5. Gebedsverhoringen

Het is heerlijk te ervaren dat God werkt door tekens en wonderen (Marc.16:20). Een vrouw werd van een vreselijke huidziekte op slag genezen. Mensen komen tot schuld erkennen. Gods Geest stoot barrières om en neemt ‘Hemmungen’ weg. Toen ik in een na-meeting van 60 mensen vroeg: Wie wil van nu aan als voornaamste opdracht zien, leerling van Jezus te zijn en Zijn boodschap door te geven, staken allen de hand op, de dominee en superintendent incluis. Een vrouw zei: ‘Ik wil mijn best doen, ik wil rein tot Jezus gaan’. Ik vertelde haar toen dat dat hetzelfde was als om te proberen het donker uit een kamer weg te werken om dan de gordijnen open te doen en het licht binnen te laten. Alleen als we Gods Geest toelaten in ons hart, verdwijnt het duister. De vrucht van de Geest is liefde, vrede, geduld (Gal.5:22).

Het zou wel heel ondankbaar zijn als ik niet vertelde van een wonderlijke gebedsverhoring. Een vrouw kwam bij mij met een vreselijke ziekte. Haar handen waren al verlamd en de dokter had haar gezegd dat zij geheel verlamd zou raken. Wij spraken lang over de beloften van God, die in Jezus ja en amen zijn. Achter iedere belofte staat God in Zijn almacht en nog nooit heeft Hij er één teruggenomen. Vooral over Marcus 16 spraken we lang. De tekens die volgen zijn: ‘Die in Mij geloven, zij zullen de zieken de handen opleggen en het zal beter met hen worden’ en ook over Jes. 53 ‘Hij heeft onze ziekten gedragen, door Zijn striemen is ons genezing geworden’. Zij nam het alles zo eenvoudig en zonder ‘ja-maars’ aan.

De volgende dag was ik alweer in een volgend dorp en werd ik opgebeld door mijn gastvrouw bij wie ik gelogeerd had en die vertelde mij met grote vreugde dat deze vrouw een kind zag vallen en, zonder er bij na te denken, het optilde. Toen, verbaasd dat ze het kon, probeerde ze een emmer water op te tillen, wat haar ook lukte. Zij was volkomen genezen. Ik ben beschaamd dat ik bij zoiets altijd weer zo verwonderd ben, dat de Heer werkelijk wonderen doet. Maar het allerheerlijkste vind ik altijd weer als ik ervaar dat mensen gebukt onder zonden zich volkomen aan de Redder overgeven en dan de blijdschap en vrede die vaak onmiddellijk in hun ogen te lezen is.

Volpriehausen

In een vuil wijkgebouw in een dorpje Volpriehausen hadden we een samenkomst. Alles werkte tegen. Vlakbij was een bruisende waterval die een molen voortdreef en veel lawaai maakte. De ramen waren daarom potdicht en het was benauwd. Verscheidene mensen sliepen rustig onder mijn voordracht, iets wat me altijd ergert. Ik was helemaal niet in de stemming. Een man zei schimpend iets over buitenlanders die naar Duitsland komen om te vertellen ‘was für humpen wir gewesen sind’. Toen ik voor het slapen gaan neerknielde, vroeg ik vergeving. Wat zijn we toch vaak bedelaars, terwijl de Heer Jezus ons koningskinderen gemaakt heeft, maar dan overwinnaars in alle omstandigheden. Ik vroeg ootmoedig of ik nog eens een kans zou krijgen om hier te spreken. Ik moest verder.

Dit was een jaar geleden. En God gaf mij die kans. Drie avonden! Eerst een bidstond en dan spreken en spreekuur na de meeting. Er is een nieuwe, jonge dominee gekomen die heerlijk samenwerkt. We zijn nu in een kerk, niet meer in het vuile, benauwde hokje van de vorige keer. De laatste avond gebeurt waar ik altijd zo voor bidt. Gods Geest breekt barrières af en neemt ‘Hemmungen’ weg. Veel mensen blijven na. De dominee zelf en anderen bidden stil, terwijl anderen naar voren komen en zich aan de Heer overgeven. Duitsers zijn doodsbenauwd voor elkaar en schamen zich te uiten, maar Gods Geest is onweerstaanbaar. Ik probeer eerst nog in een sacristie of andere aparte kamer te gaan, maar daar is geen licht en dus gaat het verder in de kerk waar de anderen bij zijn. Maar ieder bidt mee en er is een eenheid zoals ik weinig heb meegemaakt. Het gebed van een jaar geleden verhoort de Heer ‘boven bidden en denken’. De dominee, die pas een week in deze gemeente is, zegt: ‘Heerlijker begin van mijn werk hier, had ik mij nooit kunnen indenken’.

Voorbede

Ik woon hier in een kamer naast een varkensstal. Wat een heidens lawaai maakt dat gedierte als ze gevoerd worden. Horen en zien vergaan je. Ik slaap onder de portretten van de gevallen zoon in alle mogelijke uniformen van Hitler Jugend tot officier. Soms kunnen al die portretten van militairen me zo de keel uithangen. Soms zegt iemand tegen me: ‘Och in Holland heeft men niet veel geleden door de oorlog’. Antwoord ik dan: ‘We zijn 5 jaar bezet geweest’, dan zeggen ze vrolijk: ‘Ja, maar door Duitsers’ en dan denken ze zo tevreden over hun volk dat door Goethe is opgevoed met de spreuk: ‘Edel sei der mensch, hilfreich und gut’.

Zo juist kwam een vrouw in een donkere mantel, kap over het hoofd getrokken, alleen een deel van haar gezicht was te zien, verwrongen van boosheid. Ik werd haast bang voor haar en bad voortdurend terwijl ik met haar sprak dat het Bloed van Jezus mij bedekte. Zij was vol van eigen deugden en andere slechtheid. Ik liet haar rustig praten en luisterde maar. Ineens was het of er wat brak in haar. Ik zei haar: Laat Goethe u helpen met zijn spreuk ‘Edel sei der mensch, hilfreich und gut’. Toen antwoordde ze: ‘Nee, die kan de leegte niet vullen die in mijn hart is’. Ik antwoordde: ‘Ik weet wel Eén, die het kan, maar die kunt u alleen maar benaderen met gebed om genade en dat kunt u toch niet’. Toen riep ze: ‘Ik ben een Farizeeër, ik zie het nu, is er nog wel genade voor mij?’ Ik wees haar op de grote, eenvoudige liefde van Jezus voor zondaren en, hoewel nog lang niet geheel verlost, ging er een heel wat nederiger vrouw weg dan er gekomen was.

Later hoorde ik dat een man was gekomen om mij te spreken. Hij had gewacht in de kamer hiernaast en had iets van het gesprek verstaan. Toen was hij in voorbede gegaan en ik weet dat ook aan dit gebed de verandering van deze vrouw te danken was. Het bleek later dezelfde vrouw te zijn waar hij al een jaar voor bad en hij was gekomen om te vragen of ik haar opzoeken wilde. Wat is voorbede toch heerlijk. ‘Als men voorbede doet, werkt men mee aan de wereldregering van God’ schrijft iemand. Het is eigenlijk niets meer of minder dan het hart open te stellen voor Gods Geest die in ons bidt.