In de vuurlinie

Zo was het 40 jaar geleden

Al bij het pakken van de koffers voor een reis van zes weken naar Brazilië, waar wij een aantal uitgezonden gemeenteleden wilden opzoeken, werden wij geconfronteerd met de harde werkelijkheid van het zendingswerk. Toen pas realiseerden wij ons goed wat het betekent om maar 20 kg bagage per persoon mee te mogen nemen. Voor een reis als deze is dit nauwelijks genoeg en wij moesten er verschillende dingen weer uitlaten om wat meer nuttige zaken en wat minder speelgoed voor de kinderen mee te kunnen nemen. Wat moet het voor onze zendelingen betekend hebben, toen zij naar dit land vertrokken met achterlating van alles wat zij bezaten, uitgezonderd die 20 kg en een kleine tas met wat handbagage. Erg weinig dus voor een jong gezin. In gedachten zagen wij hen staan op het vliegveld en het beetje bagage in twee koffers en een paar tassen. Zij wisten zeker dat ze naar Brazilië moesten, hoewel zij niet wisten wat hun eindbestemming zou zijn, de plaats waar zij zouden wonen en werken.

Nu wij Brazilië een beetje hebben leren kennen, hebben wij begrepen welke offers zij brachten door naar zo’n enorm groot en in de geest vijandig land te gaan. Door de Heer volkomen te gehoorzamen, lieten zij alles achter om juist daar plaatselijke gemeenten te stichten. Ook tijdens ons vertrek van Schiphol moesten wij aan hen denken. Ook wij namen afscheid van hen die ons uitzwaaiden, onze kinderen en enkele broers en zusters uit de gemeente, maar het was voor ons maar voor zes weken. De zendelingen wisten niet wanneer ze zouden terug komen; zij werden bij aankomst op een vreemd vliegveld niet opgehaald; voor hen was er geen vriendelijk thuis met veel gastvrijheid. Toen wij daarna urenlang over de oceaan vlogen op weg naar Paramaribo, spraken wij over het grote voorrecht, dat een ‘zendingsreis’ per vliegtuig eigenlijk een grote luxe is. Wij gunnen onze zendelingen het voorrecht zo te kunnen reizen, omdat zij alles achterlieten. Zij hebben er recht op. Zij geven het beste wat zij bezitten. Zij zetten zich in met heel hun gezin. Zij gaan een harde tijd en grote eenzaamheid tegemoet. Voor hen betekent terug komen hooguit een periode verlof, na jaren. Aan het geroepen zijn voor zending in een ver, vreemd land moet wel een bijzondere genade verbonden zijn.

Kort bezoek aan Suriname

Toen wij laat in de avond in Suriname aankwamen, viel de tropenwarmte als een deken over ons. Hier zouden wij twee dagen blijven en op de terugreis, na vijf weken, wat langer. Hier ontmoetten wij het stel, dat werkt aan de opbouw van een gemeente in Paramaribo. Wij kenden elkaar van vroeger en zij waren, net als wij, blij met deze ontmoeting. Zij ontvingen de roeping voor de zending en zij gingen als jong stel naar Zuid-Amerika. Nu vonden wij hen terug, opgewekt en blij in de Heer, bouwend aan een fijne gemeente met zeer veel jeugd. De samenkomsten worden gehouden in een mooi gebouw en verder heeft deze gemeente een aantal buitenposten onder haar hoede in de omgeving van Paramaribo. Het echtpaar werkt hard. Vrijwel iedere avond is er een samenkomst en driemaal per week verzorgen zij een radio-uitzending. Zij kenmerken zich door een grote liefde tot de Heer, die zich manifesteert in een liefde tot hun werk en tot de mensen die hun zijn toevertrouwd. Het is een lief gezinnetje met een kindje, dat wij niet in onze gebeden mogen vergeten.

Paramaribo met haar vijf Evangelische Gemeenten en verschillende zendelingen is bijzonder bevoorrecht met betrekking tot het verspreiden van de naam van Jezus en het Koninkrijk van God. Er zijn gemeenten als geestelijk thuis voor de gelovigen daar. Evangelisatie door middel van meetings en radio-uitzendingen wordt verzorgd door verschillende gemeenten. Wij hoorden de pinksterboodschap toen wij door de stad reden, want uit verschillende huizen klonk deze ons toe via de luidsprekers. Wij hoorden deze boodschap toen wij ver buiten Paramaribo in een dorpje stonden tussen halfnaakte, zwarte kinderen: er hing een kleine transistorradio in een hutje. Wij hoorden de voorganger spreken en uitroepen ‘Jezus is Heer’ toen wij de hal van ons hotel binnenstapten. Wij zagen hoe de gasten luisterden.

Belèm, de stad aan de monding van de Amazone

Wat klinkt dat lieflijk, maar wat een ontgoocheling! ‘Belèm, de stad in de afgrond’, blijkt meer in overeenstemming met de werkelijkheid te zijn. Toen wij na twee dagen in Paramaribo ‘s avonds laat nog vertrokken naar Belèm – de meest noordelijke stad van Brazilië -, waren we ons niet bewust wat ons te wachten stond. Belèm zou slechts een tussenstation zijn voor twee dagen. Toen de lichten van de stad onder ons verschenen, vonden wij het adembenemend mooi. De Amazone was te zien als een lichtend, breed lint en op de noordoever lag de stad met haar zee van twinkelende lichtjes. Zodra wij echter op het vliegveld uitstapten en onze voeten op Braziliaans grondgebied zetten in deze stad, viel er een geweldige geestelijke druk op ons die wij zouden willen samenvatten in het begrip ‘duisternis’.

Het vliegveld ligt buiten de stad en, behalve wat verlichting in de hal, was het er donker. De moeilijkheden begonnen al bij de douane en de andere ambtenaren, die de papieren en de bagage moesten controleren. Het was nogal moeilijk, begrepen wij uit hun gebaren. Maar niemand kon ons duidelijk maken waarom het moeilijk was. De taxi, die ons volgens afspraak bij de boeking naar een hotel zou brengen, was er niet en de naam van het hotel kende niemand. Daar stonden wij dan in de nacht tussen drukdoende, jagende zwarte mensen, die allen hun bestemming wisten, behalve wij. Een grote eenzaamheid overviel ons, toen bleek dat wij beslist niet terecht konden met ons Engels, Frans of Duits. Naast het Portugees wordt slechts door enkelen Spaans gesproken, maar daar hadden wij ook niets aan.

Onze koffers werden door een nogal guur uitziende man in lompen weggerukt en naar buiten gesleept. Wij erachteraan. Buiten stond een oude auto, een soort busje. De koffers werden er ongevraagd opgegooid en toen hield de man beide handen op voor een beloning. Toen ik in zijn ogen keek, kon ik de hel zien, daaronder een grijnzende mond met dreigende witte tanden. Ik gaf hem maar een bankbiljet. Hoeveel was de waarde? Toen wij omkeken zagen wij een andere man, evenzo guur uitziend, die met veel gebaar en gemopper onze koffers er weer afsmeet en met de auto wegreed. Toen terug naar de hal. Aan de balie van de Pan American, de maatschappij waarbij wij geboekt hadden, was niemand meer. Het informatiebureau was gesloten. Wij werden omringd door mensen die wat wilden verdienen door onze bagage te dragen of een taxi aan te bieden. Bedelaartjes, kleine kinderen nog, met wat vodden om hun magere, zwarte lijfjes, drongen zich op. Zij keken ons smekend aan, terwijl zij hun vuile handjes ophielden. Wat een ellende, hongerende kinderen midden in de nacht. Er was niemand die zich over ons ontfermde. De psalm die de gemeente ons meegaf bij het vertrek, komt ons duidelijk voor de geest:

  • ‘De Heer is uw Bewaarder, de Heer is uw schaduw aan uw rechterhand’.

Eindelijk begreep een van de mannen van de vlieghaven iets van onze positie. Hij maakte ons duidelijk, dat hij zou helpen door iemand te halen en verdween in de duisternis van het vliegveld. Later kwam hij terug met een meisje dat hij uit een gereedstaand vliegtuig gehaald had. Zij sprak een beetje Duits en kende Belèm. Zij vertelde ons, dat wij goed op onszelf, ons geld en de koffers moesten passen. De stad lag 15 km verder en je kon niet zo maar logeren in het eerste het beste hotel. Zij gaf ons de adressen van twee hotels die – naar zij dacht – wel goed waren. In de nacht reden wij de stad binnen, een verlaten stad. Alle ramen waren gesloten met luiken of zware tralies. Winkels en banken hadden stalen rolluiken. Er was geen mens te zien. Slechts af en toe zagen wij een snel rijdende auto. Later vernamen wij, dat men om ‘allerlei redenen’ niet graag op straat komt als het donker is. De chauffeur heeft geen aandacht voor het briefje met de twee adressen van de ‘goede’ hotels. Hij rijdt welbewust verder en brengt ons ergens in een achterbuurt bij de rivier naar een smerig luguber uitziend hotel dat hij voor ons uitzocht. De fooi die hij van de eigenaar ontving, maakte ons duidelijk waarom. Wij waren doodop en namen genoegen met alles, als we maar konden slapen. De volgende dag zouden wij de stad leren kennen…..

Een vreselijke stad

Zoals iedere stad heeft ook deze stad een eigen sfeer. Hier: somber en deprimerend. Er wonen een half miljoen mensen, bestaande uit verschillende rassen, allen kleurlingen, van bruin tot het diepzwart van de neger. De stad wordt door het oerwoud omringd, als of het een belegerde vesting is met maar één weg ter ontkoming: de brede, vuile, bruine Amazone. Wij werden wakker door het geraas van de stad en door de hitte die de kamer binnenstroomde. Vanuit onze kamer konden we de rivier zien, we waren er niet zo ver vandaan. Maar er ging geen verleiding vanuit. Het rimpelloze, bruinvuile wateroppervlak weerspiegelde een gloeiende zon, die als een koperen bol boven de stad hing. De lucht trilde van de hitte. Het was nog maar tien uur en de thermometer stond al boven de 40° C. Belèm ligt ongeveer op de evenaar.

Toen wij even later op straat stonden, was onze eerste indruk dat wij als het ware meegesleurd werden in een enorme draaikolk. De gloeiend hete straten waren vol met mensen die zich in een stroom voortbewogen, druk pratend met veel gebaren, maar nergens een vriendelijk gezicht of een glimlach. Het leek ons toe of iedereen achter een masker leefde. Op de bredere verkeerswegen was een stroom van verkeer, bestaande uit opvallend nieuwe en dure auto’s, maar ook veel jeeps als bewijs van het ingesloten zijn in een onbegaanbaar gebied, waar slechts de jeep nog kan binnendringen. Wij zagen grote gebouwen, banken en dure winkels, de laatste uitpuilend van alles wat de wereld aan luxe gebruiksvoorwerpen en levensmiddelen biedt. Maar op de straat greep het leed van de diepe armoede ons aan in het zien van de bedelende kinderen die hun magere handjes ophouden. We zagen winkels vol schoenen naar de nieuwste mode, maar daarvoor mensen op blote voeten en met vuile soms met zweren bedekte benen. Modezaken met de duurste kleren aan de binnenzijde van het etalageraam, maar aan de andere zijde nog veel halfnaakte mensen met wat vuile lompen om hun lijf. Een jonge moeder, zelf nog maar een groot kind, bedelend bij de ingang van een groot winkelbedrijf, een baby in haar arm en een paar kindertjes om haar heen spelend met het vuil van de straat.

Wij vluchtten naar de overkant, waar nog een streepje schaduw was. Maar daar zaten de melaatsen die medelijden opwekten door hun door deze ziekte aangetaste en ten dele weggerotte ledematen te tonen. We vluchtten naar de rivieroever. Ze bood geen uitkomst, ook daar enorme hitte en mensen. Bootwerkers die zich voortsleepten en bedelaars, hangend tegen de muur, of zo maar liggend op de straat. Ze staarden ons aan met levenloze ogen en het leek wel of ze geen kracht meer hadden om hun hand op te houden voor een aalmoes. We wierpen daarom maar een cruzeiro in het bakje naast hun. Deze stad ligt onder een enorme geestelijke druk waaronder iedereen lijdt. Daar hebben wij beter dan ooit te voren ervaren, dat bepaalde machten uit de hel optreden als vorsten over het hun toegewezen gebied. Daarover kunnen we ook lezen in het boek Daniël (10:20), waar sprake is van een vorst van de Perzen en een vorst van Griekenland. Belèm is een opeenhoping van de werken van de duisternis. Nooit zagen wij zoveel zonde, ziekte, armoede, dronkenschap, angst, vertwijfeling, haat, afpersing, corruptie en menselijk leed bij elkaar als in deze bezeten stad.

De atmosfeer was vervuld met demonen. Zij manifesteerden zich in de mensenmassa. Soms wisten wij niet meer zo goed of wij met een realiteit of met een visioen te maken hadden bij de aanblik van sommige menselijke gedrochten. Het leek wel of wij droomden. En op de nokken van de daken zaten uruba’s, de gieren van dit land, de omgeving te beloeren, grote zwarte vogels die gratis het stadsvuil opruimen. ‘s Avonds zochten wij weer de rivieroever op om naar de zonsondergang te kijken en we hoopten daar wat koelte te vinden. Eindelijk ontmoetten wij daar iemand die een paar woorden Engels sprak, een negerin. Toen wij vertelden wie wij waren en waarom wij in Belèm rondliepen, gaf zij ons de raad naar het hotel terug te gaan en beslist geen taxi te nemen. Een vreemdeling is niet veilig als de avond valt, trouwens niemand blijft dan zonder dringende noodzaak op straat. Toen wij door de donkere lugubere havenbuurt terugliepen naar ons hotel, wisten wij ons letterlijk en geestelijk omringd door de machten van de duisternis.

Toch zijn er ook in deze stad een aantal zendelingen werkzaam. Wij kunnen ons voorstellen, dat de duivel daartegen hard tekeer gaat en alles in het werk zal stellen dit werk te verhinderen. Nu begrijpen wij ook beter dan in het verleden hoe het mogelijk was, dat even voor het vertrek van de zendelingen naar Brazilië vijf jaar geleden hun dochtertje, toen een jaar oud, ‘s nachts zulke onverklaarbare angstaanvallen kreeg. De ouders van het meisje werden totaal afgepeigerd door slapeloze nachten. Alle gebeden schenen niet te helpen. Iedere nacht weer hetzelfde, het kindje kwam gillend van angst wakker. Toen belden zij ten einde raad in de nacht de voorganger. Toen hij kwam en met het kind bad, zag hij in de geest dat hier sprake was van duistere machten die uit Brazilië kwamen en het kind van de zendeling bij voorbaat aanvielen. Toen dan ook deze machten gebonden werden in de naam van Jezus, werd het kind rustig en de angsten kwamen niet meer terug. Hier in deze stad vonden wij deze machten terug. Maar wij weten dat de tijd komt, dat ook deze vijanden de nederlaag zullen lijden in de wonderbare naam van Jezus.

Brazilië

Het verlangen om uit de duistere, bezeten stad Belém weg te komen was groot, maar wij moesten wachten op het eerstvolgende vliegtuig naar Brazilië. Toen wij na twee dagen in de vroege morgen pas konden vertrekken, leek dit dan ook meer op een vlucht. Een taxi zou ons naar het vliegveld brengen, 15 km buiten de stad. Maar voordat wij daar zouden aankomen, werden wij nog weer eens geconfronteerd met de dreigende, demonische sfeer, die in deze stad bijna tastbaar is. De chauffeur bleef maar rijden en in plaats van de hoofdweg naar het vliegveld te nemen, bracht hij ons naar een armoedige achterbuurt. De huizen waren daar krotten en bouwvallen. De straten werden smaller. Sloppen zonder bestrating, vol kuilen en gaten. De chauffeur moest heel langzaam rijden om er door te komen. Halfnaakte mensen, omhangen met wat vieze vodden, staarden ons aan. Wij begonnen ons af te vragen waar deze rit zou eindigen. Wij waren overgeleverd aan een onguur uitziende chauffeur, die ons kon brengen waar hij maar wilde. Een enorme verlatenheid overviel ons. Wie zou ons helpen als hier iets gebeurde? Niemand die ons kon verstaan. Niemand die ons zou missen. Zelfs geen spoor zou er van ons gevonden worden, als wij na deze rit niet op het vliegveld zouden aankomen. Wij zouden eenvoudig verdwijnen, levend of dood, vermorzeld door het monster dat Belém heet en aan de monding van de Amazone ligt, geïsoleerd van de rest van de wereld. Zeker, we waren in Brazilië, het land waar ook onze zendelingen wonen en werken. Zij verstaan de taal en zouden ons kunnen helpen. Maar zij bevonden zich ruim 3000 km verder. Zouden wij ze eigenlijk nog wel ooit ontmoeten? Naast het vreselijke gevoel van grote verlatenheid bekroop ons ook de angst.

‘De Heer is uw bewaarder, de Heer is uw schaduw aan uw rechterhand’

Dit waren weer de woorden die de gemeente ons had meegegeven bij ons vertrek. Zij stonden mij in deze ogenblikken duidelijk voor de geest. Wij deden twee dingen tegelijk. Wij stelden ons tegenover de duistere machten die ons letterlijk en figuurlijk in een slop wilden drijven, baden in talen en maakten de chauffeur in één Portugees woord duidelijk wat wij wilden: ‘aeroporto, luchthaven’. Hij veranderde van richting en houding en na nog een lange weg zagen wij inderdaad dat wij bij het vliegveld kwamen. Het vliegveld was zwaar bewaakt. Voor alle in- en uitgangen soldaten. Een uiterst nerveuze spanning was duidelijk merkbaar. Controle en nog eens controle op bagage en papieren. Twee vliegtuigen stonden klaar. Een daarvan vertrok. Een ogenblik later, allerlei schreeuwerige berichten door de luidsprekers. Iedereen druk pratend. Nog ernstiger gezichten, nog zwaardere controle. Alle passagiers voor het volgende vliegtuig werden op een rij gezet. De vrouwen werden onder leiding van gewapende soldaten meegenomen naar het vliegtuig die nog op de startbaan stond en daar door vrouwen gefouilleerd. De mannen werden ook zwaar gecontroleerd op het bezit van wapens en daarna onder leiding naar het vliegtuig gebracht. Ieder was bang voor ieder. Later vernamen wij dat het vliegtuig dat ons voorging ondanks de controle al bij de start gekaapt werd en naar Cuba vloog. Wij voelden ons opgelucht toen wij deze afschuwelijke stad onder ons zagen wegzinken. In een bocht vlogen we over de Amazone met haar smerig bruin water en het dichte oerwoud aan haar oevers. Wij keken stroomopwaarts, terwijl wij losgescheurd werden van dit mensvijandige gebied. Wij wisten dat 2000 km stroomopwaarts in de ‘Mato Grosso’, de Groene Hel, een stad ligt, Manaus, waar ook een Hollandse zendelinge werkt.

Manaus, de stad van het rubberdrama

Een oerwoudstad, een door de wildernis belegerde vesting gelegen op het punt waar de twee grote rivieren de Rio-Solmoes en de Rio Negro elkaar ontmoeten en zich in de Amazone storten. Manaus, rond de eeuwwisseling uit de grond gestampt door een goudstroom, die toevloeide uit de wereld die om rubber vroeg. Die rubber was er toen nog alleen maar in de Mato Grosso. Met scheepsladingen werden de schatten van de wereld aangevoerd voor de bouw van dit moderne Babel midden in de wildernis. Deze stad had de alleenverkoop van rubber. Haar rijkdom steeg tot ongekende hoogte, maar ook haar zonde en onreinheid. Zij werd het Sodom van de Amazone. Het oordeel kwam. Het vonnis werd uitgesproken omstreeks 1900, toen de Engelsman Steed ondanks het uitvoerverbod er in slaagde het zaad van de seringa, de rubberboom, uit het land te smokkelen. Tien jaar later, toen de rubberstroom uit de plantages van Malakka en Sri Lanka begon te vloeien, werd het oordeel over Manaus voltrokken. Haar val was zeer groot. Armoede en wanhoop werden haar deel. Ze wordt geteisterd door tropische ziekten, enkele duizenden melaatsen, en een moordende hitte. Men noemt haar de stad waar niemand lacht en zelfs de dieren treuren. In die stad wordt het evangelie van het Koninkrijk van God en de naam van Jezus gebracht. Zij staat daar in de vuurlinie. Immers, als de werken van satan zich zo duidelijk zichtbaar manifesteren in deze veroordeelde stad, hoe geweldig zal dan de strijd zijn voor hen die juist daar vertellen, dat Jezus kwam om de werken van de duivel te verbreken. Bid voor onze zendelingen aan dit front.

Nog maar 3000 km

Het vliegtuig boorde zich door de blauwgrijze regenwolken die zich boven de monding van de Amazone opstapelden. Eenmaal daarboven zagen wij dezelfde wolken in het stralend zonlicht als een smetteloos wit sneeuwveld onder een azuurblauwe hemel. Wij waren bijzonder dankbaar gestemd, immers aan het einde van de vlucht, zij het dan met tussenlandingen in Sao Luis, Teresina en Brazilia, zouden wij de zendelingen ontmoeten op het vliegveld van Belo Horizonte. De wildernis onder ons, zichtbaar tussen de wolkenvelden, bestaat slechts uit twee elementen: water en oerwoud. Als het later opklaart, blijkt het één groene bomenzee van horizon tot horizon te zijn, met daartussen water, veel water, rivieren, moerassen, beken. Een onbewoonde wereld van slik en vegetatie.

Een tussenlanding in dit gebied, op het eiland van Sao Luis, is een ervaring. In een glijvlucht scheert het vliegtuig steeds lager over de toppen van de palmen, geen weg, huis of vliegveld is te zien. Wij hadden het gevoel dat we in de Mato zouden neerstrijken. Opeens is daar de smalle betonnen landingsbaan, omgeven met oerwoud. Aan het einde van de baan, waar het vliegtuig tot stilstand kwam, ervoeren we Brazilië ten voeten uit. Hitte, eenzaamheid, en halfnaakte zwarte kindertjes die uit het bos tevoorschijn komen, bedelend om eten. Zij hadden kennelijk gerekend op de komst van dit vliegtuig, evenals de stewardess. Deze had de resten van onze overdadige lunch in servetjes verpakt, en wierp ze de kinderen toe. Etende verdwenen ze weer in de Mato. In Teresina hetzelfde beeld, een uiterst klein vliegveldje, hitte en armoede.

Na uren vliegen over midden-Brazilië begonnen we enorm te verlangen naar het einddoel: Belo Horizonte. In 1957 begon men met de bouw, nu is er al een grote stad met brede boulevards, paleizen en wolkenkrabbers. Het was stralend helder weer, zodat wij vanuit de lucht een goede indruk kregen van deze stad. Na de landing vernamen wij, dat we met vier uur vertraging zouden vertrekken. Wat een teleurstelling. Gelukkig was het klimaat in Brazilië wat beter en de mensen leken vriendelijker. Tegen zonsondergang begonnen we eindelijk de laatste 800 km naar Belo. Twee grote bosbranden onder ons interesseerden ons niet, evenmin de kostelijke maaltijd die ons geserveerd werd. Wij verwonderden ons nauwelijks over de miljoenen lichtjes die onder ons doorgleden, toen wij boven Belo Horizonte vlogen. Eindelijk de daling. Wat een vreselijk lange landingsbaan. Komt er dan geen einde aan? Wij turen door de raampjes, zien niets. Het vliegtuig staat stil voor het stationsgebouw. We mogen uitstappen. Wat een land met haar onvoorstelbare afstanden! Heer, wij danken U!