Rust en vrede die alle verstand te boven gaat

Hij is aan de telefoon als ik zijn kantoor binnenkom. Gebaart dat ik kan gaan zitten. Legt zijn telefoon neer, komt met uitgestoken hand op mij af. Tegelijk met de begroeting krijg ik een foto onder m’n neus. ‘M’n eerste kleinkind, paar dagen oud, smoeltje he?’ Hij is een daverende prater. Je hoeft weinig of niet te reageren op zijn zinnen. Hij zegt zelf wat hij verwacht dat jij zeggen zult. ‘Helemaal mesjogge ben ik, ja! ‘k Heb het altijd sentimentele onzin gevonden, dat gedreutel van vijftigers over het kind-van-­hun-kind, maar nou ik zelf….., haha. Geloof me, als je zoiets in je armen krijgt, kun je God op je blote knieën danken!’ ‘Blote knieën?’, probeer ik. De pauze die hij geeft, is minuscuul. Voor ik de punt in mijn zin bereikt heb, is hij alweer aan het woord. Mijn vraagteken lijkt hij helemaal niet op te merken.

Nog even gaat hij door over zijn kleinkind. Daarna bespreken we het werk waar ik voor gekomen ben. Een week later ben ik er weer. Zelfde entree. Zelfde decor. De bezige baas aan de bezige telefoon. Dan de amicale begroeting. En weer foto’s. ‘Jij toonde zo’n belangstelling voor m’n kleinkind. Moet je kijken…. hier wordt-ie gedoopt en hier….’ ‘Gedoopt?’, wurm ik ertussen, ‘nu al?’ Zowaar hij hoort de vraag, maar interpreteert hem in zijn eigen gedachtenlijn. Vertelt: zijn dochter is rooms-katholiek geworden door haar huwelijk. Vandaar dat vroeg dopen. Mooi vindt hij dat. Beter dan dat gedoe tegenwoordig in de kerk, waar zelfs dominees zijn die de kinderdoop willen wegschuiven, maar de kinderen wel aan het avondmaal schuiven – zo weet je niet waar je aan toe bent.

Hij heeft waardering gekregen voor de parochie waar zijn dochter nu bij hoort. Eerst niet hoor. ‘Zei ik: r-k moet dat nou? Maar zit die knul bij je thuis op de bank, denk je: wat ben jij een aardige knul…. en die kerk, och, wat doet het er eigenlijk toe, ‘t wordt toch allemaal hetzelfde’. ‘Hetzelfde?’ is het enige dat ik ertussen kan krijgen. Hij vervolgt zijn verhaal. Over het avondmaal wat ook al inboet aan waarde, vindt hij, nu je niet eens meer aan tafel gaat, maar gewoon in de bank blijft zitten. Ik probeer iets te zeggen over de onzichtbare waarde van het avondmaal. Hij reageert er niet op. Waarna wij onze werkbespreking hebben.

Op deze manier hebben wij nu een klein jaar samengewerkt. Een deel van de tijd is steeds besteed aan zijn privéleven. Waarin de kerk een grote rol speelt. Hij heeft moeilijkheden in zijn kerk. Veel jaren heeft hij zich met hart en ziel gegeven aan zieken en bejaardenzorg. Nu is die tak van het kerkenwerk gereorganiseerd. Hij kan zich in de nieuwe opzet niet voegen. Heeft de teleurstelling te incasseren dat men geen pogingen doet om hem ruimte te geven. Hij kan dat maar moeilijk begrijpen en nog moeilijker verwerken. Hij praat en praat erover, schrijft brieven aan predikanten, kerkenraden, bestuurders. In de verwachting dat hem recht zal worden gedaan. Als dit niet lijkt te gebeuren, teistert hem dat. Het houdt hem dag en nacht bezig. Het kwelt hem.

Iedere keer als ik zijn kantoor binnenkom, geeft hij een aflevering van het vervolgverhaal over deze zaken. Geen opwekkend verhaal. Wat moet ik ermee? Nog steeds krijg ik er weinig of niets tussen. Aanhoren dus. Weerzin daartegen bestrijden. Zien hoe deze mens gemangeld wordt in de geestelijke wereld. Niet moe worden goed te doen. Ik heb wat gebeden in dat kantoor! En ik ben doorgegaan met kleine opmerkingen maken. Eenmaal kreeg ik de kans een paar zinnen te zeggen over vrede die het verstand te boven gaat en wat een mens kan doen om die vrede te vinden en te voeden. Nooit gemerkt dat hij iets verstaan heeft.

Vanmorgen belde hij op. De bespreking vindt deze week niet plaats in zijn kantoor, maar bij hem thuis. Daar hoor ik: hij mag voorlopig niet werken, angstig hoge bloeddruk, slaapstoornissen, hartklachten. ‘Alles heb ik gekund’, roept hij vertwijfeld, ‘overal zat ik in. Voorzitter van dit, organisator van dat, presentator van weer iets anders en nou kan ik niet meer….!’ We zijn met z’n vijven in deze vergadering. De een zegt: ‘Ga er een poosje tussenuit’. De ander: ‘Je moet het van je afzetten’. En de derde: ‘Man, pak je racefiets!’ En ik? Ik heb gebeden. Dan hoor ik mijzelf zeggen: ‘Jij zoekt iets beters en je weet waar je het vinden kan… als je begrijpt wat ik bedoel’. Hij laat me helemaal uitspreken. Zegt dan van binnenuit: ‘lk begrijp wat jij bedoelt – zoals jij dat altijd bedoelt…’ Voor de anderen zijn dit opmerkingen die nergens op slaan. Daarom bruikbaar, om daarna weer over te gaan tot de werkbespreking.