Ananias en Saffira

De eerste gemeente

En een zeker man, met name Ananias, met zijn vrouw Saffira, verkocht een eigendom, hield iets van de opbrengst achter, met medeweten van zijn vrouw en bracht een zeker deel en legde het aan de voeten van de apostelen. Maar Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld om de Heilige Geest te bedriegen en iets achter te houden van de opbrengst van het stuk land? Wat heeft je bezield om je zo te gedragen? Niet de mensen heb je bedrogen, maar God zelf. Bij het horen van deze woorden viel Ananias neer en stierf en iedereen die dit hoorde, schrok hevig (Hand.5:1-5).

Het is goed om stil te staan bij het leven van de eerste gemeente. We weten hoe snel de eerste gemeente gegroeid is: op de Pinksterdag 3000, enkele dagen later zijn het al 5000 mannen, de vrouwen worden daarbij niet meegeteld. In Handelingen 2:42 lezen we dat die duizenden mensen dag en nacht bezig waren met de hemelse gewesten. Ze kregen onderwijs, ze braken het brood, ze verspreidden het evangelie. Dit alles vond plaats in de zuilengang van Salomo, een heel grote ruimte waar veel mensen geherbergd konden worden. De mensen wisten van geen ophouden, ze volharden, in een andere vertaling staat: ‘ze namen voortdurend deel aan het onderricht van de apostelen’. Voordat ze weer terug gingen naar hun eigen land, hun eigen woonplaats, hadden ze een heel aantal lessen gevolgd. De apostelen hadden het heel druk om eerst 3000 en later 5000 mannen (plus daarbij de vrouwen) alles te vertellen over het koninkrijk der hemelen. Alles moest mondeling gebeuren, ze hadden de taak om het Oude Testament te verklaren vanuit de leer van Jezus. Zo ontstond de eerste gemeente, een machtig begin, te Jeruzalem. Geen wonder dat er na het vertrek van al die mensen, zoveel gemeenten ontstaan.

Het was niet alleen het woord, er gebeurden ook veel wonderen en tekens (Hand.2:43). Er waren bijzondere genezingen, zoals de verlamde man aan de poort, de Schone. Zo’n genezing trekt mensen aan, het publiek had open oren en open ogen om te vernemen wat God deed voor Zijn volk, ze kwamen er zelfs voor uit het buitenland, zoals de eunuch uit Ethiopië. Oudere mensen kochten een akker en een huis, zodat zij in de buurt van de tempel konden gaan wonen. En telkens weer verkondigen de apostelen de boodschap dat Jezus de Christus is en dat er buiten Hem niets anders is. Petrus haalt daarbij de woorden van Mozes aan (Hand.3:22): ‘Mozes toch heeft gezegd: De Heer God zal u een profeet doen opstaan uit uw broers, zoals ik: naar Hem zult u horen in alles wat Hij tot u spreken zal’.

Die boodschap geldt ook vandaag nog, voor ieder mens, zeker ook voor de Jood, met als consequentie: ‘en het zal gebeuren, dat alle zielen, die naar deze profeet niet luisteren, uit het volk zullen worden uitgeroeid’ (2:23). Hier komt duidelijk naar voren dat God geen band heeft met het natuurlijk Israël dat Jezus verwerpt. Het is geen wonder dat de overpriesters en de sadduceeën boos worden. Dit evangelie zet hun natie niet op de troon, zij horen gewoon bij alle andere volken, waarvan Petrus zegt: ‘Bekeer u en laat u behouden uit dit verkeerde geslacht’. Daarnaast ergerden zij zich aan de apostelen, lekenpredikers zonder opleiding maar met een enorm publiek. Zo wordt er nog steeds gesproken over voorgangers van gemeenten waar het eeuwig evangelie wordt verkondigd: ‘Waar halen ze het vandaan? Ze hebben niet eens theologie gestudeerd’. In 4:13 staat: ‘Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en gemerkt hadden – letterlijk staat er: begrepen hadden – dat zij ongeletterde en eenvoudige mensen uit het volk waren, verwonderden zij zich en zij herkenden hen, dat zij met Jezus geweest waren’. Toen begrepen ze: ‘O ze waren altijd bij Jezus en toen zijn ze zo merkwaardig geworden’.

Organisatie

Elke dag stroomden duizenden mensen de tempel binnen. Aan het eind van de dag moesten ze op zoek gaan naar een slaapplek. De rijkere broers en zusters te Jeruzalem waren dan de eerst aangewezenen om hun op te vangen. Van de apostelen staat geschreven dat zij ten eerste bezig waren met de bediening van het Woord, ten tweede met de dienst van de gebeden en daarnaast ook nog met de maaltijden. Zij droegen zorg voor de armere mensen, die daar verbleven. Doordat ze daar waren, konden ze niet werken, dus ook niets verdienen. Dus waren de apostelen de eerst aangewezenen om voor hen te zorgen. Vandaar de verkoop van goederen om eten te kunnen kopen voor de duizenden die gevoed moesten worden. De mensen die hun goederen verkochten, vonden dat geen enkel probleem. Als het evangelie maar bekend gemaakt werd. Ze brengen in praktijk wat er ook in de tijd van Jezus gebeurde: ‘Geven jullie ze te eten’. Met oosterse gastvrijheid werden ze ontvangen. Ze deden daarin alles gemeenschappelijk. Ze waren niet in een cultureel marxistische centrum en ze braken hun gezinnen niet af, maar ze waren eensgezind in het zorgen voor de gasten van ver. Alle gasten lagen aan, zoals men dat daar gewend was.

Voor de weduwen was een aparte plaats om aan te liggen, het was niet gebruikelijk dat zij aanlagen aan een tafel waar mannen aanwezig waren. Vandaar dat er staat: ‘De apostelen bedienden de tafels van de weduwen’. In hoofdstuk 6 is er sprake van een geschil: de Griekssprekende Joden, zij die uit het buitenland kwamen, voelden zich achtergesteld bij de weduwen. Op dat moment geven de apostelen aan dat zij het vele werk niet meer aankunnen. Met name het breken van het brood, huis aan huis (hier is geen sprake van het vieren van het Avondmaal), was erg arbeidsintensief. Daarom zeggen zij: Zoek maar bekwame medewerkers. Daarop worden 7 diakens gekozen, aan hun namen te horen zijn het allemaal Grieken. Voor de apostelen blijft het bedienen van het Woord en dienst van het gebed over. Denk bij het bidden niet aan de nachtbidstonden, waar je boete moet doen, maar aan de vele gebeden van bevrijding en verlossing. Daar in Jeruzalem moesten ontzettend veel mensen bevrijd worden. En dat paste bij het werk van de apostelen. Zo was er grote blijdschap bij allen die daar aanwezig waren.

Het is logisch dat er veel geld voor nodig was om dat allemaal goed te organiseren. Ook nu nog is het voor een gemeente een vanzelfsprekende zaak dat men samen verantwoordelijk is, waarbij de één meer kan geven aan geld en goederen dan de ander. We lezen in 4:32: ‘En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel en ook niet één zei dat iets van wat hij bezat zijn persoonlijk eigendom was, maar zij hadden alles gemeenschappelijk’. Ze leefden niet in een commune en hebben niet alles op één grote hoop gegooid, maar het gemeenschappelijke bestond hieruit dat zij allemaal wilden leven in het Koninkrijk der Hemelen. De rest was bijzaak. Ze waren één van ziel, van geloof, van hart.

Als je eenheid wilt hebben binnen een gemeente, moet je één zijn van denken in de geestelijke wereld. Het grote struikelblok in een gemeente wordt gevormd, doordat men niet één en dezelfde waarheid vasthoudt. Ieder wil vasthouden aan zijn eigen gelijk, daardoor komt de gemeente in een leugen terecht, is men met handen en voeten gebonden aan menselijke instellingen en niet te vergeten aan boze geesten. Vanuit de eenheid van denken kan God wonderen en tekens bewerken. Die eenheid is het belangrijkste in de gemeente. Daar vindt de individu zijn veiligheid, zijn thuis en wordt iedereen gerespecteerd. Daar is vrede en gerechtigheid, daar is blijdschap. Zo ervaren we het heerlijke klimaat van Gods Koninkrijk. En zo heeft de eerste gemeente zich uitgebreid. Daar ging een aantrekkingskracht van uit voor de verdwaalden en de verbrokenen van hart. En die sfeer willen wij ook met ons meedragen, in ons gezin en in de gemeente.

Het boek Handelingen beschrijft mensen uit de eerste gemeente. Zo is daar Barnabas, een Leviet uit Cyprus. In hoofdstuk 11:23 wordt hij een goed man genoemd, zijn naam betekende ‘zoon van de vertroosting’. Barnabas was altijd bezig met een ander, in positieve zin. Als Paulus moederziel in Jeruzalem zit, waar niemand hem accepteert, gaat Barnabas naar hem toe. En als Paulus 14 jaar in Tarsus is, zegt Barnabas: ‘Die man, die veelbelovende Saulus, ga ik opzoeken’ en hij neemt hem mee naar Antiochië. Barnabas kon de geesten goed onderscheiden. Toen Paulus en hij later een meningsverschil kregen over de capaciteiten van Marcus, nam Barnabas Marcus mee op reis. Weer wat later bleek dat Barnabas beter ingeschat had dan Paulus, zodat Paulus later kon schrijven: ‘Stuur mij Johannes Marcus, want hij is mij van veel nut’. Eerder had Paulus geen tijd om Marcus op te laten groeien tot een goede medewerker, maar Barnabas zag daar wel mogelijkheden toe. Barnabas wordt beschreven als ‘vol van Heilige Geest en vol van geloof’.

Bij Barnabas speelde geld geen rol. Geld en evangelie zijn niet met elkaar te combineren, al zijn er in onze tijd ook voorgangers en evangelisten die denken dat ze rijk kunnen worden met het evangelie. Barnabas kocht een akker. Misschien had hij die grond gekocht om daar later begraven te worden, op zgn. heilige grond en was hij door het evangelie van het Koninkrijk erachter gekomen dat dat niet uitmaakte. Hij verkocht in elk geval die akker en hij legde het geld aan de voeten van de apostelen, het geld was dus voor de gemeente.

Ananias

Handelingen 5 begint dan met: ‘En een zeker man, Ananias’. De Engelse vertaling begint met ‘But a man’, de Canisius heeft ‘Toch was er een man’. De bedoeling is dus om te zeggen: ‘Het was een geweldige gemeente, het ging daar heel goed, maar….’ Het is wel eens nodig dat er een ‘maar’ of een ‘toch’ is, dan kan je door dat ‘maar’ het Licht beter zien t.o.v. de duisternis. De man had de naam Ananias, genade en de vrouw heette Saffira, schoonheid. Die mooie namen waren het probleem niet, maar er is altijd onkruid tussen de tarwe. Dat heeft Jezus al duidelijk gemaakt. Er zijn altijd mensen in de gemeente die een gedaante hebben van godzaligheid. Zo is de oude gemeente geëindigd met een stel farizeeën en schriftgeleerden, waarvan de Heer zei: ‘Jullie zijn huichelaars, jullie doen alsof, terwijl je vroom doet, pak je het geld van iedereen af, je doet je anders voor dan je in werkelijkheid bent’. Door de Heer Jezus Christus is er een nieuwe gemeente ontstaan, die geestelijk kan denken. De leerlingen hadden er geen moeite mee om alles achter te laten om Jezus te volgen. Als je geestelijk gaat denken, kom je los van de aardse beslommeringen, het houdt je veel minder bezig. Maar ook hier druppelt hetzelfde gif, wat de farizeeën en schriftgeleerden in zich hadden, door in de nieuwe gemeente.

Ananias en Saffira waren niet het uitschot van de samenleving, nee zij waren keurige mensen, alom gerespecteerd, bezig met de dingen van Gods Koninkrijk. Maar zij hangen nog aan het materiële, het aardse. Ze zijn erg bezig met het hebben, het bij elkaar verzamelen van aardse goederen. Ze zijn niet echt veranderd in hun denken, ze zijn niet gaan wandelen als hemelburgers, hoewel ze waarschijnlijk gedoopt waren in heilige Geest. Ze waren meer bezig met het hebben. Dat ‘hebben’ geeft hun een goede naam in de natuurlijke wereld. Zouden ze oprechte hemelburgers zijn, dan stellen ze in de gewone wereld niet zoveel meer voor. Zij houden dus een schijn op, ze staan niet recht voor God. Ze reinigen de buitenkant van de drinkbeker, maar de binnenkant hebben ze niet gereinigd. Jezus zou zeggen met de woorden van Matth.23:27: ‘Wee u, jullie huichelaars, want u lijkt op gewitte graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid’. Dat zegt Hij van de farizeeën en Hij voegt er aan toe: ‘En daarom zal je een des te zwaarder oordeel ontvangen’.

Dat zegt Hij niet van mensen die in zonde leven, maar van mensen die uiterlijk zich voordoen als kinderen van God en toch geen gemeenschap met Hem hebben. Het oordeel wordt dus zwaarder voor hen. Er zijn mensen die zeggen dat er niemand meer over zou blijven in de gemeente als God hen allemaal zou straffen als Ananias en Saffira, zij waren immers gerespecteerde mensen? Maar God heeft een andere maatstaf dan wij. Wij kijken en oordelen naar wat we zien, maar God ziet het hart aan en dat beoordeelt Hij.

Geen commune

Hier wordt ook duidelijk dat de eerste gemeente niet in een commune leefde, zoals vaak gedacht wordt. Petrus zegt hier tegen Ananias: ‘Als je het niet verkocht had, bleef het land toch van jou? Of als je het land wel verkocht had, dan was het geld toch ook voor jezelf?’ Ieder hield zijn eigen geld, zijn eigen huis etc. Iets wat je bij heersende sekten als de EU niet zult zien, alles moet daar ingeleverd worden ten behoeve van de gemeenschap, zodat iedereen gelijk is, behalve de elites zelf. Petrus maakt duidelijk dat je zelf beslist wat je met je geld doet, hij roept zelfs niet op om een tiende af te staan voor de gemeente. Natuurlijk moet de gemeente wel onderhouden worden, maar de leden staan vrijwillig geld af omdat ze het huisgezin van God willen onderhouden. Dat is een soort van eigenbelang, omdat je zelf wilt groeien in de geestelijke wereld. Ananias en Saffira deden alsof ze één van hart en ziel waren met de andere gemeenteleden, maar toch hielden ze dingen achter voor hen.

Aan de buitenkant was dus niets te zien, maar de Heer ziet het hart aan. Als je Avondmaal viert, kun je jezelf een eigen oordeel drinken, omdat je hart niet zuiver is voor God. De voorganger of de oudsten zullen dat misschien niet opmerken, maar de Heer kijkt naar je binnenste. Ananias en Saffira waren meer gericht op eer van mensen dan van eer van God. Er is geen sprake van een opwelling, maar hier is uitvoerig overleg over geweest, het is een levensinstelling van hen. Zij waren geen blijmoedige gevers, God heeft de blijmoedige gever lief, zij zagen het als een opdracht: ‘Wij moeten ook iets doen, iets geven’. Daarom moesten ze overleggen. Zij hielden zich ook niet aan de regel: ‘Laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet’, het ging hier alleen om eer van mensen.

Gemeenteleden zijn vrij om te geven wat ze willen, ze doen dit niet uit plichtsbesef, maar omdat ze willen dat het goed gaat in het huisgezin van God. Daar waar zij woorden van eeuwig leven ontvangen, willen zij dat alles goed verloopt. Ze doen dat niet voor eigen eer, maar uit liefde voor God. Er zijn voorgangers en evangelisten die de stoelen in hun samenkomsten verkopen, om maar indruk te maken op mensen. ‘Je hebt je loon al bij je’ zegt God dan, het loon van de mensen, maar ze ontvangen geen loon van God. Er zijn ook gemeenten, die namenlijsten aanleggen. Daarop staat aangegeven hoeveel geld de gemeenteleden afstaan voor de gemeente. Er zijn gemeenteleden die zeggen: ‘Alles wat ik over heb, geef ik aan de gemeente’. Zoiets klinkt heel royaal, maar het is een dooddoener, want hoeveel heb je over? Eerst moet je geld uitgeven aan je eigen huis, je eigen hobby’s, je eigen welvaart en als er dan nog wat over is, dan geef ik dat aan de gemeente. Als dat je principe is, is dat je goed recht. Maar de Heer ziet wel het hart aan. ‘Jullie wonen in je weldoortimmerde huizen, maar er kon geen geld gegeven of niet gebouwd worden aan de tempel van God’ (Hag.1:4). Het gaat om de hart gesteldheid: wij hechten geen waarde aan royale gebouwen voor samenkomsten, als de geestelijke tempel maar gebouwd kan worden.

Geestelijk leven

Petrus vraagt aan Ananias: ‘Hoe kon je aan deze daad in uw hart plaats geven? Hoe kon je alle ruimte aan satan geven?’ De sfeer van het Koninkrijk van God is niet in Ananias, je hebt geen blijdschap in je hart als je met je vrouw moet overleggen hoe je eer van mensen kunt ontvangen. De vraag is dus: Zit je ergens aan vast, is er iets wat je bindt op deze aarde, waardoor je geestelijk niet kan groeien? Woont de liefde van God in je hart of overheerst een andere geest? Heb je een hart voor de gemeente of sta je op een afstandje? Er zijn mensen die zeggen geestelijk te zijn en te leven, maar altijd strijd voeren op het natuurlijke vlak, met mensen en situaties, ook in de gemeente. Het gaat erom dat je die problemen aan God kunt voorleggen en dat je het dan loslaat.

We moeten onze blijdschap van het Koninkrijk van God in ons bewaren. Als we vergiftigd zijn door duistere machten, moeten we dat uitroeien opdat God weer tot zijn recht in ons kan komen. Dan ben je geestelijk aan het strijden en zal je uiteindelijk overwinnen. Want God ziet wat er in elk mensenhart is en zal de uitkomst geven op Zijn manier. Geleid door Gods Heilige Geest ontmaskerde Petrus bij dit echtpaar de inwonende demonen, die Jezus zo dikwijls aansprak met slangen en addergebroed. Toen die sterke demonen werden ontmaskerd en zij Ananias en Saffira in de gemeente niet meer konden inzetten, strafte zij ze van binnenuit af met zo’n geweld, dat ze neervielen en de adem uitbliezen. ‘Vrome’ geesten zijn geweldgeesten!

Maar uit het oogpunt van gelijkheid is er op dit moment uw overvloed om wat hun ontbreekt aan te vullen, opdat ook hun overvloed er is om wat u ontbreekt aan te vullen, opdat er gelijkheid zal zijn, zoals geschreven staat: Wie veel had verzameld, had niet over; en wie weinig had verzameld, had niet te weinig (2 Cor.8:14,15).