5. Heel veel indrukken

Een dienst in een negerwijk

Vanmorgen ben ik in de negerwijk van New York naar de kerk geweest. De naam: de Abessinische Kerk. Toen ik binnen kwam, was de dienst al begonnen, de kerk was stampvol. Ik kreeg een plaatsje in een kamer die grensde aan de galerij waar een luidspreker hing, die de stem uitstekend overbracht. Ik keek om mij heen. Alle negers zagen er deftig uit, keurig gekleed. De dominee, een blanke man, beval de collecte aan. Hij maande het dubbele te geven wat men gedacht had en toen noemde hij een lijst van giften op. Mrs. Brown gaf 300 dollars. De gemeente klapte in de handen en herhaalde dat applaus bij iedere afkondiging van een som die gegeven was.

  • ‘Geef allen mild! U zult U zeer voldaan voelen als U veel gegeven heeft.’

Toen sprak hij over de ‘achtergrond van het kruis’. Eerst onderscheidde zich deze spreker niet van enige andere, maar ineens begon hij te spreken over wreedheid. ‘Nog nooit is een tijd zo wreed geweest als deze’, zei hij, ‘want nu wordt wreedheid bedreven onder een zelfgekozen democratisch bestuur’. Hij vertelde verschrikkelijke dingen die met negers gebeuren in deze dagen. Een geschreeuw van afgrijzen klonk door de kerk. Zijn stem werd schor van emotie en de zwarte gemeente werd zo opgewonden dat het geschreeuw en gekerm niet van de lucht was. Eindelijk riep hij:

  • ‘Wie kan hier helpen, Churchill?’ ‘No, the Lamb!’ ‘Truman?’ De gemeente brulde: ‘No. the Lamb’ (het Lam). 

Steeds riep hij namen af van mensen die in deze tijd wat betekenen en het antwoord van de gemeente was: ‘No, the Lamb’. Een koor van negers zong daarop een verward lied en even later ging de kerk uit. Ik verwachte dat de opwinding op straat tot verdere uiting zou komen, maar buiten zag ik om mij heen de meest vriendelijke, vrolijke kwetterende en lachende negerdames en heren die je je maar voor kunt stellen. Een negerkerkgang in de negerwijk van New York is toch wel heel iets anders dan in de Nieuwe Kerk in Haarlem.

Moeilijkheden

Wat kan het hard regenen in New York! Regen en wind zijn fel vandaag. Je krijgt altijd vuile handen hier, maar het is vandaag wel heel erg. Het weer is ineens omgeslagen, vanmorgen was het stralend en warm en ik nam dus geen regenjas mee. Nu zijn mijn kleren akelig nat geworden. We hebben veel bezoeken afgelegd vandaag. Er zijn van die dagen dat het is of alles tegenloopt. Je hebt het gevoel of je door een dicht struikgewas worstelt, af en toe krijg je een terugspringende tak in je gezicht.

Allervriendelijkst worden we overal ontvangen. ‘So glad to meet you’ (Blij U te ontmoeten). Vervelend is dat iemand mij vertelde dat Amerikaanse kinderen al op hun tiende jaar leren voor de spiegel vriendelijk te glimlachen. Een aardig antwoord is als je iemand bedankt: ‘You are very welcome’ (U bent van harte welkom). Al klinken die woorden me overal in de oren als ik een huis uitkom, toch twijfel ik hard of ik inderdaad welkom ben. ‘Amerika heeft geen belangstelling meer in wat er tijdens de oorlog gebeurd is. Men leeft hier allang weer verder’.

‘Een lezing voor U organiseren? Och, we zijn overstelpt met lezingen. Nee, daar heb ik geen gelegenheid voor, maar gaat U eens naar…’ en dan krijg ik weer vier prachtadressen erbij. De lijst van bezoeken wordt steeds groter en we werken nu al een maand in New York. ‘Uw boodschap? O, daar zorgen de dominees voor, onze kerken zijn heel goed en de Amerikanen zijn erg vroom’. De 50 dollar die we beiden mee mochten brengen van Holland, zijn allang op. In Holland heb ik genoeg geld voor deze reis, maar ik mocht niet meer meenemen. Wel kreeg ik af en toe kleine giften hier, maar onze portemonnee voelt erg dun aan. We hebben plannen om naar Washington en Philadelphia te gaan. ‘Wat denkt U wel? Daar zijn helemaal geen plaatsen in hotels’.

Ik ben moe van deze dag. In een grote cafetaria zit ik spaghetti te eten. Een neger veegt het vieze tafeltje voor me af. Er staat een rij mensen te wachten tot er weer plaats is. We kunnen niet te lang blijven zitten dus. Buiten vertekenen bewegende lichtreclames door de dikke stralen van de regen. ‘t Is een heidens lawaai om me heen. Wat is het onrustig om iedere maaltijd weer ergens anders te eten. Daar zit ik nu in het grote Amerika. Zou het allemaal mislukken? Naar de mens gesproken heb ik heel weinig kans. Maar ik waagde met Jezus Christus en dan zal ik niet beschaamd worden. Hij alleen kan helpen en zal het maken dat ik mij verwonderen zal.

Ik lees nog even een brief uit Holland. ‘Zal je van Gods wonderen veel verwachten?’ Een grammofoon geeft het volksliedje hier: ‘Stop al je zorgen in je plunjezak en smile, smile, smile’ (Glimlach). ‘Ga je mee, er zijn nog meer mensen gekomen die eten moeten, we moeten plaats maken’. Ik trek m’n kletsnatte mantel aan en smile, smile, smile.

Kinderen

In de vreemde wereld waar ik nu leef, probeer ik ogen en oren open te hebben. Mag ik over Amerika schrijven? Welnee, want ik weet er niets van af. Misschien als ik hier vijf jaar woonde, dat ik het zou mogen en dan nog heel voorzichtig. Maar wel wil ik vertellen wat ik hoor en zie. Of het eenzijdig is? ‘t Kan best. Het zijn snapshots en die geven maar een heel klein stukje van het geheel.

In de buurt van de huurkazerne waar ik woon, doe ik boodschappen. Hier zie ik kinderen. In de city zie je ze weinig en ik loop wat langzamer om hun gesnap te verstaan. Het zijn drie peuters van een jaar of zeven die op een stoep zitten te spelen. Een staat op en begin een verhaal en ik vang er twee zinnen van op: ‘And then they got married and then they were disappointed’ (En toen trouwden ze en toen waren ze teleurgesteld). ‘Kinderen gaan hier heel vroeg en heel veel naar de bioscoop,’ zegt men.

Strikes

Ik ontmoet een zendelinge die pas uit China is gekomen. ‘China ontwaakt,’ zegt ze, ‘ik ben nu te oud om er te werken, jonge mensen moeten daar naar toe. Ik ben nu terug in Amerika en las zo juist dat er weer een flinke staking is. Gelukkig. Ik ben altijd zo blij als de werkman zich handhaaft. Strikes zijn een machtig wapen tegenover de kapitalisten.’ In het kantoor van een miljonair zitten we te praten over Amerika. Hij vertelt interessant en met veel liefde en trots over zijn land. ‘Als de werkman niet genoeg verdient, staakt hij en dan is alles oké. Amerika is zo welvarend. Iedere werkman heeft zijn badkamer, ijskast, radio en centrale verwarming, dat hoort bij het huis dat hij huurt. Ieder heeft geld. Ik ben zelf kapitalist, maar ik verheug me altijd weer als een staking lukt.’

Ik vertel zijn woorden aan een vrouw, die 40 uur per week werkt, maar zeker 10 uur in de Subway doorbrengt van en naar haar kantoor. ‘Je weet niet wat er geleden wordt door de werkman tijdens een staking,’ zegt ze. Soms krijgen ze drie maanden niet meer dan een kleine steun van de stakingskas. Dan is er bittere armoede in de gezinnen. ‘t Is waar, veel werkmanswoningen hebben de nieuwste gerieflijkheden van de moderne woninginrichtingen. Maar ook zijn er nog veel koudwaterwoningen, waar geen centrale verwarming is en geen badkamer. Vooral in de negerwijken zijn de hygiënische toestanden beneden peil. Een miljonair kan heel wat zorgelozer over strikes praten dan een werkman.

Reclames en slogans

‘Praise the Lord and put in your new editions’ (prijs de Heer en werp uw nieuwe krant hierin), staat boven een bak, waar men de gelezen kranten in kan gooien ten bate van de patiënten in de ziekenhuizen. ‘There are two ways to check your cough’ (er zijn twee wegen uw hoest te doen ophouden), staat boven een plaat in de Subway. Aan de ene kant zie je een man van een dak springen met zijn handen naar beneden, of hij duikt. ‘One manner is to dive from the roof’ (één manier is om van het dak af te duiken). Aan de andere kant is een man afgebeeld die met een stralend gezicht een dropje in zijn mond steekt: ‘A second way is to take a Smith’s cough drops’ (De tweede manier is om hoestdrop van Smith te gebruiken). Een begrafenisondernemer adverteert: ‘You have only to die, we do the rest’ (u hoeft enkel te sterven, wij doen de rest).

*****

Beste vrienden,

Voor wij een nieuw hoofdstuk beginnen van onze Amerikaanse reis, wil ik een klein verslag schrijven over het eerste deel. De eerste 6 weken waren moeilijk. Wij waren verlegen en bescheiden. Mijn Engels was slecht en Amerika zei ons duidelijk: Voor concentratiekampen-ervaringen hebben wij geen belangstelling meer. Ik had een les te leren en toen ik die kende, opende God harten en deuren. Mijn les was dat het ook aan Gods zegen te danken is, als het lukt. Het was goed dat ik dat leerde, want ik hoor nu heel wat vriendelijker opmerkingen, die mij hoogmoedig dreigen te maken. Ik denk dan maar aan de New-York-tijd en ik begrijp, dat het door Gods Geest is dat het lukt. (Op een gegeven ogenblik hadden we nog net 35 cent samen, maar we hebben elke dag eten gehad en elke nacht een goed onderdak).

De opmerkingen die wel bemoedigend, maar gevaarlijk zijn voor mijn ijdelheid, zijn nu b.v.: ‘Amerika heeft U nodig’ of ‘Uw lezing is de beste, die we van Europese zijde hoorden’. Ik ben er nu alleen maar dankbaar voor. God geeft me buitengewone kansen, aan duizenden mag ik het evangelie brengen. Als we een stad binnen komen, kennen we niemand. Na het vinden van onderdak, zoeken we gelegenheden voor lezingen en dan sta ik avond aan avond voor meestal volle zalen en kerken. Ik kom in zeer uiteenlopende kringen en kerken. Eerst voelde ik mij erg Hollands en begreep de Amerikanen niet. Nu zie ik dat overal dezelfde problemen zijn. Ik zet mijn hart open voor de invloeden en leer heel veel.

Evangeliseren op z’n Amerikaans betekent: Grijp je kansen. Potloodjes en puzzels, zakkam- en nagelvijltjesetui’s met een tekst, een kookboek met aan de linkerkant recepten en aan de rechterkant evangelisatielectuur, bewegende lichtreclames: ‘Jesus saves’ enz. De ‘Youth for Christ’ beweging gebruikt vele middelen om jong (en oud) te trekken: de zingende zaag, sneltekens, mime en andere attracties. Het resultaat is: stampvolle zalen. De ‘altarcall’ of ‘invitation’ is een probleem voor me. Ik durf het niet te verwerpen, velen worden werkelijk bekeerd.

Moody’s Bible Institute was een openbaring voor ons. Een prachtig gebouw met 23 neven-gebouwen in Chicago, duizend studenten, allen in training voor zendingsveld of kerk in Amerika. Eerste klas leraren. Geen eenzijdige, sektarische school tegenover theologische faculteiten, maar zeer waardevolle, praktische opleiding voor jonge mensen uit alle kerken en sekten. De sfeer is goed, opgewekt en geestelijk; mooie, vrolijke jonge mensen staan met een reclameplakkaat in de gang om op te wekken voor een bidstond voor een bepaald stukje zendingsveld. O, laten we allemaal bidden om zo’n school in Nederland, van waar uit een grondige zending in Duitsland kan gestart worden.

M.B.I. bracht ons nog een andere zegen. We kregen er een ‘clergy-ticket’, wat betekent, dat we nu voor half geld in de Pullman treinen reizen. Wat een genot! In een Pullman kwamen we hier in Kansas en wonen hier op een farm midden tussen de glooiende prairies. We maken het interessante farmersleven mee, in een gezin, zo vrolijk en energiek en zo gelukkig met elkaar, dat we van elke minuut genieten. ‘t Is bij de broer van Ds. Creutzberg. En als we hier krachten hebben opgedaan, hopen we via Arizona naar Californië te gaan. ‘Maak geen nieuwe afspraken in enige andere stad, er is hier een hoop werk voor U te doen’, schreef een radioman die me o.a. aanbood: ‘U kunt van mijn huis aan het strand bij de zee gebruik maken, zolang U wilt. Misschien zullen we er nu in augustus en september werken.’

Wanneer ik weer thuis kom? Ik weet het niet. Ik zal doen wat God me zegt. God zegene U. Grijp de kansen. De tijd is kort. Vraag om Gods geest om duidelijk te zien wat het belangrijkst is.

Met hartelijke groeten,

CORRIE TEN BOOM.