Ervaringen met het evangelie in Suriname

‘My sins are gone, gone, gone far away. The blood has washed them away’.

‘Santo Boma’, een welluidende naam, die toch weer vraagtekens oproept. ‘Santo’, goed, dat is duidelijk, maar Boma, wat is nu Boma? Toch is het in Suriname in zeker opzicht een begrip: de centrale penitentiaire inrichting is er gevestigd en daar worden straffen uitgezeten, waar je in Nederland van zou opkijken. Iedereen weet, dat je in Holland nauwelijks nog wordt gestraft voor delicten. Hier is dat nog anders: straffen van tien, vijftien jaar zijn heel gewoon.

Maar nu, er is een bericht binnengekomen, dat onze gemeente twee maal in de maand drie kwartier in de gevangenis de blijde boodschap mag brengen, of zoals dat wordt gezegd, een godsdienstoefening mag houden. En zo zijn we al weer voor de zesde maal onderweg. Een bont gezelschap:

Madzy heeft wat joods bloed, Shirley is puur hindoestaans, zr. Horb heeft iets chinees, John creools en ikzelf… ach u weet het, van de westelijke tak van Jafeth. Afgevaardigden uit veel volken, met de goede tijding op weg naar luisteraars uit veel volken. Over stille wegen, want op dit onmogelijke uur doen velen hun middagslaap, rijdt de auto, binnen in de auto klinken de gebeden:

  • voor de kleine moeilijkheid in de damesafdeling, waar strenge bewaking persoonlijke gesprekken in de weg staat.
  • voor de grote moeilijkheid bij de heren, waar van de dertig mogelijke luisteraars er meestal maar zes komen opdagen.
  • voor de algemene moeilijkheid, dat er in zo korte tijd zoveel gedaan moet worden.

Maar dan wijkt het overdadige groen en aan het eind van de stoffige, bobbelige zonovergoten weg liggen daar de gebouwen. Alles staat wijd open: ramen, deuren, slagbomen. Je ziet de gasten na hun middagrust (zij wel) wat rondkuieren. Ze zouden zo naar buiten kunnen stappen, maar daar hoor je nooit van.

We melden ons. Zr. Horb en Shirley gaan naar de dames. Voor Madzy, John en mij wacht al weer de eerste verrassing. In de zaal, waar wij straks onze magere drie kwartier moeten ‘uitbuiten’, zijn alle gasten samen gestroomd rond zo’n hindoestaans muziek- en zanggroepje. Een orgeltje met gering toonbereik, dat in mijn oren tenminste – maar wat neuzelt, een metalen staaf waar tegen getikt wordt, twee malekara’s, een langgerekte trom die monotoon begeleidt, alles rondom de zanger, die in hindi iets zingt zonder veel toonhoogteschakering.

Stil gebed … ‘Heer, ‘t is bijna kwart over vier, hoe moet dat nu?!’ Maar kijk, ze bergen hun spullen al op en dan is er opeens de inval: ‘Mannen, we hebben naar jullie geluisterd, nu nodigen we je uit, naar ons te luisteren!’ Zij blijven allemaal. Zingen met ons de liederen mee. Het orgeltje neuzelt warempel even mee, maar de instrumentalist geeft het al gauw op. Een solo van John, een getuigenis van Madzy, een kort woord, feilloos door John in srenang en hindi vertaald en dan is er weer zo’n inval. ‘Zing dat Engelse lied met ze, je weet wel…’ ‘Heer,… Engels… zullen ze wel…’, maar ik heb al ingezet:

  • ‘My sins are gone, gone, gone far away’.

Mensen, wat slaat dat aan… Het ‘gone, gone, gone’ dreunt als een donder uit die mannenkelen. Als ‘bevrijden’ zingen deze langdurig gestraften: ‘Happy day, happy day’. Ze beginnen te dansen, te springen … houden we het wel in de hand … maar van een vreemde, ontroerende schoonheid is het als die ruwe ongeschoolde stemmen doen klinken:

  • ‘The blood has washed them away’.

Dan… vragen, gesprekken. Als een muur staan ze even later allen op voor het slotgebed. Daar staan ze, zware vergrijpen liggen achter hen. Twee eeuwen gevangenisstraf ligt voor hen (uiteraard gezamenlijk). Maar hese, wankel geworden stemmen zeggen de wonderbare woorden na: ‘Ik pleit op het bloed van Jezus’. ‘Ik belijd mijn zonden.’ ‘Heer, help me.’

Dan staan we buiten, met maar een gedachte: als zr. Horb en Shirley het nu ook maar fijn hebben gehad … Maar Shirley holt ons al tegemoet: ‘Het was heerlijk, we hebben met iedereen kunnen spreken, we werden zo vrij gelaten!’ Blij en de Heer dankend gaan wij weer naar huis.