Avondmaal met de melaatsen

Voordat ik deze verhalenserie afsluit, willen wij eerst in onze gedachten het Heilig Avondmaal met onze melaatsen-gemeente meevieren. In de kerk van Groot Chatillon zijn de lijders uit beide gestichten samen gekomen om de dood van de Heer te gedenken. Niet allen kunnen aanzitten wegens hun vergevorderd lijden of om andere oorzaken. Hier komen nu – in de ware zin van het woord – de armen, kreupelen en de melaatsen samen aan de tafel van de Heer. Het witte bruiloftskleed, dat zij dragen, bedekt wel veel wonden en zweren van hun verscheurd lichaam, maar die door lijden jarenlang doorgroefde, misvormde en verminkte gezichten zeggen ons dat we vandaag met melaatsen het Avondmaal vieren.

Voor het begin fluister ik mijn echtgenoot nog even in het oor: ‘Denk er om, de kelk met het rode lintje is voor de gezonde mensen’ en ‘wees voorzichtig bij het uitdelen van het brood!’ De diaconessen, de bedienden en ambtenaren nemen, in zoverre zij protestant zijn, afzonderlijk, als gezonde mensen, deel aan de godsdienstoefening en aan het avondmaal.

Met het zingen van een lied begint de dienst, daarop knielt de gemeente neer voor het gebed, waarna de zegening van het brood volgt. Staande ontvangen zij het brood: eerst de gezonden en daarna de zieken. Dan houden zij hun kreupele handen of vormeloze stompen omhoog en ondanks alle voorzichtigheid is aanraking met hun handen niet geheel te vermijden. ‘Het is een aanblik, die je ziel doorsnijdt’, zo schrijft mijn echtgenoot in een van zijn boekjes, ‘maar het is ook een heerlijke gedachte dat op dit ogenblik het volk van de uitgestotenen, verenigd met de gemeente van de Heer, de Tempel van God is binnengegaan om het grote Verzoeningsoffer deelachtig te worden, dat het Lam van God voor de zonde van de wereld heeft gebracht’.

Nadat het brood is uitgedeeld, knielen allen, die nog knielen kunnen, opnieuw neer tot gebed. De zendeling zegent nu de wijn en de twee kelken gaan van mond tot mond. Hier mogen nu ook onze diaconessen hun dienst uitoefenen. Zij, die zo dikwijls aan de ziekbedden van de ongelukkigen staan om hun een slok water te geven, reiken hun nu de beker van de Heer toe. Als eind van de Avondmaalsviering zingen we gezamenlijk het broederlied:

  • ‘Wij te saam hier in Uw dienst verbonden, slaan de handen in elkaar en beloven bij Uw bloed en wonden trouw aan U, o Middelaar!…’

Onder het zingen van dit lied reikt ieder de hand aan degene, die naast hem staat, zo doen de gezonden onder elkaar en wie van de melaatsen nog handen heeft, doen het ook. De voorganger besluit daarna de samenkomst met de woorden:

  • ‘De genade van onze Heer Jezus en de liefde van God en de gemeenschap met Gods Heilige Geest is met u allen’, waarop de gemeente antwoordt met de woorden: ‘met ons allen, Amen!’ 

In grote stilte verlaat de gemeente nu het huis van de Heer. Door de donkere boomrijen trekken de witte gestalten naar hun woningen, gesterkt door het hemels brood, het Levensbrood Jezus Christus zelf, Die gezegd heeft: ‘Doe dit tot Mijn gedachtenis’.

Tot slot

Toen we terugkeerden van onze reis door Noord-Amerika was het werk onder hen, die de ellendigsten op aarde zijn, zo lang zij Christus niet kennen, ons dubbel gewichtig en lief geworden. Velen waren gedurende deze tijd achteruit gegaan in hun gezondheid, maar innerlijk gegroeid. Mijn echtgenoot ging na twee jaar nog eens naar de Verenigde Staten. Ik herinner mij nog, dat in deze tijd, op een zondagmorgen, het al vroeg erg heet was. Ook hing er een onaangename lucht.

Toen wij uit de samenkomst weer thuis kwamen, was het nog warmer geworden, maar ook de stank was erger. Ik verzocht mijn beide meisjes overal rond te kijken of er ook iets aan het bederven was. Opeens riep Emma: ‘Missie, mi fini hem’ (Mevrouw, ik heb het gevonden). Toen ik ging kijken lag er een reusachtige boa constrictor. Zij lag met de kop dicht bij ons huis in het hoge gras. De dikte achter de kop verraadde, dat zij juist een ander beest had verslonden. Zij lag met het lichaam dwars door de gracht en dan nog een twee à drie meter in het bananenveld aan de overzijde van het water. Was ze gestikt in haar prooi of lag ze stil te slapen, zoals slangen onbeweeglijk liggen, nadat ze hun buit verslonden hebben? Ik weet het niet. Ik liet enige landwerkers komen, maar pas na drie uur – toen er door de vloed weer volop water in de gracht was – konden ze de tentboot in de gracht brengen. Een sterk touw werd om het midden van de reuzenslang, die zeker wel 28 voet lang was, gelegd. Daarna roeiden de mannen met de boot de brede diepe stroom op, waar zij het beest loslieten, dat meteen door de golven werd verslonden. Wat een bewaring was dit. Immers, als de slang geen buit had gevonden zou ze zeker het huis ingekropen zijn, waar ze slechts enkele meters van was verwijderd.

De Heer wilde vaak voor ons zorgen en ons bewaren. Dat ondervond ik kort daarop ook, toen ik geheel alleen in huis was. Ik werd midden in de nacht wakker door een vreselijk krabben in mijn keel. Ik stond op en na langdurig hoesten was een kever blij, dat hij uit zijn gevangenschap was verlost, maar ik was niet minder blij en dankbaar aan Hem, Die mij uit groot gevaar gered had, want ik was bijna gestikt.

Nadat mijn man uit de Verenigde Staten terug was, mochten wij nog anderhalf jaar in Bethesda dienen. Op verzoek van het bestuur zouden wij toen een voordrachtreis in Holland maken. Toen alles gepakt stond, gingen mijn man en ik de laatste avond nog eens op zolder om door het ronde raam nog een blik te werpen op het door de tropenmaan beschenen Bethesda, dat ons zo dierbaar was. De volgende morgen hield mijn man zijn laatste dienst in het kerkje van Groot Chatillon en sprak nog eens van Hem, die deze zieken zo teer beminde en vertrouwde het hele werk in gemeenschappelijk gebed aan Hem toe.

Deze laatste ochtend, het zal ongeveer elf uur zijn geweest en wij waren juist weer terug in het Zendingshuis, hoorden wij plotseling een ontzettende slag. Wat was er gebeurd ? De kroon van de grote koningspalm, die vlak voor ons huis bij de ingang van de tuin stond, was met een hevig gekraak afgevallen. Alleen de hoge stam stond er nog! Wij keken elkaar aan en mijn man zei: ‘Sinds enige weken viel het mij wel op, dat de palm haar frisheid ging verliezen.’

Om één uur ‘s middags stapten wij in het rivierbootje, dat ons naar Paramaribo bracht. De melaatse kinderen stonden aan de oever en zongen ons ten afscheid toe. Toen voeren wij langzaam van ons geliefde Bethesda weg en diep bewogen hoorden wij over het water nog lang de afscheidsliederen klinken van onze zieke Bethesdakinderen, aan wie wij zo zeer gehecht waren.

Een brief, die men ons meegegeven had, mochten wij pas op de boot openen. Wat sprak er veel liefde en dankbaarheid uit deze afscheidsgroet. Wat waren wij er beschaamd onder. Wij konden alleen God danken uit het diepst van ons hart, dat Hij ons tot dit heerlijk werk had willen gebruiken. Het verheugde mij, onlangs in het blaadje van de Broedergemeente te hebben gelezen, dat onze geliefde prinses Juliana, die na de dood van haar grootmoeder Koningin Emma, beschermvrouwe van Bethesda was geworden, bij haar bezoek aan Suriname ook Nieuw Bethesda heeft bezocht om de melaatsen een bezoek te brengen en het gesticht in ogenschouw te nemen. Wat zal dit een vreugdedag in Bethesda zijn geweest!

Laat alles, wat ik u verteld heb, u opwekken deel te hebben aan dit heerlijke werk onder de melaatsen door in uw gebed aan deze zwaarbeproefde lijders te denken en de leiding van de Heer en kracht te vragen voor hen, die ze verplegen en verzorgen. Schenk hun uw liefde, ter wille van Hem, Die u heeft liefgehad.