1. Op zoek naar een zuivere kerk

In het centrum van de 16e eeuwse hervormingsbeweging was een sterk verlangen om het naamchristendom te veranderen. Haar misvorming bleek duidelijk uit de hebzucht, de onbekwaamheid en de immoraliteit van de ‘geestelijkheid.’ Bij dit alles kwam dan nog de hoogmoed en de macht van de paus. De hervormers stevenden recht op hun doel af en troffen de Roomse Kerk in het hart door een aantal zaken aan de kaak te stellen, zoals:

  • het gezag van de paus;
  • de verdienste van goede werken;
  • de aflaatbrieven;
  • de verering van Maria;
  • de Heiligen en de Relikwieën;
  • de sacramenten (andere dan doop en avondmaal);
  • het dogma van de transsubstantiatie (verandering van brood en wijn in het lichaam en het bloed van Christus), het offer in de mis;
  • het vagevuur;
  • de gebeden voor doden,
  • de biecht;
  • het celibaat van de geestelijkheid;
  • het kloosterleven en
  • het gebruik van Latijn in de eredienst, waarvoor de taal van het land in de plaats moest komen.

In Duitsland protesteerde Maarten Luther tegen de corruptie van Rome. 31 oktober 1517 is de dag die gegeven wordt als het begin van de Reformatie, omdat Luther toen zijn 95 stellingen aansloeg aan de slotkapel van de Universiteit van Wittenberg. Luther, die uit wanhoop monnik was geworden om vrede met God te vinden, ontdekte dat alleen de genade van God het hart van het evangelie was. De mens wordt gerechtvaardigd uit geloof in Jezus Christus en niet uit goede werken. Met deze ontdekking ging er voor Maarten Luther een nieuwe wereld open, waardoor hij uitriep:

  • ‘Nu voel ik mijzelf opnieuw geboren en overgezet in het paradijs. De hele Schrift ziet er nu anders voor mij uit.’

Het volgen van Jezus

De Hervorming bezat drie fundamentele leerstellingen, te weten:

  1. Het absolute gezag van Gods Woord.
  2. De genade van Christus.
  3. Het algemeen priesterschap van de gelovigen.

Veel protestanten beschouwden dit slechts als een begin. Een van hen, de gewezen monnik Andreas Karlstadt, een oud collega van Luther, spoorde hem aan om in zijn prediking meer aandacht te gaan besteden aan het volgen van Jezus in het persoonlijke leven. Veel mensen geloofden namelijk, nu de klemtoon op de genade viel, dat de praktijk van het leven niet meer zo belangrijk was. Als men maar in Jezus geloofde!

De overdopers waren Luther erg dankbaar voor wat hij gedaan had in het herstel van het gezag van de Schrift boven het gezag van de mens. Maar voor hen was daarmee de Reformatie niet klaar. Zij vonden dat op sommige punten Luthers gedachten nog afweken van de Bijbelse leer. Dit betrof het avondmaal, waar volgens Luther Jezus werkelijk tegenwoordig zou zijn en de babybesprenkeling waar Luther reddingskracht aan toekende. De gemeente zoals de Dopersen die zagen, bestond alleen uit gelovigen. Zij waren het daarom ook niet eens met Luthers definitie, dat dáár sprake is van een gemeente, waar het woord van God wordt gepredikt en de sacramenten op de juiste wijze worden toegediend. Hun gemeente werd vrijwillig gevormd op basis van geloofsbelijdenis en niet op grond van de babybesprenkeling.

De Doperse Beweging begon op 21 januari 1521, nadat hun eerste leiders – Conrad Grebel, Felix Manz en George Blaurock – volwassen gedoopt waren IN water. Een bericht hierover werd gevonden in een brief van 1530 geschreven vanuit Glettgau, Zwitserland. Deze brief beschrijft met name het begin van de beweging en bevat ook een aanwijzing in welke richting de Anabaptisten (Overdopers) gingen. Zij schrijft over de betrekkingen van de Anabaptisten tot de Reformatie, het punt van hun afscheiding en de consequenties voor hun volgelingen:

  • ‘Daarom, geliefde broers en zusters, omdat u ons gevraagd hebt naar het begin van de Broederschap van de Zwitserse Broeders – het was omstreeks de tijd toen men het jaar 1522 schreef – dat Ulrich Zwingli, Conrad Grebel – een edelman – en Felix Manz, die allen zeer geleerde mannen waren in de Duitse, Latijnse, Griekse en Hebreeuwse taal, bij elkaar kwamen om geloofszaken te bespreken, ontdekten, dat de babybesprenkeling onnodig was en niet als doop erkend moest worden. Hierop geloofden en beleden de twee – Conrad en Felix – dat men overeenkomstig het christelijk bevel, gedoopt moest worden volgens de woorden van Christus: ‘Hij, die gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden’.

Dit leidde tot onenigheid tussen de drie. Ulrich Zwingli wilde dit niet en zei, dat het een beroering zou veroorzaken. Maar de twee eerder genoemde mannen waren van mening dat men Gods bevel niet kon negeren.

  • ‘En het gebeurde dat zij samen waren. Nadat zij in hoge mate door vrees bevangen waren, riepen zij God in de hemel aan, dat Hij hun barmhartigheid zou betonen. Toen stond George op en vroeg Conrad hem in de naam van de Heer Jezus te dopen en dit deed hij. Daarna doopte hij de anderen ook’.

Hierna werden priesters en andere mensen toegevoegd, die het echter spoedig met hun levens moesten bekopen. Zo ook de bovengenoemde Felix Manz, die daarbij de eerste was. Hij werd in Zurich verdronken. Wolfgang Uliman werd in Waltzen verbrand, samen met tien anderen, waaronder zijn broer, die zijn metgezel was. Hij was de zevende na hem en op die manier verbreidde de beweging zich met vervolging. De doop op het geloof werd dan ook niet licht opgevat; hij stond niet op zichzelf als een ‘dopers’ leerstuk, maar het was een concreet Bijbels getuigenis van een radicaal geloof, dat als zodanig niet kon worden genegeerd.

Kerk en Staat

Toen de toekomst van hun gemeente op het spel stond, besloten de Dopersen de Heer van de Gemeente te gehoorzamen, ook al zou het vervolging kosten. De Hervormers hadden ook het belang van hun kerk voor ogen, toen ze haar positie veilig wilden stellen. Ulrich Zwingli, de Zwitserse Hervormer, was van Luthers leeftijd en geboren in 1484. Dag aan dag was hij gewend om in de voorname kerk van Zurich direct vanuit de Bijbel te preken. Net als Luther, hoewel hij praktisch niet door hem beïnvloed was, stelde hij zich kritisch op tegenover de traditionele praktijken van het Rooms-katholicisme. In sommige opzichten was hij zelfs radicaler. Om een kerkhervorming te ondersteunen trad Zwingli af als priester en verwierp daarmee het gezag van de Rooms-katholieke Kerk.

De vijandschap van de Rooms-katholieke kant tegen de hervormers, dit is tegen de ‘ketters’, moet niet onderschat worden en het feit dat de gemeenteraad van Zurich Zwingli onmiddellijk in zijn oude positie herstelde, scheen de oplossing te zijn in deze kwetsbare toestand. Het werd van toen af aan al heel duidelijk, dat de gemeente niet alleen onder de bescherming van de burgerlijke overheid stond, maar ook onder haar macht. Deze on-Bijbelse verbinding tussen gemeente en staat hinderde de gemeente in haar ontwikkeling. De plaatselijke gemeenteraad had geen haast om welke verandering dan ook van religieuze praktijken goed te keuren en om die in overeenstemming te brengen met Zwingli’s opvattingen. Voor de burgerlijke gemeente was het belangrijkste om de openbare rust te bewaren en de toestand, zoals die was, te handhaven. Zwingli was zich van het dreigende conflict goed bewust en begon toe te geven, door kerkelijke beslissingen uit te stellen of tot een compromis met de staat te brengen.

Op Bijbelse gronden had Zwingli aangetoond, dat de traditionele Katholieke mis vervangen moest worden door een evangelische avondmaal dienst, waarbij alle leden de beker zouden drinken en niet alleen de priesters. Ondanks deze overtuiging van Zwingli bleek in een discussie met zijn intieme volgelingen toch duidelijk, dat hij een tegenzin had om op deze weg verder te gaan en dat hij zich distantieerde van de radicale geest van sommigen van zijn volgelingen. De notulen van het debat vermelden:

  • Zwingli: mijn Overheid (de Gemeenteraad) zal beslissen hoe wij nu met de Mis verder moeten gaan.
  • Simon Stumpf: Meester Ulrich, u hebt niet het recht de beslissing in handen van de Overheid te leggen, want de beslissing is al genomen. De Geest van God beslist.
  • Zwingli: Dat is juist. Ik zal dienovereenkomstig spreken en handelen, wanneer zij verkeerd beslissen. Ik leg de beslissing niet in hun handen. Ook zal ik geen oordeel over Gods Woord uitspreken. Hierna zal de Gemeenteraad overwegen op welke meest passende wijze dit gedaan kan worden zonder de rust te verstoren.

De rustverstoring, die Zwingli ten koste van alles had willen voorkomen, brak ongeveer een jaar later toch los. Zoals al eerder vermeld was de beslissende stap, die tot scheuring aanleiding gaf, de wederdoop (de ‘over’doop) van volwassen gelovigen, die als baby al besprenkeld waren. Het moet hier ook vermeld worden dat in het begin van de Hervorming zowel Luther als Zwingli zich sceptisch opgesteld hadden tegenover de Rooms-katholieke praktijken van de babybesprenkeling. Beiden verklaarden uitdrukkelijk dat de kerkelijke sacramenten geen enkele reddende betekenis hadden. Toen Luther onder de ban kwam van de Roomse Kerk, ervoer hij de bescherming van de burgerlijke overheid. In de daaropvolgende kritieke tijd – dat is, zoals Luther het pleegde te zeggen, de uittocht uit Babylon – zocht hij naar hulp vanuit deze hoek. Op 8 juni 1520 schreef hij aan Spalatin:

  • ‘Ik ben van plan een krachtig bezwaarschrift in te dienen bij Keizer Karel en de Duitse Adel tegen de tirannie en laaghartigheid van de Roomse curie (het pauselijke hof)’.

In de loop van dat jaar werd een schrijven: ‘Aan de Christelijke Adel van de Duitse Natie’ gepubliceerd. In deze verhandeling bevestigde Luther niet alleen het priesterschap van alle gelovigen, maar verleende aan de kroon en de Duitse adel de verantwoordelijkheid en het recht om zich te mengen in kerkelijke zaken om zo de hervorming te voltooien. Ook Johannes Calvijn stelde zich afhankelijk van de burgerlijke overheid. In 1541 kreeg hij het in Genève uiteindelijk voor elkaar dat er op aarde een nauwgezet georganiseerde Godsregering aanvaard moest worden. Toen eenmaal deze nieuwe kerkorde – op aandringen van Calvijn – door het Stadsbestuur van Genève werd aanvaard, ontstond een situatie, die ogenschijnlijk het spiegelbeeld was van de Kerk-Staat verhouding, die Luther en Zwingli voorstonden.

Omdat nu kerk en staat twee zijden vormden van dezelfde leefgemeenschap, bepaalden de ‘Ordonnances Ecclésiastiques’ (Kerkelijke Voorschriften) ook het burgerlijk leven in de stad en er bleef maar een heel smal pad over naar de christelijke volmaking. In het licht van de revolutionaire tijden, waarin de Reformatie zich bevond, leek deze fusie van kerk en staat raadzaam en zelfs gerechtvaardigd, ware het niet, dat de gemeente, het lichaam van de ware gelovigen, niet gewaarborgd kan worden door een burgerlijke autoriteit, maar haar behoud moet vinden in gehoorzaamheid aan de Heer van de gemeente, Jezus Christus. De bron van Gods gezag was te vinden in de Schriften, zoals de Hervormers beleden en de Anabaptisten het inderdaad geloofden. Waar nu de Hervormers hun invloed op de burgerlijke autoriteit gebruikten om de radicale gelovigen te onderdrukken, gebruikten zij dezelfde methoden van vervolging als de Roomse Kerk tegen hen had gebruikt. Helaas, het is waar, dat de kracht om uit te breken uit de Rooms-katholieke traditie, nu werd aangewend om het ware christelijk geloof te verderven.

Het verderf in eigen gelederen

Luther gooide de hele Doperse Beweging op één hoop met de Zwickauer profeten, de Münzerianen (volgelingen van Thomas Münzer) en lieden van de Boerenopstand. Kortom, allen, die van mening waren dat de Reformatie niet ver genoeg was gegaan, werden door Luther bestempeld als fanatici. Een van zijn geliefde uitdrukkingen voor hen was: ‘Schwärmer’ of dwepers, dus mensen, die door impulsen en emoties worden geleid en niet door gezond verstand.

Thomas Müntzer en de Boerenopstand

Thomas Müntzer was een van hen, die Luther heel wat moeite bezorgde. Hij was van Luthers leeftijd, ingewijd als priester, beïnvloed door Luthers onderwijs (1519) en ging op diens aanbeveling als predikant naar Zwickau, een stadje in Oost-Saksen. Hier kwam Müntzer onder de invloed van de Zwickauer profeten. Het waren drie mannen, die zo genoemd werden, omdat zij streefden naar het doorgeven van geestelijke visioenen en deze stelden boven het geven van Bijbels onderwijs. In 1521 werd aan deze profeten de gelegenheid gegeven om hierover onderwijs te geven aan de Hervormers te Wittenberg. Luther kreeg hiervan zo de schrik te pakken dat hij de profeten de laan uitzond. Müntzer gaf hierover als zijn mening te kennen, dat hij Luther niet meer vertrouwde, ook al had hij een dozijn Bijbels ingeslikt. Luther antwoordde daarop dat hij Müntzer niet meer vertrouwde, ook al had hij de Heilige Geest met veren en al verzwolgen.

In Müntzers onderwijs was een duidelijk dualisme (tweeslachtigheid) tussen de geest en de letter van de Schrift te bespeuren. Hij verwierp niet alleen de babybesprenkeling, maar de hele doop. Zei de Schrift niet: ‘de letter doodt maar de Geest maakt levend’? (2 Corinthe 3:6). Voor Müntzer was de Geest de grondslag, waarop de gemeente moest rusten. Zij, die een innerlijke beleving van de Geest bezitten, herkennen elkaar en moeten samenkomen in een verbond van uitverkorenen, wier taak het is om het Koninkrijk van God op te richten. Echter, de uitverkorenen konden geen toegang krijgen tot hun erfenis zonder strijd. Uit dit standpunt – als een parodie op ‘de Geest, die leven geeft’ – volgt dan, dat de uitverkorenen de goddelozen moesten afslachten. Alleen in die zin was Müntzer radicaal! In juli 1524 wordt Müntzer ontboden om voor de Saksische prinsen een preek te houden. Terwijl hij over de aard en inhoud van de taak van de prinsen sprak, gaf Müntzer aan zijn vijandige, radicale gezindheid de vrije teugel:

  • ‘Denk niet dat de kracht van God openbaar wordt als het zwaard in de schede blijft rusten. Het zwaard is aan u gegeven om de goddelozen uit te roeien. Als u weigert, zal het van u afgenomen worden. Degenen, die tegenstand bieden, moeten worden afgeslacht, zoals Elia dat deed met de Baälspriesters. Priesters en monniken die dit evangelie bespottelijk maken, zullen moeten worden gedood. De goddelozen hebben geen recht om te leven’.

Vervolgens drong Müntzer erop aan dat hij aangesteld zou worden als een Daniël, ‘om u voor te lichten over de leiding van de Heilige Geest’. De prinsen wezen zijn voorstel echter van de hand en verbraken ieder contact. Tenslotte verschijnt Müntzer in het kamp van de boeren. Dezen zagen in hem de man, die hen kon helpen in hun strijd tegen de onderdrukking door de adel. In een militaire krachtmeting op 15 mei 1525 te Frankenhausen werden duizenden boeren gedood door de goed gewapende edelen. Müntzer zelf werd in deze Boerenopstand gevangen genomen, gemarteld en ter dood gebracht. Nadat de eerste stoot van de Reformatie in Europa doorgedrongen was, groeide overal het verlangen om verder te gaan.

De Zwitserse bron van de Doperse Beweging stroomde in korte tijd naar Duitsland en Holland, waar de Anabaptisten later Mennonieten werden genoemd. Maar voordat deze stroming als zodanig werd geïdentificeerd, was er eerst een groot kwaad in de prediking van de Dopersen gekomen, dat zijn dodelijke sporen van fanatisme en revolutie in het denken van de mensen had achtergelaten. Het hierna volgende over de Münzerianen probeert een indruk te geven hoe verschrikkelijk het einde kan zijn van het leven van vurige gelovigen, die misleid worden door een revolutionaire ideologie.

Melchior Hoffmann

De aanstoker van de revolutionaire Dopersen was Melchior Hoffmann. Hij was het helaas, die de Doperse Beweging naar Nederland bracht. Melchior werd geboren in 1493 in Duitsland. Hij reisde als een zichzelf onderwezen en aangestelde Lutherse prediker in het noorden van Europa rond, tot hij in Straatsburg in aanraking kwam met de ideeën van de Dopersen, die hij geheel overnam. Vandaar ging hij in 1530 naar Emden om daar driehonderd mensen in het openbaar in de kerk te dopen. Zijn belangstelling voor de profetische gave leidde hem tot extreme ideeën over de nabijheid van Christus’ terugkomst en de vestiging van Zijn koninkrijk op aarde. De ‘profetieën’ dat Straatsburg het geestelijk Jeruzalem worden zou, schenen zijn leer te bevestigen. Zijn volgelingen leefden in het geloof dat Melchior de Elia was, die komen zou, om het Koninkrijk aan te kondigen. Handelend overeenkomstig de profetieën vertrok Melchior naar Straatsburg, waar hij begon te prediken en te onderwijzen. Het lijden dat hem daar wachtte, werd als een deel van zijn zending gezien, want een profeet had gezegd dat hij gedurende een halfjaar in de gevangenis zou zitten. Een van zijn volgelingen, Obbe Philps, een gedesillusioneerde ‘Melchioriet’, gaf het volgende verslag ervan. Hij schreef in: ‘Een bekentenis’:

  • ‘Toen Melchior zag, dat hij op weg was naar de gevangenis, dankte hij God, dat dit profetische uur was gekomen. Hij gooide zijn hoed van zijn hoofd, nam een mes en sneed zijn broek af bij de enkels; gooide zijn schoenen weg, strekte zijn handen uit naar de hemel en zwoer daar hij de levende God, die van eeuwigheid tot eeuwigheid leeft, dat hij geen voedsel noch enige andere drank tot zich zou nemen – behalve brood en water – totdat de tijd gekomen was, dat hij met zijn hand en uitgestrekte vingers Diegene kon aanwijzen, Die hem gezonden had. En hiermee ging hij gewillig, opgewekt en met goede moed naar de gevangenis’.

Melchior bleef ongeveer tien jaar, tot aan zijn dood, in de gevangenis, maar zijn boodschap ging door.

Jan Matthijsz

Tijdens de gevangenschap van Melchior maakte een van zijn leerlingen, Jan Matthijsz, zich op om het leiderschap over te nemen. Hij liet zijn oudere vrouw in de steek en ging met een jong meisje naar Amsterdam. Hier begon hij net als Melchior, apostelen uit te zenden. Sommigen van hen gingen naar de stad Munster, waar zij met open armen werden ontvangen. In 1534 kwam Matthijsz zelf naar Munster, waar hij langzamerhand het beheer van de stad overnam. Het visioen dat Munster het nieuwe Jeruzalem was in plaats van Straatsburg, kreeg een enorme aanhang onder de ‘gelovigen’ en honderden van hen trokken naar deze stad om deel te krijgen aan het Koninkrijk. In tegenstelling tot Melchior kon Matthijsz niet zijn tijd afwachten, maar ging vertellen dat de terugkomst van Jezus Christus en de vestiging van zijn Koninkrijk afhankelijk waren van het uitroeien van de goddelozen door middel van de wapens. Het gevolg van deze strijdlust van de Münzerianen was, dat het ‘Nieuwe Jeruzalem’ door de vorsten werd omsingeld en dat Jan Matthijsz in de strijd het leven liet.

Jan van Leiden

Jan Matthijsz werd opgevolgd door Jan van Leiden (Jan Beukelszoon), ook een Hollander, die nog pas in zijn twintiger jaren was. Hij proclameerde zichzelf als de nieuwe koning David, die met ijzeren hand zou regeren. Zijn doel was de stad om te vormen naar een Bijbels patroon. Alle boeken, behalve de Bijbel, werden verbrand en zowel communisme als polygamie werden ingevoerd. Uiteindelijk viel Munster weer – na een verschrikkelijk lijden door honger en ziekte – in handen van de vorsten en Jan van Leiden werd samen met de overgebleven Dopersen, gemarteld en ter dood gebracht. De revolutionaire geest, waar de Anabaptisten mee behept waren, spreidde zich voort als een bosbrand. In Amsterdam geloofde men dat de stad toebehoorde aan GroenLinks Gods kinderen en het ene oproer volgde op het andere. In februari 1535 verkondigden zeven naaktlopers de ‘naakte waarheid’, dat het apocalyptisch oordeel nabij was en dat de komst van een ultra communistisch paradijs voor de deur stond. Uit hun boodschap was duidelijk te verstaan dat deze Anabaptisten hun verstand hadden verloren (Amsterdam – what’s new…).

Op 10 mei van dat jaar kwam dit gebeuren tot een climax, toen een groep van 33 oproerlingen het stadhuis bezetten, waar zij 24 uur later werden overmeesterd. De radicale ‘Munstersen’ hadden op deze manier de Dopersen in een zeer kwade reuk gebracht. Voor de tegenpartij was de stad Munster het bewijs geworden, dat de Doperse Beweging zou leiden tot immoraliteit en opstand tegen het wettig gezag. Voor de sympathisanten was het gebeuren te Munster een waarschuwing en een aanwijzing om toch maar met de Hervorming tevreden te zijn. Voor de overgebleven gelovigen mondde dit daarin uit, dat zij probeerden zich van alle immoraliteit te ontdoen, zich stipt aan de Schrift te houden en waakzaam te zijn tegenover elke geestdrijverij.

Protestantse Inquisitie

De Roomse inquisitie m.b.t. de ‘ketters’ is overal bekend. Minder bekend is, dat Zwingli de Dopersen, onmiddellijk na hun afscheiding van de Hervormers, aan de doodstraf bloot stelde. Luther zou aanvankelijk wat toleranter geweest zijn tegenover de Dopersen. In 1527 schreef hij: ‘Tenzij er een opstand is, moet men hen bestrijden met Gods Woord. Met vuur bereik je niets’. Maar in 1536 wijzigde hij zijn houding en ondertekende een geschrift, opgesteld door Melanchton, waarin aangeraden werd om alle Dopersen te doden, zelfs degenen, die vredelievend waren. Ondanks de revolutie van Munster rijst hier toch de vraag: ‘Waarom Luther hier zo’n belangrijke wijziging in zijn oordeel heeft gebracht’. Het antwoord ligt in de hechte Kerk-Staat verhouding, waarvan de naleving de wederzijdse belangen zou bevorderen. Want zolang de interesses van Kerk en Staat met elkaar verweven zijn, zullen zij samen één front vormen. Daarom adviseerde Luther aan de burgerlijke overheid om af te rekenen met de ketters – dat zijn de Dopersen – omdat zij door hun leer ingaan tegen het wettig gezag van de bananenkartels.

De afschaffing van de babybesprenkeling zou een heidense samenleving voortbrengen en afval van de Kerk. Dit betekent voor de magistraten, dat zij de Dopersen moesten discrimineren op grond van hun geloof en niet alleen maar wegens opruiende praktijken. Het is een groot wonder dat de Dopersen in Holland en in Duitsland het, ondanks de vervolging van buitenaf en de verwording van binnenuit, overleefd hebben. Bovendien blijken zij in staat geweest te zijn om de wortel van het aanvankelijk bederf uit te roeien en – ondanks de vervolgingen – toch voorbeeldige levens voort te brengen.