Gods liefde werkt door mensen heen

De vrouwen en meisjes waren naar omstandigheden nog zeer flink in het breien, haken en borduren. Ik heb mij vaak verwonderd, hoe de verkreupelde handen, ja soms handen zonder vingers, dit alles konden doen. Maar achter al hun werken stond hun geloof en gebed. Niet alleen door het trouwe bezoek aan de godsdienstbijeenkomsten en de bidstond eenmaal per week, maar bovenal door hun persoonlijke omgang met hun Heiland ontvingen zij kracht. Dat dit zo was, ondervonden wij bij vele gesprekken, hiervan getuigde ook hun leven, hun werk, hun grote dankbaarheid en hiervan getuigde ook hun sterfbedden.

Tijdens een bezoek in Paramaribo werd ons verzocht een Europees melaats meisje op te zoeken voor wie opname in Bethesda was gevraagd. Het was half twaalf in de middag toen wij ons doel bereikt hadden, de tropenzon brandde op zijn felst. De moeder van het meisje ontving ons in het voorhuis en zij vertelde ons, dat haar beide zoons ontzettend bang waren voor besmetting en dat zij daarom haar dochter niet behoorlijk kon verplegen. Ook nu was zij nog niet bij haar geweest. We merkten dadelijk dat het haar pijn deed dit te vertellen. Wij vroegen haar ons bij haar dochter te brengen.

Zij opende een deur en wij kwamen in een kamer waar de luiken nog dicht waren. Toen zij deze opende zagen wij een treurig tafereel. Daar lag een jong meisje van 18 jaar op de met stro bedekte planken van een ledikant, bleek, uitgeteerd en diep ongelukkig. Zij was blij toen wij haar vertelden, dat wij haar snel zouden laten halen door een zuster, toen wij haar vertelden van het heerlijk, in de vrije natuur gelegen dorpje met zijn witte huisjes en van haar lotgenoten die haar allen met grote liefde en medeleven zouden ontvangen.

Toen we in Bethesda teruggekeerd waren werd de tentboot klaargemaakt. Een matras, kussen en deken werden erin gelegd. Een van onze diaconessen, verliet ons, geroeid door vier mannen over de brede Surinamerivier, om Christina Wacker, zo heette het meisje, in Paramaribo af te halen.

Voor iedere melaatse die gehaald werd, moest eerst verlof bij de politie gevraagd worden, omdat melaatsen niet op straat mochten komen. Dit verlof werd meestal gegeven onder voorwaarde, dat de boot ‘s nachts om 12 uur de stad zou verlaten. Wij hadden gehoord dat Christina melaats was geworden, omdat ze met melaatse kinderen had gespeeld en haar ouders, die uit Europa waren gekomen, hadden niet door hoe vreselijk deze ziekte was. Een dokter vertelde eens dat deze ziekte wel 12 jaar in het lichaam kan zijn, voordat zich van buiten de eerste tekens openbaren!

Wat was onze Christina blij en dankbaar nu ze trouw verzorgd werd en door liefde omringd was. Een middag in de week mocht ik de meisjes meer over Gods woord vertellen. Het waren heerlijke uurtjes bij het recreatiehuisje dicht bij de brede rivier. Ik zie ze nog voor me zitten, ook Christina, met geheel hun ziel luisterend naar het heerlijke woord van de Heer. De ene week vertelde ik uit het Oude, de andere week uit het Nieuwe Testament. Een bijzondere vreugde was het voor mij, toen mijn echtgenoot in 1914 terugkeerde van een studiereis door Suriname om van hem te vernemen, dat Christina mijn plaats had ingenomen om de kinderen Gods woord te vertellen.

Een jonge Israëliet, Harry de Castillo, deed ook zijn intree in Bethesda. Zijn ziekte was al in een vergevorderd stadium. Zijn vingers leken wel bananen. Hij vertelde ons, dat zijn moeder hem steeds verboden had bananen te eten, omdat hij dan gevaar liep melaats te worden. Toen zijn moeder overleden was, had hij echter toch bananen gekocht en gegeten. De inboorlingen van Suriname geloven in het bestaan van een ‘treffoe’, dat wil zeggen: iets dat ze niet mogen eten omdat ze anders deze vreselijke ziekte krijgen. Mijn zwart negermeisje, dat mij in het huishouden hielp, mocht bijvoorbeeld niets van de koe gebruiken, zelfs mocht ze geen koek gebruiken waar melk in verwerkt was. Natuurlijk ook geen vlees of bouillon, kaas of boter. Wij zagen echter bij onze melaatsen geen notitie van dit bijgeloof en lieten hen alles met dankzegging gebruiken, wat de Heer in Zijn genade ons gaf.        

Onze lieve Harry ging snel hard achteruit, maar toch voelde hij zich zeer gelukkig onder de trouwe verpleging van onze diaconessen. Hij genoot van alles, maar begreep niet hoe het mogelijk was, dat gezonde mensen zich aan dit werk konden geven. Op zekere morgen, toen zuster Filippine zijn wonden reinigde en verbond, vroeg hij haar: ‘Zuster hoe is het toch mogelijk, dat u uw vaderland, uw familie en alles wat U lief had, hebt verlaten om ons te gaan verplegen, afgezonderd met ons in het Surinaamse oerwoud.’ De zuster antwoordde hem: ‘Ja Harry, dat deed ik uit liefde tot Hem, Die nog een veel heerlijker Vaderhuis verliet, om mij voor tijd en eeuwigheid zalig te maken’. Toen vroeg Harry: ‘Is Hij Degene, die aan het kruis stierf en Die wij als Joden verafschuwen?’ ‘Ja Harry’ was het antwoord van de zuster ‘Hij is het en Hij alleen, Wiens liefde in mij werkt en Die mij dagelijks de kracht geeft om opgewekt jullie te verplegen en te helpen!’ Toen vroeg Harry om een Bijbel, ‘want’, zo zei hij, ‘als dit zo is, dan moet ik meer van Hem weten, zuster!’

Harry begon zijn Bijbel te lezen en nam deel aan de geestelijke samenkomsten die gehouden werden. Hij verzocht mijn echtgenoot om onderwijs, ook om gedoopt en in de gemeente opgenomen te worden. Helaas heeft mijn man maar heel kort de vreugde gehad hem te mogen onderwijzen, want toen de ziekte zijn eindstadium inging, kwam er ook nog ‘koud vuur’ aan de vingers bij. Wij hoorden hem zelfs in ons huis, dat ver af lag, kreunen van de pijnen. Maar Goddank, zijn ziel was behouden, hij had Christus als zijn Verlosser aangenomen en ging in volle vrede naar het Vaderhuis boven. Mijn man mocht hem niet begraven, want zijn vader en familie brachten een rabbijn mee voor zijn begrafenis. Mijn man zei tot mij: ‘Dat hindert alles niets, kon onze Harry ook al niet gedoopt worden, hij is bij zijn Heiland en Verlosser’.

Graag denk ik ook terug aan onze lieve broeder Allen. Hij was jaren tevoren opgepakt door de politie en naar het Gouvernementsgesticht gebracht. Hier was hij, net als alle protestantse melaatsen, aan onze zielszorg toevertrouwd. Op een goede dag vroeg hij aan mijn man of hij niet in Bethesda kon worden opgenomen. Zijn stille, rustige aard en vooral zijn kinderlijk geloof in zijn Verlosser, hadden ons al lang aangetrokken. Mijn man deed dan ook het verzoek aan het bestuur om hem in Bethesda te mogen opnemen. Net als onze Brara Monsanto was hij, gedurende de korte tijd dat hij bij ons was, voor de andere zieken tot grote zegen. Hij wees hun de weg naar het kruis en probeerde het geestelijk leven van hen, die hun Heiland gevonden hadden, te versterken en te verdiepen.

Te gauw, naar onze mening, werd hij geroepen door Hem, Die hij boven alles liefhad. Hij lag zwaar ziek te bed en de zusters verwachtten spoedig het einde. Op een avond vroeg hij aan de zuster, die hem verpleegde of ik bij hem wilde komen. Hij wilde afscheid van mij nemen. Ik zie hem nog liggen, zo rustig, in volle overgave aan zijn Heer en Heiland. Toen ik hem mocht zeggen: ‘Brara Allen, de Heer Jezus komt spoedig. Uw witte kleed is klaar en de palmtak van de overwinning zal Hij u weldra in handen geven’, antwoordde hij blijmoedig, terwijl zijn oog glansde: ‘O ja!’ De zusters vertelden mij, dat hij die melaatsen, die hun hart en leven nog niet aan de Heiland hadden gegeven, liet vragen bij zijn sterfbed te komen één voor één. Hij bad hun met nadruk toch niet langer met de goede keuze te wachten. Diezelfde nacht nog is hij het zalig huis hierboven binnengetreden.

Het was treffend te zien met welk een grote liefde en blijdschap de Diaconessen hun werk deden, hoewel daar zo grote gevaren aan verbonden waren. Ik ontving eens een brief uit Paramaribo van mijn echtgenoot met het verzoek, onmiddellijk de tentboot klaar te maken en met een van de Diaconessen naar Paramaribo te zenden om twee zieken te halen. Ik neem een gedeelte over van een brief door deze zuster, Zuster Christiane, aan een kennis geschreven:

  • ‘’s Avonds om acht uur kwamen wij behouden in de stad aan. Toen vertelde mij vader Weiss, dat een jonge man uit Wanica en een meisje uit de gemeente Saron om opname hadden gevraagd. De volgende ochtend ging ik met vader Weiss de jongen man bezoeken en verder alles voor de reis in orde maken.
  • De zieke kon haast niet meer lopen en we moesten een ezelskar bestellen en de politie in kennis stellen, zodat de zieke op straat niet lastig gevallen zou worden. ‘s Middags ging vader Weiss met de zendeling van Saron naar het meisje om haar de tijd van haar vertrek mee te delen. Ik reed ‘s middags met het ezelswagentje naar Wanica om de jongeman af te halen. Wel 20 mensen stonden verzameld voor het huis en begonnen als op commando te schreeuwen en te huilen toen ze me zagen. Het was alsof ik gekomen was de zieke levend te begraven. Hijzelf was dankbaar toen we eindelijk veilig in de boot waren. Het was een onaangename zaak en ik dacht bij mezelf: ‘Hoe zal het nu worden als ik het meisje af ga halen.’
  • Wij roeiden met de boot naar de Saramacasluizen, waar het zendingsstation Saron lag. De zendeling van Saron vertelde mij dat het meisje zeer zwak en half verhongerd was en niemand had die voor haar zorgde. Drie vrouwen stonden op straat maar hielden zich stil en rustig. Ik probeerde zo goed het ging, de zieke in de boot te leggen. Dit was moeilijk omdat de boot bij het onrustige water erg schommelde en ik in gebukte houding het werk moest doen door de laagte van de tentboot.
  • Behalve dit, was de zieke groot en zwaar en het werd mij even bang om het hart. Het meisje had behalve melaatsheid ook nog de tering in het laatste stadium en was voortdurend aan het hoesten. De pols was zo dat ik niet verwachtte haar levend in Bethesda te kunnen brengen. Zij klaagde van tijd tot tijd over honger, maar was niet in staat om te eten. Door de koele nachtwind nam de hoest toe. De jonge man had grote pijn aan zijn voeten en het speet mij, dat ik hem niet direct kon helpen en verbinden. Zijn treurig gelaat veranderde iets, toen ik hem een belegen boterham en enige vruchten gaf. Ik was blij toen de lichten van Chatillon zichtbaar werden. Enige weken later werd de teringlijdster uit haar zwaar lijden verlost!’