De grote opdracht

  • ‘En Hij zei tot hen: Ga heen in de hele wereld, breng het eeuwig evangelie aan de hele schepping. Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. Als tekens zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe talen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen en zelfs als zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden’ (Marcus 16:15-18). 

Een overbekende tekst, het zijn de laatste woorden die Jezus tot de leerlingen gesproken heeft.

Wij weten uit Handelingen 1 dat Jezus 40 dagen met zijn volgelingen sprak over de dingen van het Koninkrijk van God. Toen Jezus namelijk deze woorden had gesproken, nam Hij afscheid, Hij zegende hen en werd opgenomen in de hemel (Hand.1:9). Wij zouden er wel bij geweest willen zijn, we willen er zo graag meer van lezen. Als iemand geneest of als er duivelen worden uitgeworpen, lezen we in de Bijbel vaak alleen maar het resultaat. Maar wij zitten vol vragen over wat er aan vooraf ging. Hoe kwam Hij er toe, welke gedachten had Hij, hoe zag Hij die demonen?

Jezus heeft dat zelf allemaal moeten ontdekken, want het was nog nooit eerder gebeurd. In het Oude Testament kwam dit niet voor. Jezus zelf heeft ons deze verborgenheden geopenbaard. Maar die verborgenheden zijn er maar voor een deel. Als wij zelf in de gemeente te maken hebben met een gebondene, zouden we weleens een handleiding er op na willen slaan, zodat je gemakkelijker kunt zeggen: dit mankeert er aan, dit is de demon, enz., maar die handleiding is er niet. We weten ook niet wat Jezus in die 40 dagen met zijn leerlingen besproken heeft. Behalve dan de slotformule, de samenvatting, die staat in Marcus 16. Daarom zijn we blij met Marcus 16, ook al staat dit tussen haakjes, al hoort dit volgens de theologen niet zo te zijn. (De satan is er immers op uit om de schriften te verdraaien tot eigen verderf, verg. Openb.6:5,6).

In deze laatste woorden geeft Jezus aan wat belangrijk is m.b.t. het brengen van het evangelie door zijn leerlingen. Het gaat hierbij puur om de dingen die horen bij de geestelijke wereld en niet met de natuurlijke wereld. Paulus heeft dit evangelie overgeleverd gekregen van de apostelen (Hebr.2:3). Hij gaf het door en ook wij hebben de opdracht om het door te geven. Het is dus niet, zoals wel beweerd wordt, alleen een opdracht voor de leerlingen, maar het is voor alle gelovigen, want: ‘als tekens zullen deze dingen de gelóvigen volgen’. Zij, die geloven in het eeuwig evangelie (Op.14:6), van de Heer Jezus en de apostelen.

Door Gods Geest geleid

Er is in de Bijbel niet veel geschreven over de geheimen van het Koninkrijk van God. Maar als wij Jezus hebben als Leraar, komen wij er wel steeds meer van te weten. Jezus werd geleid door Gods Geest, de apostelen werden daar ook door geleid. Als wij op dezelfde manier willen denken en handelen, moeten wij ook vervuld zijn met Gods Geest. Dan zien wij ook resultaten op ons werk, geleid door Gods Geest en de Bijbel als toetssteen. Om dit evangelie door te geven en te praktiseren, hebben wij inzicht en kennis van de onzienlijke wereld nodig. Wij moeten ons inleven in de sfeer waarin de mensen zijn, i.p.v. alleen maar lezen wat er staat. De mensen die dat doen, leven er niet eens naar.

Niet verstaan of niet wíllen(!) verstaan

Hoewel miljoenen mensen ‘wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden’, uit de tekst bovenaan gelezen hebben, hebben ze toch niet goed gelezen wat er werkelijk bedoeld wordt. Ze hebben het geloven buiten beschouwing gelaten en hun baby’s – die nog niet geloofden – laten besprenkelen, i.p.v. dat ze zichzelf lieten dopen bij hun volle verstand. We kunnen bijna zeggen dat deze mensen nauwelijks vervuld zijn met Gods Geest, omdat ze zich anders wèl Bijbels hadden laten dopen. Maar welke geest heeft hen dan wel geïnspireerd? De babybesprenkeling is geen onschuldige zaak, de duivel heeft er alle belang bij dat miljoenen mensen op het verkeerde been worden gezet. Als je niet de enige weg van Jezus volgt, sta je open voor allerlei dwalingen.

‘Sola Scriptura….’

We moeten geloven in het evangelie vàn Jezus Christus, niet óver Jezus Christus. De voorvaders zeiden – en in de orthodoxe kerken wordt nog steeds gezegd: ‘Sola Scriptura’, d.w.z. de Schrift alleen. Dat klinkt wel stoer en betrouwbaar, ze geloven de Bijbel van kaft tot kaft (ja, zelfs het kaft nemen ze er nog bij), maar onderling zijn ze wel verdeeld over de inhoud. Een omroep als de EO heeft mensen in dienst van diverse kerkelijke pluimage, maar ze zeggen allemaal ‘Sola Scriptura!’ Tja, als ze Latijn gaan gebruiken, moet je op je hoede zijn, door dure woorden proberen ze je te overdonderen. In het Sola Scriptura ontbreekt Gods Geest.

‘We lezen niet bij ingeving….’

Onze voorvaders zeiden vroeger terecht: ‘we lezen niet bij ingeving’, m.a.w. we lezen niet wat er ons te binnen schiet. Als je zo je Bijbel leest, kun je tot rare daden komen. Mensen die voor alledaagse dingen wachten op een antwoord uit de Bijbel. ‘Profeten’ die door de vreemdste dingen te zeggen hele gemeentes ontwrichten. Daarin hadden onze voorvaders dus wel gelijk, maar ze bleven wel natuurlijke christenen: ze lezen de Bijbel, belijden schuld en proberen het goede te doen. Zo leven 95% van de christenen voort op oudtestamentische basis. Ze houden het bij de wet en als ze al vanuit het Nieuwe Testament leven, houden ze zich alleen bezig met het evangelie óver Jezus Christus. Onze boodschap over het evangelie vàn Jezus Christus roept dan ook enorm veel weerstand op.

Het Oude tegenover het Nieuwe Testament

Jezus beriep zich ook op het Oude Testament, maar Hij roept nooit op om te leven zoals bijvoorbeeld Abraham. Abraham liet zich leiden door zijn vrouw en pleegde bigamie. Of zoals Jacob, die pleegde polygamie met zijn 2 vrouwen en 2 bijvrouwen. De Heer roept ons op te leven zoals God bedoeld heeft in het paradijs.

We moeten voorzichtig zijn met het Oude Testament, zelfs als we het Oude Testament aan het Nieuwe Testament willen lijmen. Dan doen we precies wat Jezus zegt over het rijk van de duisternis. Als we het Oude en Nieuwe Testament bij elkaar nemen, is het Koninkrijk van God verdeeld. Jezus zegt dat we niet moeten vervloeken maar zegenen, terwijl Elisa een stel jongens vervloekt, waardoor 42 van hen uit elkaar werden gescheurd. Wie handelde nu naar de wil van God? Elia zegt: ‘Laat maar vuur uit de hemel neerdalen’ en Jezus zegt: ‘Je weet niet van welke geest je bent’. Hier is het net als met de rechter, die recht moet spreken over 2 mensen met ruzie. Als de één zijn verhaal doet, zegt de rechter: ‘Je hebt gelijk’; als de ander daarna zijn verhaal doet, zegt de rechter: ‘Je hebt gelijk. Een derde zegt tegen de rechter: ‘Ze kunnen toch niet allebei gelijk hebben? Waarop de rechter zegt: ‘Je hebt gelijk…’

‘Ik ben niet langer slaaf maar door Jezus Christus, erfgenaam van het koninkrijk’

Paulus was het Oude Testament aan het bestuderen in de synagoge en begon te spreken over de besnijdenis. Een geweldig mooi onderwerp voor de Joden, maar Paulus zei: ‘Dit is onzin, het gaat er niet om of je besneden bent, maar het gaat om de besnijdenis van je hart’. De Joden (en de aardse Israëlaanbidders) zeiden daarop: ‘Nee, als je het over de besnijdenis van het hart gaat hebben, ga je de Bijbel vergeestelijken, dat is niks’. Maar Paulus zegt: ‘Dat is juist alles!’ Paulus heeft de juiste betekenis van de besnijdenis naar voren gebracht. Zo deed hij het ook met de sabbat: ‘Het gaat niet om alles wat je moet doen of laten, maar het gaat om de sabbat in je hart, dan heb je de vrede van God in je’ (Hebr.4:1-16).

Paulus spreekt ook over Sara en Hagar. Hij noemt de Joden ‘kinderen van Hagar, de zoon van de slavin’ (Gal.4:1-7). Alle mensen in het Midden Oosten waren toen – en zijn nu – Ismaëlieten: ‘Het tegenwoordige Jeruzalem is in slavernij, dat is Ismaël, de zoon van de slavin. Maar het hemelse Jeruzalem is onze moeder, dat is vrij, Izaäk, de zoon van Sara’. Om deze uitleg werd Paulus en worden ook wij gehaat. Maar wij kunnen met Paulus zeggen: ‘Ik heb de volle raad (woorden) van God verteld’. Daardoor staan wij lijnrecht tegenover mensen die er op oudtestamentische wijze maar wat van maken.

Tekens zullen volgen

Eerst moet het evangelie van het Koninkrijk van God gebracht worden, zodat mensen gaan geloven (zonder boodschap geen geloof). Wij willen geleid worden door Gods Geest. Dan gaat voor ons in vervulling: ‘Deze tekens zullen de gelovigen volgen’. In sommige gemeenten wordt gezegd dat er niets bij hen gebeurt. Zij zijn ongelovig en geïnspireerd door het rijk van de duisternis, zij zaaien twijfel en wie twijfelt, ontvangt niets. Er gebeurt dan echter wel iets in de geestelijke wereld want de demonen zitten nooit stil; al meer dan 13 miljard jaar niet. Wij twijfelen niet, wij weten zeker dat de tekens zullen volgen. De rechtvaardige zal uit geloof leven en wij zien al wat gebeuren. Er zijn geestelijke gaven in ontwikkeling, zoals van kennis, wijsheid en profetie. Wij wachten nog op de werking van krachten (1 Cor.12:28), op de tekens en wonderen. Toen de tekens Jezus volgden, genas Hij mensen en wierp boze geesten uit.

‘Deze drijft de boze geesten slechts uit door Beëlzebul, de overste van de demonen’

Het was opvallend dat het demonen uitwerpen toegeschreven werd aan de duivel: ‘Hij doet het door Beëlzebul’. Opvallend, omdat de mensen tot dan toe zowel het goede als het kwade aan God toeschreven. Ze spraken nooit over de duivel, maar toen ineens wel. Dat is ook herkenbaar in onze tijd. We krijgen vaak van kerkgangers te horen dat we niet zoveel over de duivel moeten spreken, want God doet je alles toekomen. Maar als wij gebondenen bevrijden, zeggen ze dat dat juist uit de duivel is. We kunnen wel zeggen dat deze mensen opgejut worden door vrome geesten.

De Heer somt in Marcus 16 verschillende dingen op: boze geesten uitdrijven, slangen opnemen en iets dodelijks drinken. Dit zijn 3 verschillende dingen, je kan ze niet met elkaar vergelijken. Wij kunnen zeggen met Jezus: ‘Als wij door de Geest van God boze geesten uitdrijven, is het koninkrijk van God over u gekomen’ en dat koninkrijk brengt vrede, blijdschap en gerechtigheid. Als een ander demonen uitwerpt, vanuit een andere geest dan Gods Geest, gebeurt er ook wel iets in de geestenwereld, maar het Koninkrijk van God wordt niet geopenbaard.

Occulte ‘genezingen’

Een magnetiseur bijvoorbeeld kan ook ziektemachten bestrijden, maar i.p.v. het Koninkrijk van God, komen er andere, sterkere demonen binnen, waardoor de gebondene nog meer gebonden wordt. Zo kunnen mensen ook gebonden zijn door voorwerpen van verering. Denk bijvoorbeeld aan souvenirs, meegenomen uit occulte landen. Je kan zo trots zijn op zo’n bezit, je kan het zo verheerlijken, dat het een voorwerp van verering wordt. Zulke mensen moeten bevrijd worden van de occulte krachten die hen in hun greep hebben, want God wil niet gedeeld worden met satans demonen. Alleen Jezus Christus maakt werkelijk vrij. Zo moeten wij binnendringen in het huis van de sterkere, maar dat kan pas als wij zelf bevrijd zijn van de demonen. Er zijn voorbeelden van mensen die handen opgelegd zijn door oudsten die zelf nog gebonden zijn, met alle gevolgen van dien.

Uitdrijven of verwijzen naar de afgrond

De opdracht om boze geesten uit te drijven moeten we niet verwarren met het verwijzen van demonen naar de afgrond (Op.20:1,2). In Handelingen 8 lezen we van Filippus die boze geesten uitdrijft. Deze geesten vluchten weg, gillend verlaten ze het huis. Als Jezus spreekt te Kapernaüm gaan de machten al op de loop. Ze verlaten een mens, alleen al door de aanwezigheid van Jezus of nadat Jezus het evangelie had gebracht. Die machten ervaren de sfeer en de kracht van het Koninkrijk van de hemelen en vluchten. De mens waar die macht in huist, hoeft daar niet eens iets voor te doen, hij is ineens vrij. De demonen gaan rondzwerven, maar als zo iemand niet echt bevrijd wil worden, komen de demonen weer terug in die mens. Er heeft niet een wezenlijke bevrijding plaats gevonden, mogelijk is die man of vrouw niet vervuld met Gods Geest. De demonen die terug komen, nemen andere demonen met zich mee. Vergelijk het met een troep kraaien, je kan ze verjagen, maar ze komen terug of je moet een schot hagel lossen… Ze zijn sterker dan de vorige macht en het laatste zal voor die mens – die geen geestelijke wapenuitrusting heeft – erger zijn dan het eerste (Matth.12:45). Zo kan het ook vandaag de dag gaan. Iemand kan genezen zijn, maar ook weer de ziekte terug krijgen. De demonen zijn gevlucht, maar zodra ze een opening zien, komen ze weer terug. Was er dan wel sprake van aanvaarding van dit evangelie? We lezen in Handelingen 19:

  • ‘Dat God buitengewone krachten deed door de handen van Paulus, zodat ook zweetdoeken of gordeldoeken van zijn lichaam aan de zieken gebracht werden en hun kwalen van hen weken en de boze geesten uitvoeren’.

De demonen vluchten van angst, maar ze gaan niet naar de afgrond. Er treedt verruiming op, er treedt herstel in, maar dan lezen we: ‘Hoewel hij zoveel krachten en tekens onder hen gedaan had, geloofden ze niet’. Omdat ze niet gelóófden waren ze niet wezenlijk bevrijd, want de tekens volgen alleen hen wie het evangelie echt gelóóft. Bevrijding is niet genoeg, we moeten alert blijven en we moeten vervuld willen worden met Gods Geest. We zullen de wapenuitrusting aan moeten doen, zodat het koninkrijk van God niet over, maar binnen in ons komt.

Mozes en de omringende volken

Zo krijgt bijvoorbeeld Mozes niet de opdracht om de volken uit te roeien, God belooft hem dat Hij de volken zal verdrijven. Als het aan God gelegen had, waren er geen doden gevallen. Sichon, de koning van de Amorieten trok Israël tegemoet, toen sneuvelden er velen. De mensen in Jericho zijn doodsbenauwd, maar trekken niet weg, ze blijven zitten en wachten af, ze deden zelfs de poorten op slot, zodat niemand van hen kon vluchten. Ook Goliath had niet hoeven sterven, hij had rechtsomkeert kunnen maken en weg kunnen lopen. Elke keer zien we dat de volken en steden overgegeven worden aan de machten van de duisternis, maar zo had God het niet bedoeld, Hij wilde ze verdrijven. Als de volken geestelijk inzicht hadden gehad, waren ze weggetrokken. Zo bleven er ook demonen zitten, toen Jezus er aan kwam. Ze wilden de mens niet verlaten en vluchtten niet, het verzet van die boze geesten was sterk. Vergelijk het met een kind, die niet wil luisteren en zich verzet. Hij wordt opgejut door geesten en schreeuwt het uit: ‘Ik doe wat ik wil’. Door het geschreeuw heen hoor je de hoofdbewoner van dat huis. De leerlingen van Jezus kwamen dat ook tegen bij de maanzieke jongen. Ze hadden boze geesten uitgedreven, maar de grootste demon was gebleven. Zelfs toen Jezus kwam, vluchtte deze macht niet. Als de demon gevlucht was, had hij zijn straf niet gehad, maar hier lezen we: ‘En Jezus bestrafte de macht’.

Het laatste oordeel

De demonen zullen eenmaal geoordeeld worden; voor de duivel en zijn engelen is de vuurpoel bereid. Niet onze enkel goede God heeft de vuurpoel gemaakt, maar de verdreven en vluchtende demonen vormen dan zelf de vuurpoel (Op.20:13-15). Dus ook de demonen die vluchten, ontkomen niet. Maar als een demon bestraft wordt, wordt hij naar de afgrond, het dodenrijk verwezen. Daar zijn de cipiers van het dodenrijk, die mensen en demonen gevangen houden. Mensen kunnen van binnenuit gebonden zijn, zoals de maanzieke jongen, waar de macht bleef zitten. Jezus zegt tegen de leerlingen in dit verband: ‘Je moet tegen die berg zeggen: ‘Wordt opgeheven en in de zee geworpen’.

Spreken in nieuwe talen en slangen opnemen

Als satans demonen niet vluchten, is er meer geestelijke kracht nodig om ze uit te drijven. Zo ging de bezetene van Gadara een hele discussie met Jezus aan, maar Jezus zegt: ‘Dan had je maar moeten vluchten’, waarna hij hem naar de afgrond stuurde d.m.v. de zwijnen. Het verdrijven van demonen wordt daarom gevolgd door het ‘oppakken van slangen’. Je moet slangen, beeld van de demonen, vastpakken bij de kop en wegslingeren. Opvallend is dat Jezus tussen het boze geesten uitdrijven en het slangen opnemen het ‘spreken in nieuwe talen’ noemt. In het geval van de maanzieke jongen zegt Jezus tegen de vader en de leerlingen: ‘Maar dit geslacht kan alleen door bidden en vasten worden uitgedreven’. Er zijn demonen die wel vluchten, maar deze machten zijn bozer en slechter.

Vasten

Vasten is je klaar maken om te bidden, je instellen op het gebed en bidden is bezig zijn in de hemelse gewesten. Ook is het spreken in andere talen bezig zijn in de hemelse gewesten. De Heer wil dus leren: Als je mensen wil bevrijden, moet je je er op voorbereiden en bezig zijn in de hemelse gewesten. Je versterkt je geloof door deze voorbereidingen. Paulus heeft ook veel in andere talen gesproken, omdat hij veel geestelijke vijanden had. Jezus probeert a.h.w. een mens te redden uit de bek van een verscheurend dier. Daar is kracht en inzicht voor nodig. Hij werd daarom gedoopt in vuur vanwege de mensen die toen min of meer allemaal een prooi van de dood waren. Zo zei ook Paulus: ‘Ik ervaar dat ook, ik sterf elke dag’ (1 Cor.15:31).

Demonen kunnen blijven zitten. In psalm 58 staat:

  • ‘Spreekt u, goden, inderdaad recht? (goden zijn leiders, die mensen inspireren, waar respect voor is). Richt u de mensenkinderen rechtmatig? Veel meer doet u slechte dingen vanuit uw hart, op aarde weegt u het geweld van uw handen af. De goddelozen zijn van de geboorte aan afvallig, de leugensprekers dwalen van de moederschoot aan (prachtige tekst i.v.m. de valse erfzondeleer). Hun venijn is als het venijn van een slang; als een dove adder, die haar oor toesluit, die niet luistert naar de stem van de bezweerders, noch naar de volleerde belezer’.

De adders, trouwens alle reptielen, luisteren heel moeilijk. Er zijn maar weinig mensen, die slangen kunnen laten doen, wat zij willen. Ze horen wel, maar houden zich doof. Zo kunnen demonen net doen alsof ze niets horen.

Slangen en addergebroed

Jezus schold de farizeeën (goden, leiders) ook uit voor slangen en addergebroed, ze waren bewust doof en blind voor wat de Heer het volk openbaarde. Die machten in hen waren zo sterk, dat ze horende doof en ziende blind waren. Zelfs als Jezus na drie dagen opstaat uit de dood, verzetten ze zich nog.

Iets dodelijks drinken en handen opleggen

In Amerika lopen mensen uit de Pinksterbeweging met slangen, want ze lezen letterlijk: ‘slangen opnemen’. Zo moeten we dat natuurlijk niet interpreteren, net zoals we geen vergif moeten drinken. Het gaat hier om het verontreinigen van je geest, het infiltreren van geesten in je denken. Dat gaat in het geniep, heel geleidelijk. Het kan zijn in je werkomgeving waar men constant seksueel getinte grappen maakt, het kan de Staatspropaganda zijn (vooral vandaag en steeds sterker en heftiger) die je bewust wil beïnvloeden. Je kunt je er niet altijd aan onttrekken, wij leven nu eenmaal in de wereld, maar wij kunnen bidden: ‘Heer, ik wil er immuun voor zijn, zodat het me niet kan schaden’. Het is mogelijk om in een wereld waar deze demonen opereren, onbevlekt en onberispelijk te leven. Ook kunnen we ziektemachten claimen. Door te identificeren met de zieke, die geen kracht en weerstand meer heeft, kunnen we door handoplegging de zieke helpen. Vanuit de Vergadering van Gelovigen wordt gezegd dat zieken genezen iets van vroeger was. Maar wat goed voor Paulus was, is nog steeds goed voor ons.

Na deze woorden wordt Jezus opgenomen. Hij komt in de geestelijke wereld, in de wolk. Op aarde was Hij in het natuurlijke Israël, maar nu is Hij in het geestelijk Israël.