Vaders laatste dagen
In Scheveningen worden wij naar het bureau van de Gestapo gebracht. Mijn zus zegt tegen de agenten: ‘Mijn vader is zo zwak en ziek. Hij kan die hoge stap niet doen om in de auto te komen.’ ‘Maak u maar niet bezorgd, mevrouw,’ is het antwoord, ‘we zullen hem dragen.’ En ze doen voorzichtig. Vader ligt achterover en zijn mond valt open. Voor het eerst komt de gedachte in mij op, dat hij niet meer terug zal komen. Als vader binnen gebracht wordt, zegt een Duitser: ‘Laat die man maar thuis sterven.’ ‘Wat,’ schreeuwt Kaptein, ‘die man is de ergste van allemaal. Hij praat over niets anders dan over Jezus en de Koningin.’
Naar de gevangenis is het nog een flink eind. We worden in een overvalwagen gestopt. Ik denk aan de verhalen over de Franse revolutie. Een verschrikkelijke kar. Hij heeft geen veren en stoot voortdurend. Vader ligt in mijn armen. Ook een agent probeert hem te steunen, om de ergste schokken op te vangen. En dan sluit de poort van de grote gevangenis zich achter ons. ‘Alle Nasen gegen die Mauer!’ Daar staan we tegen de muur. Vader krijgt een stoel. Ik geef hem een kus op het voorhoofd. Dat edele voorhoofd. ‘De Heer zij met u,’ fluister ik. ‘En met jou,’ antwoordt vader. Ik kijk nog eens om. Het is de laatste maal, dat ik vader op aarde zie. Hij zal zijn gevangenneming maar tien dagen overleven. In de cel is hij heel moedig. Hij zegt tot zijn celgenoten: ‘Als ik morgen vrij kom, dan ga ik overmorgen verder met de hulp aan de joden en aan allen die onderdak en hulp nodig hebben.’
Lang daarna heb ik gehoord, dat in de laatste dagen zijn geest verward is geworden. Op het laatst heeft men hem naar een ziekenhuis gebracht. Daar is hij in de gang gestorven en men heeft hem bij de armen begraven. Toen hij stierf, waren zijn kinderen en de jongste kleinzoon in de gevangenis. Wat zou het een kleine moeite zijn geweest ons bij hem te brengen. Maar wij mochten zelfs niet weten, dat hij gestorven was. Een neef las het overlijdensbericht in de burgerlijke stand. Juist op die dag waren twee kleinkinderen naar Den Haag om enige informatie over de toestand van grootvader te verkrijgen. Zij werden van het kastje naar de muur gestuurd. En eindelijk zei men op een kantoor: ‘O, jullie grootvader is gisteren begraven.’
Op de label van een pakje aan Betsie schreef een nichtje: ‘Treur niet meer over grootvader. Hij is daar, waar ze hem geen kwaad meer doen en waar hij altijd zo naar verlangd heeft. ‘t Heerlijkst komt nog, was zijn leus. Dat is nu gekomen voor hem. Hou moed, tante, zo is het goed.’ Men heeft vader dikwijls gewaarschuwd: ‘als u doorgaat met altijd zoveel joden te herbergen, zult u nog eens in de gevangenis komen en dat zult u met uw tere gezondheid nooit kunnen doorstaan.’ Vader is in de gevangenis de martelaarsdood gestorven. Toen Betsie het hoorde, schreef zij naar huis: ‘Iemand, in wie zo Christus bijna geheel tot zijn recht kon komen, die zo dicht bij de Heiland leefde, voor wie de eeuwige dingen zo reëel waren en die op zo’n heerlijke wijze de gave van gebed had, die heeft alle voorwaarden voor een martelaar. Ik heb altijd gedacht: die sterft niet op zijn bed. God heeft Zich het regiment niet uit de vingers laten glippen.’
In de cel
Ik word de cel ingeduwd. Op de grond liggen vier mensen. Een jonge barones naast een Oostenrijks werkstertje van de Wehrmacht. Vriendelijk heten ze me welkom. ‘Het spijt me, dat ik uw zo beperkte ruimte moet delen,’ zeg ik beleefd. Zij wijzen mij de brits tegen de muur en geven me brood en water. Ik ben uitgehongerd. Als ik gegeten heb, strek ik mij uit op de harde, ongelijke matras. Binnen heel korte tijd slaap ik. ‘s Morgens word ik gewekt door het openen van de grendels van de celdeur. Dat klinkt alsof men een zware trap tegen de deur geeft. Het licht gaat op: een akelig fel licht, niet beschermd door een lampenkap. Ik maak nu rustiger kennis met mijn celgenoten. Zij zijn vriendelijk en een beetje verbaasd, dat ik niet gehuild heb bij het binnen komen.
Ik probeer mij in te leven in hun gedachten. Een Amsterdamse volksvrouw zit al twee jaar; zij heeft veel gevangeniservaring en leert mij het praten door een geheim gaatje met de kleermaker die in de cel naast ons zit. Zij is op de hoogte van alle gebeurtenissen, staat steeds op de loer naar nieuwtjes en heeft een scherp gehoor. ‘Daar komt Mopje aan,’ zegt ze. ‘Ze komt de kousen brengen voor cel 730.’ ‘O heden, uit cel 742 moet er een op verhoor.’ ‘Ik hoor vreemde voetstappen bij de gangloopsters. Zou er een nieuwe bij zijn gekomen?’ Haar gebabbel geeft afleiding, maar ook onrust.
Als de celdeur geopend wordt om de ‘Kübel’ en het vuile water weg te zetten, gaat de jonge barones zolang mogelijk bij de deur staan om wat frisse lucht te krijgen. ‘De meest eenvoudige voorwaarden voor een gezond leven worden ons hier ontnomen,’ gaat het door mij heen, ‘geen lucht genoeg, geen beweging, geen reinheid.’ De matrassen zijn zo vuil, dat alles onder het stof komt, wanneer ze op elkaar gestapeld worden. Ik hoest er erger door en word eraan herinnerd, dat ik nog ziek ben. Nadat de cel is aangedweild, wordt het stil om ons heen. Er daalt een verveling neer, die ik later heb leren vrezen. Frau Mikes, het Oostenrijkse vrouwtje, zit stil te huilen. Zij klaagt haar angst over haar kanarie. ‘Het beestje zal zeker sterven. Niemand zal er voor zorgen. Ik ben zó opgepakt en had geen tijd om het iemand te vragen.’ Ik denk aan mijn poesje. Het laatste moment thuis was hij op mijn schoot gesprongen en gaf vriendelijk spinnend kopjes. Het denken daaraan maakt mij week. Ik begrijp het verdriet van het kleine vrouwtje naast mij en ik praat zacht met haar en probeer haar te troosten. Ineens gaat zij een zielig verhaal vertellen van haar leven. Verscheidene keren is zij getrouwd geweest en de ene echtgenoot na de ander heeft haar zo mishandeld, dat ze steeds weer wegliep. Nu is ze verliefd op een fluitist uit een jazzband. Wat vreemd is het, zo intiem nacht en dag samen te moeten leven met mensen uit een heel ander milieu. Dit kan mijn mensenkennis verruimen en ik probeer met allen door te praten. Maar bij ieder stuit ik op tegenstand en ik voel me te vermoeid nu om veel te redeneren.
Kaarten
Eén dame loopt de hele dag heen en weer in de cel als een gekooide leeuw. Zes passen heen, zes passen terug. Ze knippert voortdurend met haar ogen. Wat berooft de gevangenis de mensen van de meest elementaire levensvoorwaarden! Als God mij nog kansen geeft, hoop ik in het reclasseringswerk te gaan. Ook celbezoek durf ik nu aan. Vroeger niet. Om de verveling te verdrijven leer ik patience. Wat een onschuldig spel lijkt dat! Ik denk aan vader, die tegen alle kaartspelen bezwaren had. Hier zou hij toch niets tegen kunnen hebben. Maar na een paar dagen begrijp ook ik het gevaar van dit schijnbaar zo onschuldige kaartspel. Komen de kaarten gelukkig uit, dan is er hoop en vertrouwen dat de bevrijding spoedig zal komen; komt het spel niet goed uit, dan zitten allen diep in de put. Wat een bijgeloof overal. Ook kaartleggen is een geliefde bezigheid van veel gevangenen. Wat hechten ze een waarde aan de uitslag!
Twee cellen verderop zit Mien, een verpleegster uit Haarlem. Wij wisselen voortdurend briefjes via gevaarlijke gaatjes in de muur. Op een morgen word ik wakker met een groot verdriet in mijn hart. Ik ben erg bezorgd over vader. De matras, waarop ik lig, is erg ongelijk. Ik heb een pijnlijke hand en arm door een neuritis en ik weet niet meer, hoe ik moet liggen. Maar het ergste is, dat ik continu aan vader moet denken. Hij ligt ook zo hard! Hij met zijn zwakke lichaam. Zal iemand hem helpen? Wat hebben Betsie en ik hem altijd met zorg omringd. En nu in de gevangenis! Een gebed welt op in mijn hart: ‘o Heer, neem hem bij U thuis in de Hemel. Daar zal het zo goed voor hem zijn!’ Ik schrijf aan Mien: ‘Ik hoop, dat vader gauw door de Heiland thuis gehaald zal worden. Hij zal zo genieten in de hemel.’ Ik weet nog niet, dat mijn gebed al verhoord is.
Het is nu de tweede week van mijn gevangenschap. Drie dagen lang ben ik erg ziek geweest en eindelijk wordt de deur wijd geopend. Ik moet me aankleden, met hoed en mantel. Een hoed mag anders nooit gedragen worden in de gevangenis; dus ik begrijp, dat ik buiten het gebouw zal komen. Aan de ziekendrager die mij haalt, vraag ik, waar ik heen ga. ‘Naar het consultatiebureau.’ Een mooie auto staat buiten klaar. Met nog twee gevangenen, een officier en de ziekendrager stap ik in. Dan rijden we door Den Haag. Wat is alles gewoon en toch voor ons ongewoon. Mensen wandelen vrij langs de weg, er rijdt een tram, een bakkerskar, een vuilniswagen. De zon schijnt helder, het weer is een feest.
In het consultatiebureau vraag ik aan een zuster, of ik mijn handen mag wassen. Zij gaat met mij mee, doet de deur achter ons toe en omhelst mij spontaan. ‘Kan ik u met iets helpen?’ vraagt ze. ‘Ja, ja! Een Bijbeltje! Het is mij afgenomen toen ik in de gevangenis kwam. En hebt u soms een potloodje, tandenborstel, veiligheidsspelden?’ Een reeks nuttige dingen vraag ik haar. Wat doet mij haar hartelijkheid goed. Uiterlijk is ze geen bijzonder aantrekkelijke vrouw, maar er straalt liefde van haar uit. Wat een verschil met de boze vrouwen in de gevangenis. Beseft ze hoe ze mij verwarmt door haar vriendelijkheid? Met dankbaarheid zal ik aan deze ontmoeting blijven denken. De dokter constateert natte pleuritis. ‘Ik hoop, dat ik je een dienst bewijs met deze diagnose. Je zult wel in een ziekenhuis terecht komen,’ zegt hij. Bij het weggaan duwt de vriendelijke zuster mij veel van de gevraagde dingen in de zak. Een Bijbeltje kon ze zo gauw niet krijgen; wel vier Evangeliën. Wat ben ik daar blij mee!
‘Einzelhaft’
Twee dagen later word ik ‘s avonds uit de cel gehaald. ‘Alles mitnehmen. Du bekommst Einzelhaft.’ Ik mag geen woord wisselen bij het bijeen pakken van mijn schamele bezittingen. Ik weet onder de matras mijn Evangeliën weg te halen. Voor mijn potloodje zie ik geen kans. Heel jammer. Ik groet met mijn ogen mijn celgenoten. Het spijt me dat ik hen moet verlaten. Ik heb ze lief gekregen, ondanks onze grote verschillen in levensopvatting. Een eenzame cel wacht me. Ik word naar binnen geduwd en de deur sluit zich achter me. Ik ben alleen. Alles is hier leeg en grauw. In de andere cel waren nog kleuren van de kleding van de anderen. Hier niets. Grauw en leeg. Koud, ijskoud voel ik mij. De wind giert en er is een kille tocht in de cel. ‘O Heiland, U bent bij mij, help mij, houd mij vast, troost mij.’ Ik werp me op de matras, trek de vieze dekens over mij heen en sluit mijn ogen. De storm giert en af en toe doet een windvlaag de deur zo schudden dat het lijkt of er iemand van buiten tegenaan bonkt. Rechts en links wordt steeds geklopt. Ik weet nog niet, dat het de celgenoten naast mij zijn, die door een gleuf onder de tafel met mij willen praten. Door de buizen van de centrale verwarming begint water te klotsen, een nieuw gerucht in de sombere mengeling van bange geluiden. Ben ik in een spookcel terecht gekomen? O, mensen! Mensen! Laat er toch mensen bij me komen! Niet dit, niet deze eenzaamheid. Alleen, alleen! ‘O Heiland, neem mijn angst weg, mijn eenzaamheid.’ Ik voel mij erg ziek. Mijn vingers en arm doen hevig pijn. Ik weet niet hoe ik moet liggen. ‘Veilig in Jezus’ armen, Heiland, ja neem mij in Uw armen en troost mij,’ bid ik. Een vrede daalt in mijn hart. De spookgeluiden blijven om mij heen, maar ik slaap rustig in.
Eenzaamheid
Ik moet alleen mijn kleren wassen en de cel schrobben. Ziek! En niemand verpleegt mij. De eerste dagen wordt het brood door het luikje naar mij toegeworpen en mogen de gangloopsters soms het eten bij mijn brits brengen. Maar na drie dagen is dat voorbij. Op een dag komt er een Sanitäter in mijn cel om medicijnen te brengen. ‘Leeft mijn vader nog?’ vraag ik hem. ‘Dat weet ik niet en als ik het wist, mocht ik het nog niet zeggen,’ is zijn antwoord. Even later stuift de Wachtmeisterin binnen om mij woedend een standje te geven. ‘Als je nog eens zo iets durft te doen, de Sanitäter inlichtingen over een andere gevangene te vragen, word je voorgoed verstoken van medische hulp.’ Er wordt wel eens temperatuur opgenomen, dan krijg ik de thermometer onder de oksel. Hij loopt bij mij nooit op, ook al heb ik koorts. Het enige resultaat is, dat als het luikje open gaat, het brood en zo me nu niet meer toegegooid wordt, maar dat ik te horen krijg: ‘Stehen Sie nur auf, Sie haben kein Fieber.’ Het wordt mij steeds voorgehouden en herhaald, het verwijt dat ik maar voortdurend op bed lig. Dat wordt hier blijkbaar als grote zonde beschouwd. Als de temperatuur opgenomen wordt, blijft de Wachtmeisterin bij mij. Ik probeer die minuten van haar aanwezigheid te gebruiken om even met haar te praten. Ze geeft geen antwoord. ‘t Is alsof ze geen menselijk gevoel heeft. Ze is een en al vijandschap, boosheid en hardheid. Zij zijn zo hard en wreed, die vrouwen. Het zijn de enige menselijke wezens die ik zie. Waarom moeten ze altijd schelden en snauwen? Ik zeg hen altijd vriendelijk goede morgen, maar alles stuit steeds af op hun boosheid.
De cel went spoedig en ik ga zingen als de zorgengeest op mij afkomt. Dikwijls word ik bedreigd met ‘Kalte Kost’ of donkere cel, als ik niet ophoud met zingen. ‘Kalte Kost’ wil zeggen, dat je geen warm eten krijgt, dus dat je het de hele dag moet doen met het beetje brood. Ik laat me er echter niet door uit het veld slaan en zing steeds weer. Wel doet het zeer als ik met m’n hele hart een lied zing en de krijsende hese stem van de woedende vrouw maakt er plotseling een eind aan. Als ik voor het eerst mag baden, beangstigt mij het grote sombere gebouw. Het douchen is heerlijk! Ik heb een paar van mijn Evangeliën apart bij me gestoken en wachtend bij het bad weet ik er twee aan medegevangenen in handen te spelen. Een paar bladzijden verstop ik in een reet van het krukje, maar die worden al meteen gevonden bij de volgende gevangene, die in de douchecel komt. Lange, lange gangen. Veel deuren en achter iedere deur opgesloten mensen. In het midden van de gangen liggen kokosmatten, maar wij moeten daarnaast lopen. Wat is er veel veranderd in mijn leven: alle luxe, alle weelde die maar te bereiken was, werd mij door ieder gegund. Hier mag ik zelfs op de loper mijn voeten niet zetten. En alle mensen, Wachtmeisterinnen en officieren, kijken boos, streng en somber. Sommige hebben wrede gezichten. Als na het baden mijn celdeur weer achter mij gesloten wordt, krijg ik een weldadig veilig gevoel. Mijn cel. Alleen. Weg van alles. Mijn tafel, mijn krib, mijn vuile dekens. En de deur tussen mij en het grote gebouw.
Cel-vertroostingen
Buiten schijnt de zon. Een vogel zingt zacht een lentelied. Ik zie door de 28 rechthoekjes van het venster gouden avondwolkjes. En nu neemt mijn fantasie een vlucht. Ik zie de wijde zee, de golven met witte koppen. Ik hoor werkelijk het ruisen van de zee. Want het is westenwind. Ik ben alleen in de beslotenheid van mijn cel, maar rondom mijn cel is de grote gevangenis en daaromheen is de wereld, waar vogels vrij vliegen en de zee ruist. En in die wereld wonen mensen die aan ons, gevangenen, denken. Het Rode Kruis-pakket staat buiten naast de deur. Het betekent aanraking met die vriendelijke mensen, die misschien ons straks komen bevrijden. Al de gevangenen hebben ‘s woensdag om de veertien dagen, als de Rode Kruis-pakketten komen, meer moed. De deur gaat open. Ik sta net even op mijn wankele benen. ‘Pak het zelf maar, je loopt toch juist, ik ga het je nou niet aangeven,’ zegt de Wachtmeisterin. Wat doet liefdeloosheid toch pijn. Ik pak het pakket uit. Het zijn lekkere, smakelijke dingen, uitgezocht door begrijpende mensen, die wisten wat ons goed zou doen. Zou dit het laatste pakket zijn? Zouden we over veertien dagen vrij zijn? Biscuit, een croquetje, hopjes. Maar waarom is er geen vrolijkheid in mijn hart? Om helemaal alleen te snoepen van dit en van dat, wat is dat vreugdeloos. De gedachte komt bij mij op om de Wachtmeisterin wat aan te bieden, maar ik laat die dadelijk weer varen. Ik geloof, dat ik later (komt er een later?) nooit meer alleen zal willen snoepen. Als ik voortaan iets lekkers heb, zal ik altijd denken aan cel 384 en anderen mee laten genieten. Het is donker in mijn cel. Ik praat met de Heiland. Zo’n innige omgang heb ik vroeger nooit gehad. Ik hoop dat ik dat zo mag houden.
Ziek
Als je ziek bent, ben je overgevoelig. Je verwacht dat de mensen je verplegen en zo goed mogelijk verzorgen. Mijn arm doet pijn, soms zo erg, dat ik er niet van slapen kan. Dan weet ik niet hoe ik moet liggen. Mijn schaars met stro gevulde matras is erg ongelijk. Soms ligt het goed en rust ik er heerlijk op uit. Meestal is het dun waar het dik moest zijn en omgekeerd. Dan sta ik wel vier maal in een nacht op om mijn matras om te keren. De zure stoflucht prikkelt mijn keel en ik moet oppassen, want als ik hoest, komt er bloed. Soms bedek ik de hele matras met de langste helft van mijn deken om de nare lucht wat af te sluiten. Het hoofdeind van de matras leg ik tegen de koude stenen muur. Het strokussentje wil altijd afglijden, maar als ik stil lig, gaat het. Het is broeierig warm en vies, dat strokussen. Ik sla een van de dekens over me heen; de andere stinkt erg en moet zo ver mogelijk van mijn neus verwijderd blijven. Maar de cel is koud. Ik krijg ‘s nachts soms medelijden met mezelf. Dan som ik een hele reeks klachten op die ik tegen de dokter of de Wachtmeisterin zal uiten en ik weet dat ik het toch niet doe. Van al de dingen waarom ik gevraagd heb, heb ik tot nu toe niets gekregen. Had ik maar een laken en nog een matras en dekens en kussens. De pijn in mijn arm wordt heviger. Ik had eerst tabletjes. Die krijg ik nu niet meer. Ik heb nu een drank in een vieze fles met een zwarte kurk. Hij moet na het eten ingenomen worden, maar soms neem ik ‘s middags en ‘s nachts nog een lepel. Het middel werkt verdovend.
Het ontbreekt mij aan het meest nodige. Een tandenborstel heb ik niet mee kunnen nemen. Ik krijg één handdoek. De kleren die ik draag, was ik zelf om de beurt. Want ik heb geen tweede stel ondergoed. Als tafelservies heb ik een houten lepel, een houten mesje en een geëmailleerde kroes. Een balein uit mijn korset slijp ik zo lang tegen de muur, totdat ik er goed mee kan snijden. Ik heb nog nooit zo iets vuils gezien als de lap die onder de opklaptafel hangt. Is die bedoeld als vaatdoek? Ik durf hem nooit aan te pakken. Ook heb ik een prullenmandje zonder bodem. Het afwasbakje lekt erg. De bril van de ‘Kübel’ klemt zo erg, dat ik hem met mijn door ziekte verzwakte handen nauwelijks er af kan krijgen. Aan de spijker in de muur hangt mijn bontmantel. Door de rechthoekjes van de tralies schijnt de zon naar binnen. Ik ben nu al zes weken in de cel en ben nog nooit gelucht. Het raam is hoog boven de deur. Langzaam aan komen de zonnestralen zo laag, dat ik ze bereiken kan. Nu sta ik op en ga tegen de muur staan met mijn gezicht in de zon. Zo schuif ik langzaam met de zonnestralen mee, tot ik de laatste stralen opvang, staande op mijn brits. Wat is er een honger in mij naar zon, naar vrijheid, naar thuis.
‘Luchten’
Na zeven weken voor het eerst weer buiten! Door de tuinpoort, een gegrendelde deur, kom ik in de gevangenistuin en daar ben ik alléén. Ribesstruiken, kleurige primula’s, gras, geel duinzand en een wijde, blauwe lucht. M’n benen prikken van de vreemde beweging, maar ik loop, loop, al maar door, het rechthoekige pad om het middenperk. Ik drink de kleuren en het licht in en mijn hart klopt snel van grote emotie. Maar dan zinkt plotseling een niet te beschrijven weemoed in mijn hart. Ik zie de kleuren nog door mijn tranen heen, maar een grotere eenzaamheid dan in de cel voel ik in en rondom mij. Ineens zie ik geen schoonheid meer in de kale tuin, maar een sfeer van wreedheid en dood. Aan het einde is een langwerpige kuil gegraven. ‘t Is als een pas gedolven graf. De helft van de struiken is geheel bladerloos en dood, doordat ze in het duinzand zijn overgeplant. Een hoge, harde muur met wrede glaspunten erop gemetseld, omringt de tuin en in het noorden staat de hoge gevangenis, kaal en grauw, met rijen getraliede vensters. Bij de zuidmuur is een griezelige stank van verbrande beenderen en ik herinner mij, dat m’n neef Christiaan mij vroeger eens vertelde: ‘Er zijn drie crematoria in Scheveningen.’ Achter die muur verbreekt een mitrailleurgeratel even de stilte. Dan weer zwijgen, diep en angstwekkend. ‘t Is twee uur. Alles om mij heen lijkt een dodenstad: De eenzaamheid in de tuin voor Einzelverhaftete …. ‘En Henoch wandelde met God,’ flitst het door mijn denken. Henoch had geen heimwee, toen hij met God wandelde. Die gedachte troost mij en neemt het gevoel van eenzaamheid van mij weg. Ik ben niet alleen meer. God is bij mij. Met Hem ga ik verder en ik zie weer de blauwe lucht en de bloemen en de ribes en ik zie de tuin als een stukje van een mooie, vrije wereld, waarin ik ook weer eens zal mogen rondwandelen. Zo is de aarde een Einzelhaft-tuin en de hemel de grote vrijheid, waar ons, kinderen van het licht, verzadiging van vreugde wacht.
Kinderen in gevangenschap
Er wordt een kind in de cel gebracht met haar tante. Een half uur lang klinkt haar klagelijk stemmetje: ‘Pappie … Ik wil naar Pappie toe.’ De tragiek van dit oord van ellende lijkt geconcentreerd in die klacht. Wat is deze avond donker! De volgende dag zingt hetzelfde stemmetje: ‘Klokje klinkt, vogel zingt.’ ‘t Lieflijke kindergeluid grijpt nu boven alle ellende uit en richt ons denken ‘op ‘s Heren lof en prijs’. Dezelfde cel herbergde tevoren nog kleinere kinderen. Hun stemmetjes klonken de hele dag. ‘Ja hè, mams?’ ‘t Deed je hart ineenkrimpen. Gewone kindergeluidjes en uitingen zijn hier zo misplaatst. Maar die kleintjes lijden niet onder de koude cel: Ze blijven vrolijk. Tot op een nacht de Wachtmeisterin ze komt halen. Ze gaan op transport. Waarheen? De volgende dag is het ongewoon stil om ons heen.
