Belém zou slechts een tussenstation zijn voor 2 dagen. Toen de lichten van de stad onder ons verschenen, vonden wij het adembenemend mooi. De Amazone was te zien als een lichtend, breed lint en op de noordoever lag de stad met haar zee van twinkelende lichtjes. Zodra wij echter op het vliegveld uitstapten en onze voeten op Braziliaans grondgebied zetten in deze stad, viel er een geweldige geestelijke druk op ons die wij zouden willen samenvatten in het begrip ‘duisternis’.
Het vliegveld ligt buiten de stad en behalve wat verlichting in de hal was het er donker. De moeilijkheden begonnen al bij de douane en de andere ambtenaren, die de papieren en de bagage moesten controleren. Het was nogal moeilijk, begrepen wij uit hun gebaren. Maar niemand kon ons duidelijk maken, waarom het moeilijk was. De taxi die ons volgens afspraak bij de boeking naar een hotel zou brengen, was er niet en niemand kende de naam van het hotel. Daar stonden wij dan in de nacht tussen drukdoende, jagende zwarte mensen, die allen hun bestemming wisten, behalve wij. Een grote eenzaamheid overviel ons, toen bleek dat wij beslist niet terecht konden met ons Engels, Frans of Duits. Naast het Portugees wordt slechts door enkelen Spaans gesproken, maar daar hadden wij ook niets aan.
Belém – De stad aan de monding van de Amazone
Wat klinkt dat lieflijk, maar wat een ontgoocheling! ‘Belém, de stad in de afgrond’, blijkt meer in overeenstemming met de werkelijkheid te zijn. Onze koffers werden uiteindelijk door een nogal guur uitziende man in lompen weggerukt en naar buiten gesleept. Wij erachteraan. Buiten stond een oude auto, een soort busje. De koffers werden er ongevraagd opgegooid en toen hield de man beide handen op voor een beloning. Toen ik in zijn ogen keek, kon ik de hel zien, daaronder een grijnzende mond met dreigende witte tanden. Ik gaf hem daarom maar een bankbiljet. Hoeveel was de waarde? Het bleek niet genoeg te zijn, want de man smeet met veel gebaar en gemopper onze koffers er weer af, waarop hij snel wegreed.
Wij gingen terug naar de hal. Aan de balie van de Pan American, de maatschappij waarbij wij geboekt hadden, was niemand meer. Het informatiebureau was gesloten. Wij werden omringd door mensen die wat wilden verdienen door onze bagage te dragen of een taxi aan te bieden. Bedelaartjes, kleine kinderen nog, met wat vodden om hun magere, zwarte lijfjes, drongen zich op. Zij keken ons smekend aan, terwijl zij hun vuile handjes ophielden. Wat een ellende, hongerende kinderen midden in de nacht. Er was niemand die zich over ons ontfermde. De psalm die de gemeente ons meegaf bij het vertrek, kwam ons duidelijk voor de geest:
- ‘De Heer is uw Bewaarder, de Heer is uw schaduw aan uw rechterhand’.
Eindelijk begreep een van de mannen van de vlieghaven iets van onze positie. Hij maakte ons duidelijk, dat hij zou helpen door iemand te halen en verdween in de duisternis van het vliegveld. Later kwam hij terug met een meisje dat hij uit een vliegtuig gehaald had. Zij sprak een beetje Duits en kende Belèm. Zij vertelde ons, dat wij goed op onszelf, ons geld en de koffers moesten passen. De stad lag 15 km verder. Zij waarschuwde ons voor hotels. Zij gaf ons de adressen van 2 hotels die – naar zij dacht – wel goed waren.
In de nacht reden wij de stad binnen, een verlaten stad. Alle ramen waren gesloten met luiken of zware tralies. Winkels en banken hadden stalen rolluiken. Er was geen mens te zien. Slechts af en toe zagen wij een snel rijdende auto. Later vernamen wij, dat men om ‘allerlei redenen’ niet graag op straat komt als het donker is. De chauffeur reed echter niet naar een van de 2 ‘goede’ hotels. Hij reed bewust verder en bracht ons naar een achterbuurt bij de rivier, naar een smerig luguber uitziend hotel dat hij voor ons uitzocht. De fooi die hij van de eigenaar ontving, maakte ons duidelijk waarom. Wij waren doodop en namen genoegen met alles, als we maar konden slapen. De volgende dag zouden wij de stad leren kennen.
Een vreselijke stad
Zoals iedere stad heeft ook deze stad een eigen sfeer. Belém is somber en deprimerend. Er wonen een half miljoen mensen, bestaande uit verschillende rassen, allen kleurlingen, van bruin tot het diepzwart van de neger. De stad wordt door het oerwoud omringd, als ware het een belegerde vesting met maar één weg ter ontkoming: de brede, vuile, bruine Amazone. Wij werden wakker door het geraas van de stad en van de hitte die de kamer binnenstroomde. Vanuit onze kamer konden we de rivier zien, we waren er niet zo ver vandaan. Maar het was verre van idyllisch. Het rimpelloze, vuile wateroppervlak weerspiegelde een gloeiende zon, die als een koperen bol boven de stad hing. De lucht trilde van de hitte. Het was nog maar 10 uur en de thermometer stond al boven de 40° C. Belém ligt ongeveer op de evenaar.
Toen wij even later op straat stonden, was onze eerste indruk dat wij als het ware meegesleurd werden in een enorme draaikolk. De gloeiendhete straten waren vol met mensen die zich in een stroom voortbewogen, druk pratend met veel gebaren, maar nergens een vriendelijk gezicht of een glimlach. Het leek ons toe of iedereen achter een masker leefde. Op de bredere verkeerswegen was een stroom van verkeer, bestaande uit opvallend nieuwe en dure auto’s. Er reden ook veel Jeeps, wat betekende dat er buiten Belém veel onbegaanbaar gebied is, waar alleen de Jeep nog kan binnendringen.
Wij zagen grote gebouwen, banken en dure winkels, de laatste uitpuilend van alles wat de wereld aan luxe gebruiksvoorwerpen en levensmiddelen biedt. Maar op de straat greep het leed van de diepe armoede ons aan in het zien van de bedelende kinderen die hun magere handjes ophouden. We zagen winkels vol schoenen naar de nieuwste mode, maar daarvoor mensen op blote voeten en met vuile soms met zweren bedekte benen. Modezaken met de duurste kleren aan de binnenzijde van het etalageraam, maar aan de andere kant veel halfnaakte mensen met wat vuile lompen om hun lijf. Een jonge moeder, zelf nog maar een groot kind, bedelend bij de ingang van een groot winkelbedrijf, een baby in haar arm en een paar kindertjes om haar heen spelend met het vuil van de straat.
Wij vluchtten naar de overkant, waar nog een streepje schaduw was. Maar daar zaten de melaatsen die medelijden opwekten door hun door deze ziekte aangetaste en deels weggerotte ledematen te tonen. We vluchtten naar de rivieroever, maar ook daar enorme hitte en mensen. Bootwerkers die zich voortsleepten en bedelaars, hangend tegen de muur, of zo maar liggend op de straat. Ze staarden ons aan met levenloze ogen en het leek wel of ze geen kracht meer hadden om hun hand op te houden voor een aalmoes. We wierpen daarom maar een cruzeiro in het bakje naast hun.
Deze stad ligt onder een enorme geestelijke druk waaronder iedereen lijdt. Hier hebben we meer dan ooit ervaren, dat bepaalde machten uit de hel optreden als vorsten over het hun toegewezen gebied. Daarover schrijft Daniël (10:20), waar sprake is van een vorst van de Perzen en een vorst van Griekenland. Belém is een opeenhoping van de werken van de duisternis. Nooit zagen wij zoveel zonde, ziekte, armoede, dronkenschap, angst, vertwijfeling, haat, afpersing, corruptie en menselijk leed bij elkaar als in deze bezeten stad.
De atmosfeer was vervuld met demonen. Zij manifesteerden zich in de mensenmassa. Soms wisten wij niet meer zo goed of wij met een realiteit of met een visioen te maken hadden bij de aanblik van sommige menselijke gedrochten. Het leek wel of wij droomden. En op de nokken van de daken zaten uruba’s, de gieren van dit land, de omgeving te beloeren, grote zwarte vogels die gratis het stadsvuil opruimen. ‘s Avonds zochten wij weer de rivieroever op om naar de zonsondergang te kijken. We hoopten daar wat koelte te vinden. Eindelijk ontmoetten wij daar iemand die een paar woorden Engels sprak, een negerin. Toen wij vertelden wie wij waren en waarom wij in Belém rondliepen, gaf zij ons de raad naar het hotel terug te gaan en beslist geen taxi te nemen. Een vreemdeling is niet veilig als de avond valt, trouwens niemand blijft zonder dringende noodzaak op straat. Toen wij door de donkere lugubere havenbuurt terugliepen naar ons hotel, wisten wij ons letterlijk en geestelijk omringd door de machten van de duisternis.
Toch werken er ook in deze stad een aantal zendelingen. Wij kunnen ons voorstellen, dat de duivel daartegen hard tekeer gaat en alles zal doen om dit werk te verhinderen. Nu begrijpen wij ook, beter dan in het verleden, hoe het mogelijk was, dat vlak voor het vertrek van de zendelingen naar Brazilië, 5 jaar geleden, hun dochtertje, toen een jaar oud, ‘s nachts zulke onverklaarbare angstaanvallen kreeg. Elke nacht werd het meisje gillend van angst wakker. Na het inroepen van hulp uit de gemeente, zag de voorganger in de geest dat hier sprake was van duistere machten die uit Brazilië kwamen. Zij voelen het kind van de zendeling bij voorbaat aan. Toen deze machten gebonden werden in de naam van Jezus, werd het kind rustig. De angsten kwamen niet meer terug. Hier in deze stad vonden wij deze demonen terug. Maar wij weten dat de tijd komt, dat ook deze vijanden de nederlaag zullen lijden in de naam van Jezus!

