om niet meer te zondigen’.

Van Beweging tot kerk

De Dopersen waren aanvankelijk een ‘beweging’ en het is nog de vraag of we mogen spreken van dé ‘leer van de Doperse Kerk’. Maar zoals voor de gelovige de doop vaststond, zo scheen ook de kerkdiscipline en de ban de hele Beweging te doortrekken. In de toepassing van de ban ging Menno Simons (zie hierna) verder dan de Zwitserse broeders. Hij voegde de praktijk in van het ‘mijden’, dat wil zeggen het mijden van diegenen, die geband waren. Hoewel het ‘mijden’ van geëxcommuniceerden in de praktijk hard overkwam en door velen als on-Schriftuurlijk beschouwd wordt, zie ik toch, dat deze leer van de ban zijn blijvende sporen van vroomheid en volgzaamheid heeft achtergelaten.

Menno Simons en de ban

Om een beter inzicht te krijgen in deze tuchtmaatregelen en waartoe ze leiden, zullen we de geschriften van Menno wat uitgebreider bekijken. Zijn invloed op de Doperse beweging was niet alleen overal verspreid, maar had ook een blijvend effect. Menno heeft hierover meer geschreven dan enig andere leider. Hoewel hij op een revolutionair toneel verschijnen moest, is hij er in geslaagd de naam van de Dopersen te zuiveren. Door zijn toedoen werden de vele Mennonietenkerken tenslotte toch gerespecteerd. Menno legde er de nadruk op dat de ban gezien moest worden als een daad van liefde en niet van haat. Het doel was immers om de dwalende beschaamd te maken en hem weer terug te winnen. Maar de ban is ook ‘te vrezen’, want hij is een ‘overlevering aan de satan’, ja een openbare uitstoting uit de samenkomst van de gelovigen, het lichaam en het Koninkrijk van Christus.

Het toepassen van de ban is dus niet een persoonlijke kwestie, naar iemands eigen goeddunken, maar het is een zaak van de hele gemeente. De gemeente, bij monde van de voorganger en oudsten, zal de ban uitspreken om de kerk te beschermen tegen verwording, ‘zodat er niet een kwaadaardige ziekte wordt overgebracht op de andere schapen’. De verbanning is volgens Menno geheel gerechtvaardigd, want alleen zij worden uitgesloten, die zichzelf afscheiden en verbannen hadden van de christelijke gemeenschap door hun valse leer of hun zondig gedrag. Er was geen twijfel aan, dat de ban een uitvoering was van Gods verschrikkelijke oordeel en ‘tenzij de gebannene berouw kreeg, was zijn deel niet meer met de gezegende zielen in de hemel, maar voor eeuwig met de vervloekten in de hel’. In de praktijk mocht de ban alleen maar toegepast worden in de gemeente van de gelovigen: zodoende kon Gods oordeel afrekenen met grote morele zonden en met elke leer of aanverwante praktijk, die afwijkt van de gezonde leer van de gemeente.

Door Jezus Christus ingesteld?

Menno was er van overtuigd dat de ban, die hij leerde, door Jezus Christus Zelf was ingesteld en door zijn apostelen later was uitgewerkt. Daarom vond hij het nuttig om op zijn tijd over de ban te spreken. In Menno’s ogen betekende dit dat men de contacten met die broeders zou mijden, die zich overgaven aan:

  • ‘de Joodse leer van het zwaard, het aardse Koninkrijk, polygamie en dergelijke misleidingen, zoals naaktloperij en de opvatting dat men zich schaamteloos tegen de ander moet durven uitspreken. Ook tegenover hun leer, die strijdig is met het kruis van Christus, dat de reine alles rein is, ook het onreine. Verder elke gemeenschap aan kwade werken, zoals bijvoorbeeld het bijwonen van toespraken van wereldse predikers, van babybesprenkelingsdiensten, van een werelds avondmaal en dergelijke verfoeilijke gruwelen; ook dronkenschap, ontucht, overspel en onbetamelijke gesprekken behoren daartoe’.

Voor Menno gaan valse leer en een leven in zonde hand in hand. Vanuit deze stelling behandelt hij dan ook die gedeelten van de Schrift, die de leer van de ban ondersteunen. Hierbij wordt het onderscheid tussen valse profeten en immorele mensen erg vaag. Persoonlijk zou ik liever dit onderscheid wel willen handhaven, want in het licht van de Bijbel en met realiteitszin, moet ik zeggen dat het ene niet automatisch het andere inhoudt.

Geen middel gebleken om de gemeente samen te binden

Hoewel dit leerstuk ertoe gediend zou kunnen hebben om de gemeenteleden door angst van de immoraliteit af te houden, was het toch in geen geval een middel om de gemeente samen te binden. Negen jaar na deze eerste verhandeling over de kerktucht schreef Menno:

  • ‘Ik heb ontdekt, dat er bij sommigen al geruime tijd een strijd gaande is vanwege de ban en dan wel zo heftig en niets ontziend, dat ik bang ben dat de broederliefde bij velen eerder verwoest wordt dan dat zij bevorderd is en dat de vrede van Christus en haar eenheid eerder is af- dan toegenomen door deze zaken’.

Menno had inderdaad gelijk toen hij de woorden van Paulus aanhaalde, ‘dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk van God niet kunnen erven’ (1 Cor.6:9). Verlangend om dit te realiseren drong hij er op aan:

  • ‘Wij moeten in de kracht van het heilige Woord alle weerzinwekkende zondaars zoals ontuchtigen, overspelers, dronkaards uitsluiten van de heilige gemeente van de Heer en dat zonder openbare vermaning’.

Op deze manier werd de ban een zeer effectief middel om ieder lid, dat door grove zonden gekenmerkt was, uit te sluiten. Voor mij echter ligt de sleutel tot bovengenoemd Bijbelgedeelte in het bijna onbelangrijke aanhangsel, waar een opsomming wordt gegeven van onzedelijke mensen. Het is de zin: ‘En sommigen van u zijn dit geweest!’ (1 Cor.6:11). Hierin is de kracht van de Heilige Geest, die al een scheiding ten opzichte van het kwaad had teweeg gebracht, openbaar geworden.

Alleen door Gods Heilige Geest

Deze vermaning van Paulus stond in direct verband met het feit, dat de Corinthische gemeente de immoraliteit had toegelaten. Het waren niet slechts praatjes, maar Paulus kwam met harde feiten: ‘Iemand leeft met de vrouw van zijn vader’. Deze onzedelijkheid van het vlees was dan ook een ware bedreiging voor de gemeente geworden (1 Cor.5:1,5). Uit dit bepaalde geval concludeert Menno:

  • ‘Het is zonneklaar, dat Paulus deze leer van de ban niet alleen onderwees, maar haar ook door een duidelijk voorbeeld liet zien; want zonder voorafgaande vermaning oordeelde hij hem naar zijn goddeloze daad en bande hem – door het Woord en de Geest van de Heer – uit de gemeente en gaf hem prijs aan satan’.

Hoewel Paulus het gebod uit 1 Corinthiërs 5:13: ‘Doe, wie niet deugt uit uw midden weg’ aanhaalt, kan men toch zijn onderwijs tot vorming van een heilige gemeente niet simpel beperken tot een leer van de ban. Paulus’ boodschap aan de Corinthiërs was gebracht met betoon van Geest en kracht (1 Cor.2:4). Zijn prediking was ook een leer over de Geest, om naar de gezindheid van de Geest te wandelen en niet naar het vlees (1 Cor.2:12-16). Daarom, in deze context van de openbaring van kracht veroordeelt Paulus niet degenen die struikelen, maar diegenen die in zonde leven en er niet mee willen breken. Het kwaad in welke vorm dan ook, is iets dat niet bij de gemeente hoort en ook in wezen niet aanvaard kan worden. Het kan echter alleen worden uitgebannen door de kracht van de Heilige Geest en Hij bewerkt dit in de gelovigen, die bevrijd willen worden. Menno, die zo graag terug had gewild naar het onderwijs van de eerste gemeente, voelde zich aan het eind van zijn leven verplicht om toch nog een derde verhandeling te schrijven over de ban en het mijden (1558). Met dit geschrift wilde hij de kerk sterker funderen in de leer en de praktijk van de ban. Sommige oudsten immers waren te streng, andere te toegevend. Hij gaf hierin een aantal strakke regels over het toepassen van de ban, zoals:

  • ‘In een vergrijp van de ene broeder tegen de andere, gebruik dan drie vermaningen alvorens de ban toe te passen; in geval van een ketter of een dweper, gebruik er één of twee; als het gaat om een aanstootgevende, openbare vleselijke zondaar, die al veroordeeld is door het Woord van God, gebruik helemaal geen vermaning, zoals te lezen is in 1 Cor.5 en 2 Cor.13′.

Het accent kwam hierbij meer te liggen op veroordeling dan op behoud. Jacobus gaf van een andere opvatting blijk, toen hij zei:

  • ‘Broeders en zusters, als een van u afdwaalt van de waarheid en een ander laat hem daarheen terugkeren, dan mag hij weten: wie een zondaar van het dwaalspoor terugbrengt, redt hem van de dood en wist tal van zonden uit’ (Jac.5:19,20).

Met deze Bijbelse uitspraak voor ogen, maakte Menno ten aanzien van ketterij een onderscheid naar de al of niet aanwezige goede wil van de dwalende broeder. Volgens mij is dit verschil van intentie moeilijk te beoordelen in de praktijk. Menno zegt hierover:

  • ‘Wij zouden alle vrome zielen in de naam van Jezus willen verzoeken een zuiver onderscheid te maken tussen het liggen in de dood en het wandelen naar de dood. Dan zal bovengenoemde uitspraak van Jacobus Schriftuurlijk uitgelegd worden en het zal voor de frivole en dwalende zondaars geen valse vertroosting en ondersteuning betekenen’.

Een soortgelijk onderscheid – maar nu toch wat duidelijker – geldt de valse leraars. Hen dus, die de kudde afleiden van de waarheid en ook hen, die zulke leraars volgen. Wat de leraars zelf betreft, zegt Menno, dat men hen moet mijden. Hij schrijft:

  • ‘Wij hebben geleerd, dat wij ons moeten hoeden voor de honden en voor de versnijdenis en dat wij van een vreemde herder zullen wegvluchten (Fill.3:2 en Joh.10:5). Ook weten wij dat wij ketters en dweepzieke mensen moeten mijden en wel na één of twee waarschuwingen. Wij zullen hen niet groeten, noch in onze huizen ontvangen, want zij brengen niet de leer van Jezus Christus. Wij zullen ons terugtrekken van elke broeder, die zich ongeregeld gedraagt en die niet in de leer van de apostelen wandelt’.

De eerste christenen immers waren zich ervan bewust dat er valse profeten zouden opstaan en nog wel uit hun eigen midden. Zij hadden het evangelie in zijn volheid gehoord en beleefd. De Hervormers en de Anabaptisten hadden daar iets van geproefd en streefden daar opnieuw naar. Zij wilden zoals de eerste christenen, met gezag kunnen vaststellen:

  • ‘Wanneer iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en heet hem niet welkom. Want wie hem welkom heet, heeft geen deel aan zijn boze werken’ (2 Joh.10).

Interessant is het om te vermelden, dat Menno een theorie over de vleeswording van Christus verkondigde, die inhield ‘dat Christus geen vlees en bloed geworden is van Maria maar in Maria en dat Hij een hemelse vrucht, ofwel een mens (van God) geworden is’. Deze theorie over het hemelse vlees van Christus wordt echter door de Mennonieten van vandaag verworpen.

De praktijk met zijn problemen

De geëxcommuniceerde wordt in het openbaar in de kerk aangezegd, dat hij verstoten is uit de gemeenschap van Christus en van de kerk. Er wordt hem verteld, dat hij nu satans eigendom is, totdat hij de vruchten van een werkelijk berouw toont. Vanaf die dag moet het gebande lid door de hele kerkelijke gemeenschap worden gemeden, houdt Menno vol: 

  • ‘Want het is overduidelijk dat de apostolische ban zijn kracht bewerkt in de uiterlijke ‘mijding’. Want anders zou het gevaar, dat anderen besmet worden, niet zijn afgewend. Dit immers is de eerste en belangrijkste betekenis van de ban’.

De ijver om de leer van de ban te volgen en de letterlijke betekenis ervan uit te voeren, had tot gevolg, dat er veel regels en voorschriften moesten komen. Deze moesten dan antwoord geven op de nooit eindigende reeks van vragen over de toepassing ervan. In principe moesten de ban en het mijden zonder aanzien des persoons worden toegepast:

  • ‘Daarom maakt het niets uit of het vader of moeder betreft, zuster of broeder, man of vrouw, zoon of dochter, wie hij ook is, want Gods woord is op iedereen van toepassing’.

Het antwoord was dus altijd ‘ja’ op de klemmende vragen over het mijden, die steeds weer gesteld worden, zoals: ‘Moeten man en vrouw elkaar mijden met betrekking tot de ban en ook ouders en kinderen?’ Voor de uitvoering van deze strenge regels adviseerde Menno: 

  • ‘Ik zou wel voor hen zorgen en hun van de tijdelijke levensbehoeften voorzien, voor zover het in mijn vermogen lag’. De voor de hand liggende gevolgtrekking is dan wel: huwelijksscheiding. Menno hield daarbij echter vol: ‘Wij spreken niet van scheiden, maar van mijden’.

Maar hoe gemakkelijk kan een man zijn vrouw misleiden en bederven. Ook andersom. Daarom moet men weten, volgens Menno, dat ‘natuurlijke liefde voort moet komen uit geestelijke liefde’. Hij gaf er de voorkeur aan:

  • ‘dat een gelovige zijn natuurlijke liefde tot zijn echtgenote en de kinderen zou verminderen, maar dat hij zich daarnaast niet superieur moest gedragen, omdat hij in gemeenschap met God leeft’.

Het toepassingsgebied van het mijden bracht nog een ander probleem. In het algemeen was gesteld, dat de gemeenteleden zich van de geëxcommuniceerden strenger moesten distantiëren dan van de wereld. Maar, vraagt men:

  • ‘Mogen wij een gebande op een gewone, wereldse manier begroeten? Mogen wij aan gebande personen de soms noodzakelijke hulp verlenen naar liefde en barmhartigheid? Mogen wij bij de afvalligen kopen en aan hen verkopen? Mogen wij met hen in dezelfde reiskoets of hetzelfde schip zitten? Mogen wij met hen aan één tafel eten in een herberg?’

Menno’s eigen geschriften, vooral voor deze derde verhandeling over de excommunicatie, zouden hem ervan overtuigd moeten hebben, dat de zuivering en de eenheid van de kerk niet ligt in een leerstuk over de ban. Immers de toepassing ervan stelt steeds verdere eisen, waaraan niet meer te voldoen valt. Menno zegt in dit verband:

  • ‘De aartsvijand van onze zielen gaat geweldig te keer en gebruikt heel subtiel zijn oude listen en kunsten tegen de kerk, door zelf, zo lijkt het haast, een christen te worden…. Kortom hij speelt de rol van een echte, berouwvolle, nieuw geboren, onberispelijke christen. Maar tegelijkertijd let hij goed op, waar hij ons het gemakkelijkst kan aanvallen en het felst kan raken. Hij dringt graag binnen bij onze ontaarde en betoverde zielen, waarvan sommigen, zoals het schijnt, nog maar weinig weten over het wezen en de werking van Heilige Geest. Hij bestookt ze op een bekwame manier, want hij weet zijn bedoelingen heel mooi met Schriftwoorden te bedekken’.

Harold Benders zegt in een korte biografie over Menno Simons:

  • ‘De laatste jaren van Menno’s leven waren vrij somber vanwege de ernstige en soms bittere tegenstellingen met de westerse gemeenten over de zaken van discipline. Daarbij ging het dan hoofdzakelijk over de vraag hoe precies de ban en het mijden bij geëxcommuniceerde leden moest worden toegepast’. Maar hij voegt erbij: ‘De meer ernstige verwijdering vond plaats na Menno’s dood’.

De leer van de ban mag dan nu bij de Mennonieten in de meeste gevallen op de achtergrond geraakt of geheel verdwenen zijn, toch was zij een poging om vanuit een oprecht verlangen te komen tot een gemeente ‘zonder vlek of rimpel’ (Ef.5:27). Als we zien dat zelfs de gebruikte methoden getuigen van een streven in de goede richting, dan heeft de ban toch een blijvende indruk achtergelaten. Ondanks de slechte invloed van de revolutionaire ‘zieners’ uit de eerste dagen van de Dopersen, staat toch boven alles vast, dat deze christengemeenten geloofden in een zuivere eensgezinde kerk, die tot stand zou komen door het Woord en de werking van Gods Heilige Geest.

Gerekend onder de Hebreeën

De gruwelijke mishandelingen, die de Dopersen ondergingen, meestal gevolgd door executies (verdrinken, verbranden of doden met het zwaard) doet ons denken aan de kwetsbare positie, die de Hebreeën innamen. We vinden dit vermeld in de ‘Brief aan de Hebreeën’. Wat deze gelovigen uit het Oude en het Nieuwe Verbond met elkaar gemeen hebben, is hun geloof, waardoor zij moedig het lijden en de dood konden aanvaarden. Onder de Dopersen was bijvoorbeeld Michaël Sattler, een man die waarschijnlijk het grootste aandeel heeft gehad in het opstellen van de ‘Schleitheimer artikelen’. Hij werd gevangen genomen met dertien anderen; eerst onderworpen aan een genadeloos verhoor en daarna gemarteld. Toen hem de gelegenheid werd geboden zich door een advocaat te laten verdedigen, weigerde hij daarop in te gaan, omdat het hier niet om de burgerlijke wetten ging, maar om een zaak van geloof. Als gelovige moest hij zelf zijn zaak verdedigen. Op de dag van de executie werd zijn tong afgesneden en werd hij zeven maal met gloeiende ijzers opengereten, om daarna te worden verbrand. Over Sattlers vrouw, die nauw met hem verbonden was, schrijft Wilhelm Reublin:

  • ‘Op woensdag werd Michaëls vrouw meegevoerd naar de rivier de Neckar. Zij was door geen mensenwoord af te brengen van haar geloof. In grote vreugde en met een krachtige overtuiging accepteerde zij haar vonnis en onderging de dood. Prijst God! Alzo werd zij verdronken’.

Deze en onnoemelijk veel andere martelingen kunnen toegevoegd worden aan de reeks van geloofsgetuigenissen, waarbij de kinderen van God ‘in zwakheid kracht ontvingen, zichzelf lieten folteren en van geen vrijlating wilden weten, die bespotting en geseling hebben ondergaan’ (Hebreeën 11:32-38). Kortom de Dopersen kunnen onder die gelovigen gerekend worden, ‘die de wereld niet waard was om te bezitten’. De Hebreeën uit de eerste christengemeente begrepen deze verdrukkingen erg goed, want zij hadden zelf ook ‘regelmatig lijden moeten ondergaan’. De vraag rijst: waarom konden deze mensen zulke kwade bejegeningen en mishandelingen verdragen? Het antwoord ligt diep geworteld in de wereldbeschouwing, die karakteristiek is voor de Hebreeën:

  • ‘Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige’ (Hebreeën 13:14).