5. Brieven uit de gevangenis

<<<<<

Er wordt gretig gestraft waar het maar mogelijk is. De Aufseherinnen laten ons voelen, dat wij het eigenlijk veel te goed hebben als gevangenen en als er een paar bedden niet volgens ‘model’ opgemaakt zijn, krijgen wij allen ‘Paket- und Briefsperre’. Wat een zware straf is dat! Geen verbinding met de buitenwereld! Maar één heeft er wat op gevonden: zij weet een S.S.-soldaat om te kopen, die post voor ons buiten het kamp brengt. De brieven, die wij nu schrijven, staan dus niet onder censuur. Wel is het een gevaarlijk bedrijf. Als er één gesnapt wordt, volgt minstens verlenging van straftijd. Maar wij wagen het er op.

*****

Vught, 13 juli ’44.

Lieve allen,

We hebben op het ogenblik Brief- en Paketsperre. Waarom weet niemand. Maar ik blijf schrijven. Het leven is hier zwaar, maar we krijgen steeds genade voor alles en worden wonderlijk bewaard. ‘s Morgens om vijf uur op, om zes uur appèl. Om half zeven begint ons werk. ‘s Avonds liggen we om negen uur al in bed. We zijn veel in elkaars gezelschap. We komen ‘s avonds om zeven uur van ons werk en dan eten we rustig samen. We genieten enorm van de natuur! Wat een wolken en luchten! Iedereen is steeds vol goede moed, over ‘t geheel is de stemming hier prachtig. Fier en rustig. Er zijn veel mensen die vriendelijk voor ons zijn. Ga maar voort, voor ons te bidden. We ervaren de uitwerking daarvan elk uur, elk ogenblik. Ik ben volmaakt rustig ten aanzien van onze bevrijding. Dat gebeurt op ‘s Heren tijd. En op het ogenblik heb ik nog steeds genade om te blijven, hoewel ik natuurlijk erg naar jullie verlang. Maar dit leven is oneindig beter dan in de cel. Hoewel we nu geen pakjes krijgen, zorgt de Heer steeds dat we genoeg hebben. Hou goede moed! Jezus is Overwinnaar.

Jullie Betsie.

*****

Lieve allen,

Je zult wel vragen, wat we uitgehaald hebben om de Paketsperre te verdienen. ‘t Is een gezamenlijke straf. In onze barak waren de bedden niet netjes opgemaakt en er was veel onder de matrassen verstopt, bovendien hadden enkelen van de ‘stootploeg’ met de kapo’s gepraat door het raam over de prikkeldraadversperring heen. Straffen worden gezamenlijk gedragen. ‘t Duurt tot 5 september. Stuur daarna vooral dikke truien: als de morgens kouder worden, hebben we niet genoeg kleren aan. We staan nu voor zonsopgang op appèl. O, wat zijn de luchten dan mooi, maar soms rillen we van de kou als het wat herfstig mistig is. Op het moment is hier een hittegolf. Wat verlang ik naar koele lakens en naar nog meer. Zou het eind van de oorlog naderen? ‘t Heerlijkste zou zijn, hier met z’n allen tegelijk gered te worden. De maatschappij is nu ook zo aantrekkelijk niet, lijkt ons. Maar al was het tien maal erger, we willen toch naar huis. We maken het best. Het is Beps verjaardag, maar o, wat is het een veel betere dag dan de mijne! Toen lag ik alleen en had ‘kalte Kost’ omdat ik gepraat had. Ik kreeg geen middageten en verder mocht ik niet luchten, geen boeken en iedereen snauwde tegen mij. Ik voelde me toen zo ziek en ongelukkig. Een dokter kwam me een injectie geven en ik vertelde hem, dat ik jarig was, toen gaf hij mij een stevige handdruk. Hij was zelf een gevangene. Nog nooit heb ik een handdruk zo gewaardeerd. De volgende dag kwam een gangloopster voor mijn deur en die feliciteerde me namens Aukje. Toen hoorde ik voor het eerst van haar, waar Bep zat; het was mijn eerste contact met haar. En nu wacht Bep op me ‘s avonds.

Vannacht werden we samen wakker van het vreselijke vliegen over Vught. ‘t Leken wel duizenden vliegtuigen. ‘s Middags slaap ik bijna een uur in de zon. De prachtigste luchten zijn hier te bewonderen, hemels mooi. We krijgen genoeg eten, zijn gezond, hebben prettig werk, veel vrienden en kennissen. Ik ben erg bruin verbrand door de zon en zelfs Bep is bruin in haar gezicht. Ze ziet er veel beter uit dan een poos geleden en wel tien jaar jonger. Mijn hand, waar ik neuritis in had, is bijna beter. Ik ben veel aangekomen. Ik heb net een wespensteek op mijn been gekregen, maar ik kreeg daarvoor een ‘Laufzettel’ om naar de Sanitäter te gaan enige barakken verder; die gaf me een watje met eau de cologne. Het leukste was de wandeling. Je mag op het fabrieksterrein van Philips zonder Laufzettel nooit buiten je barak komen. Heb geen zorg over ons, dat we niet genoeg zouden hebben. Iedere keer zorgt de Heer wonderlijk, zodat als we niets hebben, iemand weer wat geeft. Ik ging bijvoorbeeld om vitamine B naar het ziekenhuis en kreeg van de schoonmaakster een halve koek. Weet je al, dat Leny Franse in barak 24 is? Haar man zit in 23. Weten jullie ook, of onze straftijd 1 september of 8 december eindigt? Hier zegt ieder, dat zes maanden Vught het kortst is. Wordt Scheveningen er bij gerekend, dan zou het 6 september zijn. God weet wat de weg is. We zijn er heel rustig onder. Ik ben meer met mijn gedachten thuis dan Bep. Bep heeft prettig werk, verstelnaaien op de machine. Ze is soms wel moe. Nu ik mijn brief overlees, lijkt hij me wel erg optimistisch gestemd. We hebben het erg moeilijk, maar Gods genade is oneindig groot. Bep heeft dikwijls honger. Er komt momenteel niets aan, stuur dus als het weer kan spoedig pakketten. Hou goede moed. God regeert.

Jullie Corrie.

*****

Lieve allen,

Onder mijn werk door schrijf ik. Brief ontvangen van 6 juni. Er is nog steeds Brief- en Paketsperre. Wij maken het goed. Velen zijn zo lief voor ons. Er is een prettige hoopvolle spanning in het kamp. Zou er gauw wat gebeuren? Ik geloof en hoop dat we 1 september wel uitgeroepen worden, als voor die tijd de vrede er nog niet is. Dan hebben we 6 maanden gezeten, als ze nu maar Scheveningen er ook bij tellen. Meestal is het 6 maanden Vught. Soms horen we ‘s nachts schieten bij de bunkers. We weten wat dat betekent. We bidden dan voor de achterblijvenden en ook voor hen, die daarna aan de beurt zijn. De stemming is dikwijls somber. Vooral de mannen hebben het zwaar. De laatste dagen gebeurt er veel. Soms werden er uit het appèl geroepen en even later gefusilleerd. We weten dat de gevaren in de maatschappij ook groot zijn.

Vanmorgen kreeg ik het vers: ‘Ons hart verheugt zich dat bij God, ‘t Bestuur is van heel ons lot.’ Met Leny Franse loop ik iedere morgen een eindje en dan praten wij bijna uitsluitend over geestelijke dingen. Het sterkt mij zo voor de hele dag. Leny is een heldin en haar man een held. Ze hebben alles verloren en offerden het bewust. Ze zijn van het hout waar je martelaren uit snijdt. Ik niet, ik verlang geweldig naar huis, naar weelde, naar voorspoed. Dat ik staande blijf, is alleen Gods genade. Hij ondersteunt me. Ik ga hier vandaan, gestaald en geoefend voor de tijd die hierna komt. Ik vind het verschrikkelijk om gevangene te zijn. Soms voel ik het niet. ‘s Morgens om half zeven marcheren we af en werken tot half zeven. Die hele tijd zijn we eigenlijk net vrije fabrieksarbeidsters. Af en toe is er ‘dikke lucht’; dan werken we door en zitten in de plooi. Maar verder is er een prettige stemming. Ik werk hard, heb prettig werk, heb de eindcontrole van ‘relais’ voor radio’s. Het is peuterig precies werk, maar veel gemakkelijker dan horloges repareren.

‘s Morgens is er een moment van intense spanning voor allen, die misschien een kansje hebben vrij te komen. Eerst is er appèl van de barakken, waar we slapen. Dan worden wel eens standjes uitgedeeld, soms straffen of dreigementen, alles op Duitse toon. Ik kijk dan altijd naar de mooie Brabantse luchten. Het is meestal zonsopgang of kort ervoor en er is een wijd uitzicht op de hele lucht van oost tot west. Na het appèl moeten de arbeidscommando’s aantreden. Bep voor de naaikamer, ik voor Philips. Dan komt het spannende moment. Katja, de Aufseherin, komt met een papier van de Kommandantur en roept, als die er zijn, nummers af. Die treden dan uit en weten dat ze of vrij zijn of ‘überführt’ worden d.w.z. doorgestuurd naar Duitsland. Ik denk dan altijd: ‘Zal mijn nummer erbij zijn? Zou…? Zou…?’

‘In Gleichschritt Marsch. Links, zwo, drei, vier.’ We gaan weg, gezichten naar voren gericht, zolang we de Aufseherin en de officieren passeren. Een lange dag wacht ons. We zijn er niet bij: onze nummers zijn niet afgeroepen. Het maakt me nooit verdrietig. Ik ben zo overtuigd, dat wat de Heer wil goed is. Maar verlangen doe ik wel. Het werk is een grote afleiding, de dagen en weken vliegen om. De zondagen zijn heerlijk. ‘s Morgens werken, om twaalf uur appèl en dan verder vrij. Bep en ik genieten dan zo van elkaar. We maken een gezellige thee, zo goed en zo kwaad als het gaat, wassen ons goed, slapen en liggen buiten en hebben gesprekken met geloofsgenoten. Ik ben de Gereformeerden te licht, de Vrijzinnigen te zwaar, maar Gods Geest geeft zegen, die daar overheen en misschien doorheen werkt. Wat is zes maanden van je leven lang. Maar wij zijn eeuwigheidsmensen en dan is het kort voor ons. Mevrouw Boileu werkt in dezelfde fabrieksbarak. Het is een prachtmens. Fijne aristocrate. Zij is altijd zonnig en haar gesprekken zijn fijn. Ik eindig. Houdt goede moed.

Jullie Corrie.

Ontspanning in Vught

Jantje zingt een levensliedje. Jantje is onze ‘Laufer’, dat betekent de loopjongen, de duvelstoejager van de hele Philipsbarak. Hij is ongeveer 16 jaar. Eerst heeft Lydia gezongen, liederen van Grieg en Bach, dat waren klanken van thuis. Helder, zuiver, een beetje iel zonder begeleiding, maar mooi klonk haar stem door de barak. Direct daarop komt Jantje. Hij zingt van een kindje, wiens vader piloot was en omkwam. ‘t Is sentimenteel en banaal. Ineens krijst de radio na een paar rochelende hoestgeluiden: ‘Laufer sofort nach Barak 23. Ich wiederhohle: Laufer sofort nach Barak 23.’ Jantje verdwijnt en het is stil in de barak. ‘Moest iemand hem niet eens zeggen hoe lelijk het is,’ merkt ‘mammie’ op.

Een zondagavond in de barak. Er zijn wedstrijden. De weg is afgelijnd met zilver-schijnende stroken papier, die ergens uit een Philips-barak zijn afgedankt en voor ieder feestje de fleur leveren. Een kindje van drie en een half jaar huilt bedroefd. Haar moeder is wat streng in haar opvattingen en vindt het werelds om op zondag naar zoiets te kijken. Ik probeer haar uit te leggen, dat hier een kiem wordt gelegd voor tegenzin, waar liefde gewekt moest worden. Ze laat zich gelukkig overtuigen en het kindje kijkt stralend naar het zaklopen van de meisjes, die elkaar in kruiwagens langs de weg kruien en nog veel meer leuke spelletjes doen. Er is gelach, gegil, applaus. Het kampterrein davert. Daar gaat het hek open en stuift Aufseherin Katja binnen. Ze raast en tiert en geeft onmiddellijk Blocksperre, d.w.z. dat niemand meer uit de barak mag voor de rest van de dag en belooft Brief-, Paket- en Blocksperre voor minstens een maand. Het terrein is opeens leeg en doods. Ik kom de eetzaal binnen en verwacht gekanker en geklaag, maar niets daarvan. Ieder zit vrolijk te eten en te praten en niet één trekt zich er iets van aan. De gezichten zeggen met hun gelaten uitdrukking: ‘We hebben al zoveel gehad, dit kon er nog best bij.’ ‘We laten de moed niet zakken. We houden de kop omhoog!’ De Sperren vallen mee. De Oberknol vindt de Aufseherin voorbarig en wacht tot ze zelf een reden vindt om te straffen.

Rechtsgeding

Jettie heeft een Belg gezoend. De heren van het kantoor naast onze werkplaats zijn van plan haar een lesje te geven en nu gaan ze rechtbankje spelen. Ze hebben papieren beffen voor. Jettie is de beklaagde, wordt beschuldigd, verdedigd, gevonnist. En het gaat allemaal zo ongelooflijk echt en het is zo oergeestig. Maar de rechters zijn dan ook echte advocaten en andere intellectuelen; één is professor, een ander is rector. We genieten van al wat boven de banale kampsfeer uitgaat. Jet moet veel horen. Zij is een aardig, vlot kind, dat beter met mannen dan met vrouwen kan omgaan. Zij heeft veel doorgemaakt. ‘t Mooist van alles is de rechter. Hij haalt er sibbekunde en nog meer nationaalsocialistische nonsens bij. ‘t Is sprankelend geestig en brengt een studentensfeer in de fabrieksomgeving. ‘Vijftien!’ Alles stuift uit elkaar, beffen worden afgerukt, ieder zit weer voor zijn bank of bureau. En als de ‘kerstman’ binnenkomt, is er niets meer te zien. Gelukkig wordt hij even opgehouden door mevrouw van der Zee. Ze klaagt over hoofdpijn. Met veel gewichtigheid haalt hij aspirine uit zijn zak en als hij haar even later het Waschraum ziet inrennen, omdat ze het niet houden kan van het lachen, zegt hij: ‘Jetzt müssen Sie sich ruhig hinsetzen, sonst bekommen Sie noch mehr Kopfschmerzen.’ Intussen is alles voor elkaar. Ieder werkt of er niets gebeurd is. Zijn we ondeugende schoolkinderen geworden?

Als ik zo schrijf over Vught, lijkt alles maar betrekkelijk erg. Is ‘t hier misschien niet meer dan een oorlogsavontuur; tenslotte toch wel interessant om ook eens mee te maken? Nee, Vught is vreselijk. De uiterlijke omstandigheden lijken vrij gunstig: niet al te zwaar werk, veel buitenlucht en zon, vriendschap en liefde bij de gevangenen onderling. Wat is het dan, dat het zo erg maakt? Is het dat ikzelf, maar ook anderen, mensen zoals mijn moeder was, als recruten behandeld worden? Wij zijn onze vrijheid kwijt. Nooit besef je wat dat betekent, dan wanneer je in gevangenschap leeft.

‘Hoe zijn wij nu zo smadelijk geslagen

In der onvrijheid kluisterende klamp.

Hoe slijten wij, gevangenen, onze dagen

In dit omheinde concentratiekamp.’

‘t Erge ligt niet in het materiële, maar in het feit dat het opgedrongen wordt door degenen die je vijanden zijn. Je hebt steeds een gevoel van machteloosheid. Je hebt de zaak niet meer in handen. Als je gaat kamperen, ontzeg je je ook veel comfort, maar het is vrijwillig. Ons lot is in handen van domme, minderwaardige wezens. Wij weten ons bespioneerd door Duitsers en soms, wat nog erger is, door hun trawanten. Het komt voor, dat medegevangenen voor een extra hap eten verrader spelen. En wij weten nooit wat ons het volgende ogenblik kan overkomen. Er is eigenlijk een voortdurende dreiging om ons heen.

Contrasten

De sfeer is alleen te begrijpen voor wie het meegemaakt heeft. Vastleggen kan ik het niet. Misschien een momentopname, maar dat is even onvoldoende als elke foto; een schilder, een kunstenaar, kan pas de stemming, de ziel weergeven. De radio krast, er zijn misschien acht platen, die steeds weer worden afgedraaid. Banale muziek, een klein aantal van onze barak kan het waarderen en zet ze zo hard mogelijk aan. Achter de soldeertafel zit ik met Lily een preek te bespreken. Ze is een zonnige Zwitserse, zo bijzonder mooi, je kunt niet genoeg naar haar kijken door de allerliefste uitdrukking op haar gezicht. We bespreken: ‘Vergetende wat achter mij ligt, jaag ik naar het doel tot de prijs van de roeping van God.’ De machines maken lawaai, iedereen praat, het is een geroezemoes van geluiden. Buiten schijnt de zon op de witte berken en op het prikkeldraad, dat onder stroom staat.

Plotseling een geraas en gekraak, de kartonnen zoldering komt naar beneden. Een Belgische man en vrouw zochten daar de eenzaamheid en zakten er gedeeltelijk door. De voorman springt op de tafel en houdt het stuk zoldering tegen. Een ander slaat gauw wat spijkers in de dunne latten, die het strobord van de zoldering tegen houden. Door de radio kermt een vrouwenstem: ‘Dat smaakt naar meir, naar meir. We komen aangemarcheerd, keurig in de pas. Aufseherin Hanny zei zo even: ‘Lauft euch gerade so gut wie gestern?’ ‘O ja,’ riepen we, ‘voor u doen we ‘t wel, u bent altijd vriendelijk.’ Soms krijst ze wel eens als ze voor de groep staat, maar dat is voorschrift en haar ogen lachen erbij. Haar gezicht staat altijd vriendelijk onder haar scheve kwartiermutsje. ‘Links, zwo, drei, vier.’

We gaan de poort van de fabriek door naar het terrein waar we wonen. Ik kom vlak vooraan terecht, waar alle Aufseherinnen bij elkaar staan. De meeste zijn jonge, ordinaire wichten, lange jaren opgevoed onder het ‘régime’, nu is hun veel macht toevertrouwd over een groot aantal oudere, meer ontwikkelde en beschaafde mensen, ongeveer zevenhonderd in getal. Zij zijn met z’n zevenen, aan ‘t hoofd de ‘Oberknol’, een verwrongen ziel met wrede ogen, 22 jaar oud. Allen dragen het grijze uniform. De Ober komt op Maria af: ‘Je hebt je lippen geverfd! Waar doe je dat voor, wil je mannen behagen of mij soms? Jullie zijn idioten, je loopt in een donkere overall met een nummer erop en nog probeer je je op te maken.’ Ze trekt de hoofddoek af bij een ander. Daar! Krullen! Mag niet, het haar moet met een bandje bij elkaar gebonden worden! ‘Ihr seid Häftlinge.’

Maria ontkent zich opgemaakt te hebben. Zij is een jonge vrouw met heel lange wimpers, een jong, dromerig gezichtje, grijze haren. Zij zag verleden jaar haar man voor haar ogen vermoorden, sindsdien is ze nu meer dan een jaar hier gevangene. Boven ons hoofd koepelt zich de Brabantse hemel. Helle kleuren van gulden wolken, aan de horizon zachte pastelkleuren, een reiger vliegt over ons hoofd. Katja, de jongste Aufseherin, loopt langs de troep. Ze verwacht een kindje. Kamppraatjes zeggen, dat de vader Meijerhof is, een heel lange officier, die een tijdlang ons hoofd was. Een wreed mens, hij kon verschrikkelijk schelden en tieren. Katja kijkt altijd vijandig naar ons. Ze heeft de macht om ons kwaad te doen en gebruikt die waar ze kan. Ze scheldt en raast als een straatmeid, dreigt met onmogelijke straffen. En toch, als ik haar zo aankijk vind ik haar eigenlijk een doodongelukkig kind. Ze is 19 of 20 jaar, haar mondhoeken hangen pruilerig neer.

Naast ons staan de kinderen aangetreden. Ongeveer twintig in getal, grote en kleine, de kleinste, een allerliefst kereltje, op de arm van zijn moeder. Ineens roept hij: ‘Katteja’ en steekt zijn poezelig handje naar haar uit. Wat is dat natuurlijk. Onnatuurlijk is dat staan van ons in de houding. Dit kindje met zijn kuiltjes in zijn wangen kent nog geen dwang. Katja’s gezicht verandert op slag. Ze zegt iets van ‘lief kereltje’ en liefkoost hem in het voorbijgaan. Kinderen in gevangenschap zijn de grootste troost en tegelijk het meest trieste dat je je denken kunt. Hier in Vught zien ze er heerlijk gezond uit. In de cel dreigde een kinderstemmetje je tot wanhoop te brengen. Ze werden nooit gelucht in Scheveningen. Heel zelden mochten ze even op de gang heen en weer lopen. ‘Blijft de deur nu open?’ heb ik daar eens een heel klein kereltje met lage stem aan zijn moeder horen vragen. Dat was in de gevangenis.

Vanmorgen werd No. 1 afgeroepen. Zij zat het langste van ons allen. Zelfs de Aufseherin, die de lijst van de Kommandantur had gehaald en de nummers blijkbaar nog niet gezien had, uitte enige verrukking: ‘Ach, höre, die Nummer eins.’ Ze kwam uit de rijen, waar vijf aan vijf de werkcommando’s stonden opgesteld. Ze wankelde toen ze voor de Schreibstube stond. We riepen: ‘Ga zitten!’ Ze viel neer op de ongemakkelijke bank van berkenstammen, arm op de leuning, hoofd op haar arm. Zo zat ze nog toen we afmarcheerden: ‘Im Gleichschritt marsch, eins, zwei, drei, vier.’ De wolken in het oosten waren zo mooi gekleurd door de zon, dat ze een gloed op ons af straalden.

De ronde rode lap

In de naaikamer ziet Betsie, dat één van de gevangenen een grote, ronde lap naait op een wit vierkant en dit weer op het rugpand van een blauwe overall. Het is voor mevrouw Bosman, die geprobeerd heeft te vluchten uit Den Bosch, het kamp hier niet ver vandaan en die nu gepakt is met nog twee anderen. Haar wacht de bunker en zolang ze haar overall draagt, zal ze de rode, ronde lap, het ‘ereteken’ dragen. Ze is over enige daken geklommen, ver weggelopen, toen gepakt, teruggebracht, moest uren staan, mocht niet naar bed, maar moest ‘s nachts op de grond zitten in een soldatenslaapzaal. Ze ziet er moe uit, maar ze doet heel vrolijk en dapper. Ze heeft pas bericht gekregen dat haar man, dr. Bosman, in de trein gewond is door granaatscherven. Hij moet enige vingers missen, maar maakt het verder goed. Ik denk aan de laatste keer dat ik haar in Haarlem zag en ik voel mij trots op onze Hollandse vrouwen.

Stoottroep

Knappe, onbenullige gezichten, schreeuwerige stemmen. Je weet het altijd, als ze er zijn. Ze kennen geen vrees. Als alles muisstil staat te luisteren naar het schelden en dreigen van onze ‘meerderen’, roepen zij brutaal een antwoord terug en als die meerderen mannen zijn, weten zij dat zij er nooit last mee krijgen. Ze komen het laatst bij het appèl. Altijd staan er enige bij het prikkeldraad, dat ons van de mannenafdeling scheidt; soms klimmen ze op de raamkozijnen, om op het terrein van de mannen te kunnen kijken. We worden op het appèl gewaarschuwd, dat we ze moeten aanbrengen als we ze daar zien. ‘Jullie zijn toch niet allemaal hoeren!’ schreeuwt de Aufseherin.

>>>>>