Een week de schilder over de vloer. De eerste dag zit hij in onze gang en zet de voordeur in de grondverf, terwijl ik langsloop en zeg ‘O, o, wat zal m’n huisje mooi worden!’ ‘Och mevrouw,’ zegt hij wat somber ‘t blijft mensenwerk’. Waarop ik verklaar, dat mensenwerk niet bij voorbaat slecht hoeft te zijn en dat ik geloof, dat hij een goed stuk werk gaat leveren. Z’n kwast stokt en hij kijkt mij over z’n brilletje aan. ‘Mevrouw’, zegt hij, ‘dat is nou een heel nieuw gezichtspunt voor mij, een heel nieuw gezichtspunt…’
Zo begon het. We wisten toen nog niet, dat het voor hem een weekje zou worden, dat zou uitpuilen van de nieuwe gezichtspunten. Bij ieder kopje koffie of thee (en dat zijn er heel wat in een week) hadden we gespreksstof in overvloed. En het mooie: niet ik, maar hij droeg die stof aan. Ik hoefde alleen maar, zo langs m’n neus weg, van die kleine prikkelende opmerkingen te plaatsen. Had hij het bij voorbeeld over een zieke buurman, die zo bang was om te sterven. Daar kon hij inkomen, zei hij, je zal maar zo liggen, ‘en mevrouw, dat staat ons allemaal te wachten, die angst…’ ‘Behalve,’ zei ik dan, ‘als je al eerder hebt afgerekend met de dood’. Weer die blik over het brilletje. Weer een nieuw gezichtspunt.
Aanvankelijk liet hij zo’n opmerking liggen. Maar bij de volgende pauze kwam hij: ‘Nog ‘es even over de dood? Bent u d’r dan klaar mee?’ En ik iets vertellen over leven zonder door angst voor de dood gekweld te worden. ‘Zijn dat Bijbels?’, vraagt hij de volgende dag, ‘die hier liggen?’ Hij heeft eerbied voor de Bijbel, ‘het is Gods Woord, maar doorgronden doen wij ‘t niet…’ ‘Dacht ik vroeger ook, maar ik ben de laatste jaren toch een mooi stuk verder gekomen.’ Weer de blik over het brilletje.
Hij begint over de schepping. ‘God zag dat het zeer goed was, maar de mensen hebben de boel ‘verinneweerd’. En dan ik weer: ‘Hebben de mensen van de leeuw een verscheurend dier gemaakt?’ De blik over het brilletje. ‘U wordt mij te diepzinnig’, bromt hij en klimt z’n ladder weer op. Een andere dag, als hij weer iets kleinerends over zichzelf en zijn werk opmerkt, plaag ik ‘Een echte calvinist, dat bent u’. En de volgende theepauze: ‘Calvinist,’ zei u, ‘bent u dat dan niet?’ ‘Vroeger wel, nu niet meer.’ ‘Wat is daar dan niet goed aan, volgens u?’
Waar zullen we beginnen? Dat het goede en het kwade ons uit Gods vaderhand toekomt, dat geloof ik niet meer.’ ‘Wat gelooft u dan?’ Ik zie hem denken en wacht even, En dan heeft hij het! ‘Wacht ‘es, u denkt zeker: alleen het goede komt van God…?’ Ik klap in m’n handen en juich: ‘Ja, ja, zo is het!’ ‘Mevrouw,’ zegt hij, bijna plechtig, ‘nou ben ik zestig jaar, maar daar ben ik nou nog nooit op gekomen…’
Tien minuten later zie ik hem op z’n ladder en zegen zijn ‘geprakkizeer’. Volgende pauze: ‘Nog ‘es even over dat goed en kwaad. Als het goede van God komt, hoe kan Job dan zeggen…’ Ik knik: ‘dat zegt Job’. Twee slokken koffie. Nadenken. ‘U wil zeggen: Job, dat is de hele Bijbel niet.’ Ik knik en wacht. ‘Hebben anderen het dan anders gezegd?’ En ik: ‘Wat denkt u van Jezus, wat denkt u van Jacobus?’ Ik hoef geen Bijbel te halen, geen teksten op te zoeken. Hij komt er zelf mee.
Jammer, dat een week gauw om is. Bij een van de laatste kopjes koffie zeg ik: ‘Ik heb een boekje voor u. Daar staan wat dingen in, waar we ‘t van de week over gehad hebben. Wilt u ‘t hebben?’ De blik over het brilletje. ‘Best,’ zegt hij, ‘geef mij dat boekie maar ‘es mee, want ik ben hier van de week onderhand knap nieuwsgierig geworden.’
