De ontwikkelingsgang van het eeuwig evangelie

  • ‘En het zal zijn in de laatste dagen’ (Handelingen 2:17)

Hoe het begon

Wie de geschiedenis van de vroege kerk bestudeert, verbaast zich telkens weer over haar snelle uitbreiding te midden van verdrukking en vervolging. Jezus had gezegd: ‘Ik zal mijn gemeente bouwen.’ Na de Pinksterdag zien wij dat de Heer dit woord waar maakte en dat door de werking van Gods Geest ook alleen Hem de eer toekwam, dat zoveel mensen toegevoegd werden. Ondanks de weerstand van satan werd het evangelie met wonderlijke kracht en autoriteit doorverteld. Het woord ging vergezeld van grote wonderen en tekens; velen werden genezen van allerlei soorten ziekten. De medewerkers van God hadden dezelfde zalving als hun Meester, want de Geest rustte op hen. Zo groot was de macht van het woord van God, dat de gelovigen zich van de wereld afscheidden om zich geheel aan de dienst van de Heer te wijden.

Met blijdschap gaf men alles wat men had, omdat er in werkelijkheid maar één schat bestond, namelijk die in de hemel. Men offerde zelfs zijn vrienden, zijn gezin of familie op, als de Heer dit vroeg. Men leerde de betekenis van de woorden: ‘Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het; maar wie zijn leven opgeeft in deze wereld, zal het behouden voor het eeuwig leven’ (Joh.12:25). Het was de vroege regen, een wonderlijke uitstorting van de Geest van God om het zaad te laten groeien, zodat het de hele aarde zou bedekken. Door die Geest gedreven begon men te profeteren, dromen uit te leggen en gezichten te zien, terwijl men rechtstreeks door deze Geest geleid werd. Alle macht en leiding werd de mens uit handen genomen, want Gods Geest gaf richting en kracht.

Twee eeuwen kerkgeschiedenis

Ondanks tien grote vervolgingen onder de Romeinse keizer breidde het christendom zich zeer snel uit. Het bos was in brand gestoken en niets kon deze vuurzee van Gods genade tegenhouden. Aan het einde van de eerste eeuw moest men al erkennen, dat er een nieuwe macht opgedoken was. Het geheim van deze overwinning is niet te begrijpen, als men met zijn verstand gaat redeneren. Celsus, een vijand van het christendom, typeert die eerste christenen: ‘een volk van wolspinners, schoenmakers en volders, volkomen onontwikkelde en onbeschaafde mensen’. Het was een groot gebrek in de ogen van heidenen dat het grootste deel van zijn aanhangers en verdedigers mensen waren zonder filosofische vorming. Een christen schreef:

  • ‘Bij ons vindt men onontwikkelde mensen, handwerkers en oude vrouwen die met woorden de waarde van onze leer niet kunnen uiteenzetten, maar die deze waarde bewijzen door hun daden.’

Het irriteerde de heidense filosofen, dat de christenen zeiden: ‘Onderzoek niet, geloof alleen.’ Ook begreep Celsus niet wat de bedoeling van de christenen was. Hij schreef:

  • ‘Wie een zondaar is, een zot, met één woord een ongeluksmens, deze wordt in het rijk van God opgenomen.’ Hij vervolgt: ‘Met de zondaars bedoelen zij de onrechtvaardigen: de dief, de tempelrover, de gifmenger en de grafschender. Wanneer men bedoeld had een roversbende bijeen te brengen, zou men juist dit soort mensen roepen.’

Met deze hulpeloze menigte heeft God de wereld veranderd, omdat deze kinderen van God geloofden in de tegenwoordigheid van Jezus, hun Heer, die alle macht bezit en omdat zij wonderen van Hem verwachtten in schuldvergeving, verlossing en genezing, omdat zij het eeuwig evangelie geloofden. Zij aanvaardden met grote blijdschap wat hun op de Pinksterdag zeer duidelijk was beloofd. Van hen gold: ‘God heeft daaraan zijn getuigenis toegevoegd in de vorm van tekens, wonderen en allerlei machtige daden en door zijn Geest uit te delen naar zijn wil’ (Hebr.2:4). Deze – in de wereld onbelangrijke – mensen wekten die grote spanningen in het Romeinse rijk op. Zij geloofden alleen in Jezus Christus en dat de wereld voor Hem veroverd moest worden. Zij streden niet met geweld van wapens, niet met verstand, maar met het geloof. Zij waren niet tevreden met een rustige kring mensen, die met elkaar slechts tevreden wilden leven. Zij wilden de wereld winnen en veranderen door het geloof in Jezus Christus en zij vertrouwden dat het hun lukken zou. Ondanks hun onaanzienlijkheid en hun kleine aantal ten opzichte van de hele bevolking, hadden zij het gevoel dat de toekomst van hun was. Zij wisten zich het nieuwe volk en men sprak al aan het einde van de tweede eeuw over het derde geslacht, naast heidenen en Joden. Na zo’n korte tijd werd dus erkend, dat de gemeente van Jezus Christus gelijk te stellen was met die twee van daarvoor al bekende machten.

Aftakeling en ontrouw

Langzaam echter verloor de kerk de zalving die nodig was om het woord te brengen met tekens en wonderen. Zij verloor de macht om zieken te genezen, de gaven van de Geest en de kracht om zich niet te vermengen met de wereld. Men begon te zoeken naar wereldse grootheid, naar macht en rijkdom, naar kennis en naar leiders, die niet in de eerste plaats vervuld waren met de Geest van God, maar die door hun natuurlijke gaven ook door de wereld geaccepteerd konden worden. Het onkruid groeide volop tussen de tarwe. Na verloop van tijd begon de profetie in vervulling te gaan, die Joël van de kerk voorspeld had: ‘Wat de knager had overgelaten, heeft de sprinkhaan afgevreten; wat de verslinder had overgelaten, heeft de kaalvreter afgevreten’ (1:4). Gods Geest week terug en onder menselijke leiders werd de kerkgeschiedenis een verhaal van bloed en tranen, van geweld en onrecht.

De belofte voor de toekomst

  • ‘En het zal zijn in de laatste dagen.’

En toch is er een belofte die spreekt over alles wat (voor God) leeft. Er komt een wereldomspannende opwekking in het einde. De late regen, waarover Joël sprak in hoofdstuk 2:24, is onmisbaar om het koren te laten rijpen. God gaat herstellen wat gebroken is, daarop voortbouwend zal Hij de heerlijkheid van het laatste Huis groter maken dan van het eerste. De gaven van Gods Geest zullen weer royaal uitgedeeld worden; de scheidsmuren die nu de christenen verdelen, zullen vallen. De vijfvoudige bediening zoals wij die vinden in Efeze 4:11 om de gemeente tot volmaaktheid te brengen, zal hersteld worden, terwijl duizenden traditionele instellingen die in zichzelf geen waarde hebben, zullen worden weggevaagd en plaats maken voor wat de Heer zelf opgedragen heeft. Ja, wij zullen niet alleen terugontvangen wat verloren is gegaan, maar er zullen grotere werken gebeuren dan de voorgaande. ‘Het zal de tijd zijn van de openbaring van de zonen van God’ (Rom.8:19).

Wanneer die Leraar van de gerechtigheid tot zijn gemeente komt als in een vroege en late regen, zal de gemeente van de Heer een macht bezitten, zoals zij nooit gekend heeft. Naar het woord van Jezus zullen de wijze maagden ‘s nachts ontwaken en de lamp van Gods Woord zal dan in hun handen meer schitteren dan ooit tevoren, omdat zij gevuld wordt met de gouden olie van het geloof. Er zal een scheiding komen tussen de tarwe en het onkruid. De tarwe zal rijpen om in de hemelse schuur geborgen te worden. Te midden van bloed, vuur en rookzuilen in de wereld van de eindtijd, zal men naar de belofte van de Heer, op de berg Sion kunnen ontkomen. Midden in het tumult van de wereld wordt de belofte vervuld:

  • ‘Als u door water trekt ben Ik bij u, als u door rivieren trekt, overspoelen ze u niet. Moet u door vuur heen, dan zult u zich niet branden, en de vlammen verwonden u niet’ (Jes.43:2).

Zoals in het eerst het christendom zich uitbreidde te midden van satanische aanvallen en veel verdrukkingen, zo zal het opnieuw, maar dan in veel grotere mate gezien worden.

Wat wij mogen verwachten

De leerlingen baden dat tekens en wonderen mochten gebeuren door de hand van  Jezus. Dit is dus ook nu niet een ‘ziekelijk’ maar een Bijbels verlangen van mensen die God naar zijn Woord willen dienen. In de laatste dagen zal het evangelie op dezelfde manier gebracht worden als in het begin. God zal opnieuw mensen aan laten treden die vol zijn van geloof en van Zijn Geest. Opnieuw zullen zondaars zich bekeren door het evangelie van verlossing. Opnieuw zal dit eeuwig evangelie de wereld veranderen. Opnieuw zal een derde generatie naast het moderne heidendom en een traditioneel naamchristendom opkomen. Het is een volk dat weet dat God met hen is. Het heeft geen behoefte aan leerstellingen of beschouwingen, maar het zoekt een Bijbelse ervaring en de gemeenschap met God. Het is toch mogelijk om als Abraham, Henoch of Noach te leven en gemeenschap te hebben met God, zonder onder een loodzware last van dogma’s en inzichten gebukt te moeten gaan.

Ook Paulus heeft alle inzettingen en wetten voor schade en vuilnis geacht, omdat de kennis van Jezus zijn Heer dat alles te boven gaat (Fil.3:8). Er komt een volk dat niet tevreden is met discussies over allerlei theologische kwesties, maar een volk dat de wereld intrekt. Dit volk zoekt veranderingen door Jezus en dit niet door indrukwekkende organisaties, politieke programma’s, samenwerkende kerkverbanden, maar door het geloof dat Jezus het zal doen door mensen die Hij geroepen heeft. De zonen van God zullen uittrekken om de wereld te veroveren, zij zullen door de Geest geleid worden en hun opdracht kennen. Dan zal ook met grote kracht de opdracht van de Heer uitgevoerd worden:

  • ‘Maak het evangelie aan alle volken bekend.’