Wat geloven jullie nu eigenlijk?

Ze hadden een projectweek op school en daarvoor moesten ze gaan praten met mensen van verschillende levensbeschouwelijke groeperingen. Een lid van een V.E.G.-gemeente stond ook op de lijst. En zo kwamen ze met z’n achten in onze huiskamer terecht. Met vragenlijsten. Het begon met de formele vraag naar ontstaan en achtergrond van onze ‘kerk’. Dus wij iets vertellen over Pinkstergemeenten, de herontdekking van de doop in Gods Geest en – met grote stappen door alle pinkstergewoel heen – vlug naar het eeuwig Evangelie.

Wat dan wel het bijzondere was van dit evangelie? Wij: dat Jezus onze Heer het Bijzondere is en dat wij geloven, dat Hij ons nieuw wil maken, helemaal gaaf en goed en gezond. Dat Hij dat doen wil met ieder mens in wie Hij terecht kan met Gods Geest. Waarop wij probeerden iets uit te leggen van het plan van God om de schepping te herstellen. Te beginnen in de mens en dan dóór de mens de rest.

Was dit te nieuw voor ze of deden wij het te ingewikkeld? Ze vroegen er niet op door. Wel wilden ze weten hoe wij dachten over God. God was altijd al onze god, hebben wij gezegd, maar ver en onbegrijpelijk. Nu is God voor ons een vader. Iemand met wie je een intieme relatie hebt, die jou begrijpt en die jij ook gaat begrijpen. En dat wij ontdekt hebben, dat je bij Jezus moet zijn met je hele hebben en houden. Dat Hij het is die voor die intieme relatie zorgen kan.

Over Gods Geest – o, maar die hadden ze in de kerk ook wel, dat is toch een deel van een drie-enige God? Nee? En dan ook nog dopen in Gods Geest? En wij vertellen hoe dat is: de Geest  van God in je hart. Over de doop door onderdompeling – ja, dat klonk logisch: eerst geloven en zelf kiezen. Of alle mensen bij ons zó gedoopt werden, ook als je als kind al…? Ja, zeiden wij, want wat voor waarde heeft een doop, die berust op de keus en het geloof van je ouders? Dat had direct hun instemming. Jonge mensen, die zelfstandig beginnen te denken zetten gemakkelijk een vraagteken achter de babybesprenkeling, dat hebben we al meer gemerkt.

Toen ging het nog een poosje over bidden (de vragenlijst hadden ze allang losgelaten). Wij probeerden duidelijk te maken hoe het is om met de levende Heer in contact te staan. Kwam er een vraag: dit gesprek, zou je dat ook bidden kunnen noemen? Ons antwoord: wij praten vanuit onze relatie met God. Als jij luistert zou het dus kunnen zijn, dat je dat ervaart als contact met God. Dat was een gezichtspunt waar we met z’n allen even stil onder waren.

Veel vragen kregen we over de omgang met de kinderen (tieners, zoals zij) en wat er van ons geloof merkbaar is in het huiselijk leven. Dat je ouders hebben kunt, die met God op goede voet staan, die hun eigen doen en laten en het jouwe omringen met gebed, die met jou bidden als je dat wilt, die tegen hun kinderen zeggen: kijk hoe goed dit evangelie is, we hopen dat jij ermee verder gaat, later, maar je moet zelf kiezen, zelf beslissen – dat je zulke ouders hebben kunt, dat was misschien een tikkie vreemd en wie weet wel eens lastig, met altijd die Bijbel… Maar toch, dat je zulke ouders hebben kunt!