Gemeente, evangelisatie en geldzaken

In evangelische kringen wordt veel en graag gegeven. Dit is een algemeen bekend feit. Zij vormen immers een groep mensen, die vaak pas tot het geloof gekomen zijn en die in het enthousiasme van de eerste liefde verkeren. In de samenkomsten wordt nooit tevergeefs een beroep op de vrijgevigheid gedaan. De vraag is: wat doen wij met ons geld in verhouding tot de gemeente en de activiteiten die vanuit de gemeente gedaan worden om het evangelie door te geven?

In Mattheüs 10 en Lucas 9 en 10 lezen we dat Jezus eerst de twaalf en later de zeventig de opdracht geeft om het evangelie te brengen aan buitenstaanders. Hijzelf zond hen uit, maar gaf hun ook macht over onreine geesten om deze uit te drijven en om alle ziekten en alle kwaal te genezen. Verder gaf Hij hun nog enkele regels, waaraan zij zich bij hun opdracht te houden hadden. Eén daarvan was:

  • ‘Neem geen goud-, zilver- of koperstukken mee, neem geen tas mee voor onderweg, geen twee hemden, geen sandalen en geen staf.’

De Heer die de opdracht gegeven had om het evangelie van het Koninkrijk met gezag en met kracht van tekens en wonderen te gaan brengen, nam ook de hele verantwoording op zich voor hun dagelijks onderhoud. De leerlingen gingen op pad vanuit geloof en vertrouwden hun Heer, die zei dat het hun aan niets zou ontbreken. Hun geloof werd gehonoreerd. Nergens staat dat zij aan hun werk bekendheid moesten gaan geven om anderen op te wekken hen met geld en goed te steunen. Het waren de inwoners van de steden en dorpen, waar zij het geestelijke voedsel gingen uitdelen, die in hun levensonderhoud voorzien zouden, zoals Paulus later schreef:

  • ‘Want als de heidenen aan hun geestelijke goederen deel hebben gekregen, horen zij ook met hun materiële goederen hen te dienen’ (Rom.15:27). Jezus zei in dit verband: ‘Want de werker is zijn voedsel waard’ (Matth.10:10).

Wij merken op dat deze leerlingen rechtstreeks door de Heer uitgezonden werden en daarom ook direct door Hem werden onderhouden. Zij hoefden zich alleen maar aan zijn opdracht te houden en waren ook alleen aan Hem verantwoording schuldig. Het zou hun dus vergaan zoals hun Meester zelf, want zij deden zijn werken voor Hem. Ook Hij was uitgezonden en had zelfs geen plaats, waar Hij het hoofd kon neerleggen. Toch ontbrak het Hem aan niets. Of Hij aan tafel zat in het huis van Simon de melaatse, of Hij werd gevolgd door vrouwen die Hem dienden van hun goederen, of Hij kwam in het tolhuis. Hij werd altijd verzorgd door mensen, die Hij verlost en genezen had. Als de zeventig terugkeren, juichen zij erover, dat zelfs de demonen hun gehoorzaam waren. Op de vraag van Jezus: ‘Toen Ik jullie uitzond zonder beurs of tas of sandalen, hebben jullie toen aan iets gebrek gehad?’ was het antwoord volmondig: ‘Aan niets’ (Luc.22:35). Jezus had hun iets kostbaars meegegeven om uit te delen en daarom werden zij gastvrij onthaald en kwamen ze niets tekort. Petrus zei tot de verlamde man aan de Schone Poort: ‘Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik u: in de Naam van Jezus Christus de Nazarener, sta op en ga lopen!’ Is het vreemd te veronderstellen dat deze genezen man later lid werd van de gemeente te Jeruzalem en hij in plaats van te bedelen zijn bijdrage neer kon leggen aan de voeten van de apostelen?

Het is duidelijk wanneer een gemeente zendelingen of evangelisten in de naam van de Heer uitzendt, zij alleen die broers of zusters mogen uitzenden, die in de kracht van God staan. Zij zijn echter ook verantwoordelijk voor het levensonderhoud van deze personen, die op hun beurt verantwoording schuldig zijn niet alleen aan God, maar ook aan hun opdrachtgevers die biddend achter hen staan. Het is een vreemde situatie, wanneer een uitzendende gemeente wel de opdracht geeft en wel iets te zeggen wil hebben over de persoon van de evangelist, maar in diens levensonderhoud niet voorziet!

Freelance-evangelisten

Telkens komen wij in aanraking met personen, die vanuit het evangelie werken en geen salaris of vaste bron van inkomsten hebben. Deze mannen of vrouwen zeggen dat zij ‘uit het geloof willen leven’. Zij stellen niemand verantwoordelijk voor hun materiële noden, maar zij bidden of de Heer het de mensen in hun hart wil leggen in hun onderhoud te voorzien. Niemand weet precies waarvan zo’n evangelist leeft en hoe hij eigenlijk in staat is zijn werk te doen. Hij zou u urenlang met de wonderlijkste gebedsverhoringen bezig kunnen houden. Hij spreekt niet over zijn geloofswerk, maar lééft uit het geloof. Vaak laten deze mannen of vrouwen zich door niemand adviseren of corrigeren, want zij willen in elk opzicht volkomen onafhankelijk blijven. Zij noemen zich graag pioniers op zegenrijke en nieuwe werkterreinen. Hoewel deze geloofsmensen sterk tot de verbeelding spreken en zij soms met een waas van romantiek omgeven zijn, willen wij toch enkele opmerkingen over deze categorie maken.

Wat is eigenlijk uit het geloof leven?

Leeft iedere christen, die geen vast inkomen heeft, uit het geloof? Is dit iets bijzonders? In de maatschappij komt dit regelmatig voor. Veel fabrikanten of vertegenwoordigers zijn afhankelijk van opdrachten, die men vooruit niet bepalen kan. Het is niet toevallig dat onder schippers en boeren percentsgewijs zoveel christenen zijn, die het risico van hun onzeker bestaan telkens bij de Heer brengen. Is het leven uit geloof wanneer een evangelist zonder vast salaris per week vijf of zes spreekbeurten houdt? Wij menen dat zo’n harde werker wel kans ziet in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te voorzien door de opbrengsten van de collecten, die hij in sommige samenkomsten meekrijgt. Zoals men wel spreekt van freelance-journalisten, zouden wij deze geestelijke werkers freelance-evangelisten kunnen noemen.

De Bijbel definieert het geloof als de zekerheid van de dingen die men hoopt en het bewijs van de zaken die men niet ziet. Wie gelooft, laat de zichtbare wereld los om zijn zekerheid volkomen in de beloften van God te vinden. Wie bijvoorbeeld de weg van de geloofsgenezing volgt, vertrouwt dat de Heer hem rechtstreeks op bovennatuurlijke wijze genezen zal. Wie dit geloof niet bezit, stelt zich onder behandeling van een arts en bidt of de Heer de medicijnen zegenen wil.

Veronderstel dat een evangelist een project beginnen wil en aan zijn plan bekendheid gaat geven met de bedoeling ondersteuning te ontvangen. Juist deze bekendmaking tast dan het wezen van zijn geloofsprincipe aan! Hij zei toch dat hij zijn opdracht van de Heer ontvangen had en deze ook in volkomen vertrouwen op God uitvoeren wou? Misschien verwacht hij dat door de leiding van Gods Geest mensen op het idee komen om zijn werk te steunen. Door zijn publicatie doorkruist hij nu deze leiding, met zijn eigen initiatief. Zo’n evangelist is immers bang dat men niet zal weten, dat hij uit het geloof moet leven en dat men niet op de hoogte zal zijn van wat verder voor zijn werk nodig is. Op deze manier kan zo’n evangelist tot op zekere hoogte op een bepaald bedrag van inkomsten rekenen, zoals men in een zaak na het plaatsen van een goedgerichte advertentie ongeveer weet dat de omzet met een zeker percentage omhoog zal gaan. Wij willen in dit geval niet spreken van evangelisatie vanuit het geloof met haar volkomen vertrouwen op de leiding van de Heer, maar van een project op zakelijke basis, waarbij men mensen dikwijls op psychologische wijze beïnvloedt geld in zijn bedrijf te steken. Wij komen tot de conclusie dat gemis van een vast salaris geen bewijs is, dat men uit het geloof leeft.

Evangelisatie en gemeente

Welk ‘geloofsstandpunt’ moet een gemeente dan innemen? Is deze methode juist funest als wij een voorganger onderhouden en/of een evangelist uitzenden? De gemeente die haar voorganger niet salarieert, schiet tekort in haar plichten. De Heer zegt immers dat een werker (ook een geestelijke) zijn volle loon waard is. Paulus schreef:

  • ‘Zo heeft de Heer ook voor de boodschappers van het evangelie de regel gesteld, dat zij van het evangelie leven’ (1 Cor.9:14).

Wanneer een gemeente meent dat haar voorganger geen normaal salaris waard is, moet zij hem niet aanstellen. Zo moet men ook de evangelist in staat stellen zijn werk onbezorgd te kunnen doen. Het komt voor dat men evangelisten van alles belooft, maar dat men zich later weinig of niets aan hem gelegen laat liggen. Op die manier moet de evangelist toch bezig zijn met aardse zaken. Hij moet geloof hebben voor de huur van zijn huis, voor nieuwe kleren of schoenen. Dan komen er spanningen en zij zijn zo met hun materiële nood bezig, dat zij aan een geloofsstrijd in de hemelse gewesten niet meer toekomen. Gezonde gemeenten en zogenaamde ‘geloofszendelingen’ zijn onverenigbare begrippen. De gemeente is het huisgezin van God en in een goed gezin draagt men elkaars lasten.

Het kan ook andersom: Herhaaldelijk komt het voor dat evangelisten in de gemeenten komen om de belangrijkheid van hun werk uit te stallen. Zij hebben echter geen belang bij de gemeente zelf. Soms moet van deze evangelisten gezegd worden:

  • ‘Of minacht u zozeer de gemeente van God?’ (1 Cor.11:22).

Zij verachten echter niet het geld dat zij uit zo’n gemeente meekrijgen. Zij spreken bij allerlei kerken en groeperingen zonder enig onderscheid te maken. Zij komen ook graag in evangelische gemeenten en spelen dan in op het gevoel om daar financiële steun voor hun werk te krijgen. Daarvoor nemen zij als een kameleon de kleur van hun omgeving aan. Ongevraagd leggen zij hun rondschrijfbrieven en invulformulieren in de gemeentesamenkomst neer om donateurs te werven. Zij zijn overigens niet van plan om mensen naar gemeenten te brengen, maar wel hun organisatie te verstevigen en uit te breiden. Omdat zij geen vast fundament brengen, zijn zij ook niet in staat om gemeenten te stichten. Daarom zijn zij mannen van het compromis en zij spreken graag over de liefde, die alles verdoezelen moet. Daarom zijn zij een gevaar voor onze gemeenten, die zich volkomen funderen willen op de waarheid van Gods Woord en uitzien naar het volkomene. Zij leiden ook de aandacht van de gemeente af van haar eigen roeping en plicht om vanuit haar midden het eeuwig evangelie uit te dragen. Zo goed als de Heer herders en leraars aan de gemeente gegeven heeft, zo heeft Hij ook van daaruit evangelisten afgezonderd (Ef.4:11-13). Wat dit betreft, staat de gemeente onder leiding van Gods Geest en wij mogen niet toelaten dat vreemde evangelisten, die wij vaak niet controleren kunnen, deze leiding doorkruisen.

Door schade en schande

Wij herinneren ons twee buitenlandse evangelisten die met een Nederlandse collega een contract afsloten om met zijn drieën de buit ‘eerlijk’ te verdelen. In de samenkomsten werden de bezoekers onder psychologische druk gezet om bedragen van honderden of duizenden euro’s aan deze ‘werkers’ te schenken. Omdat later onder het drietal onenigheid ontstond door verkeerde interpretaties van het gemaakte contract, kwamen wij dit te weten. Wij denken ook aan een evangeliegemeente die een drukpers aan een zendeling in India cadeau deed. Bij onderzoek bleek, dat deze pers nooit voor het gegeven doel gebruikt werd en van de buitenlander werd taal noch teken vernomen. Ergens in Europa rijdt een fervente tegenstander van het evangelie van Jezus Christus rond in een auto die hij van evangelische gemeente als geschenk kreeg. De vele duizenden euro’s die door deze gemeente geofferd werden, bleken weggegooid geld. Deze voorbeelden kunnen wij gemakkelijk met allerlei andere aanvullen.

Wanneer evangelisten vanuit de gemeente uitgezonden worden, kunnen gemeenteleden geld storten op een rekening van de eigen gemeente, zodat vanuit de gemeenten de evangelisatieactiviteiten gefinancierd, maar ook gecontroleerd kunnen worden. Wanneer de belasting voor één gemeente te zwaar is, kunnen meerdere gemeenten zich verantwoordelijk stellen. Wij roepen de gemeenten daarom op om zich te bezinnen op de taak die zij in dit opzicht hebben.