14. Van Hollywood naar Salt Lake City

Hollywood

In Hollywood zijn geen twee dames hetzelfde gekleed. In Hollywood zijn de mooiste huizen die ik in Amerika zag. In Hollywood klopt het hart van mondain Amerika. Ik ben in een groot theater, waar duizend vrouwen bijeen zijn. Zij hopen allen ‘Queen of the day’ te worden. Een fabrikant van zeep en een van maagzout hebben op zijn Amerikaans een reclame. Vijf keer per week kiezen ze een koningin voor een dag. Die mag dan wensen wat ze wil en alles wordt haar toegestaan. Toen ik dat hoorde, dacht ik: als ik nu gekozen word, dan zou ik vragen om een half uur voor 50 filmsterren te mogen spreken. Wat zou dat een kans zijn! Maar uit de 1000 dames, die in het theater waren, werd ik niet uitgekozen. Toch ben ik blij, dat ik er heen ben gegaan. Ik heb weer een stukje van Amerika gezien.

Een vreemd diffuus licht gaf een onwerkelijke sfeer in de zaal. Op het toneel, kakelbont en overladen van kleuren, kwam een heer, die moppen tapte. Hij zei o.a.: ‘De dames die hier op het podium komen, hoeven niet zenuwachtig te zijn. Er kijken alleen maar duizend paar jaloerse ogen ze aan en een paar miljoen mensen luisteren door de radio of ze een fout maken.’ Enige heren gingen toen door de zaal en interviewden verscheidene mensen. Velen wenkten hen en hunkerden gekozen te worden. Hun handen staken zij op en probeerden zo de aandacht te trekken. O, die handen! Begerige, zenuwachtige, angstige handen! De vingers graaiden in de lucht, ze trilden. Ik zag een heel lelijke oude vrouw, die wenkte. Vijf dames werden gekozen en op het toneel geïnterviewd. Daar tussendoor werd reclame gemaakt voor de zeep en het geneesmiddel. Miljoenen in Amerika luisteren naar deze uitzending. Een werd gekozen en kreeg een purperen mantel om en een schitterende kroon op het hoofd en nu kwamen meisjes met kostbare versieringen, een radio, een elektrisch fornuis, een fiets en alles werd haar aangeboden. Straks wordt ze door de stad gereden en wordt het prachtigste diner haar gepresenteerd.

Ik ben ‘s avonds in de verlichte stad. Honderden kleuren van reclames, vaak bewegend, geven de straten een levendig en vrolijk aspect. Het licht van de sterren vervaagt in die weelde van kleurige reclames. Ik loop een ‘Nightclub’ binnen. In een prachtige zaal zitten honderden aan kleine tafeltjes. Op het toneel zingt, voor een microfoon, een lelijke, afstotelijke vrouw. Zij wringt zich in bochten, haar stem is schel en heeft iets huilerigs. Er is een voortdurend beweeg van schijnwerpers. Wat ben ik blij, dat ik weg kan gaan, ik kijk even om mij heen en bestudeer gezichten. Een goedkope nachtclub in een zijstraat ziet er heel wat minder verzorgd uit. Op het toneel maken enige slordig toegetakelde mannen en vrouwen wat kunsten, zingen wat en maken met rammelende ballen en stokjes ritme en muziek. Aan een toonbank zitten matrozen met hun meiden op hoge krukken. Hollywood!

In het midden van de stad is tegen een heuvel een tuin aangelegd. Ik loop op de rustieke trap en zie overal om mij heen, bomen en kleurige struiken en vele banken. ‘Weet je waar die banken voor zijn?’ vraagt mijn begeleider. ‘Zij staan daar voor mensen die willen bidden.’ Even hoger kom ik bij een kerkje, het is of ik in een dorpje ben. Het heet dan ook Countrychurch of Hollywood. De deuren zijn al geopend. Hier wordt dagelijks een dienst gehouden en per radio uitgezonden. Velen komen hier om te horen naar Gods Woord en te midden van het drukke leven hier een ogenblik uit te rusten in gebed en gemeenschap met de Heer. Het is nu stil hier. Ik zit op een bank. Het is een paradijsachtige tuin. Door de bomen zie ik rondom de kleurige lichten van de stad maar vlakbij zie ik de bomen en struiken verlicht door eenvoudige lantaarns. Een zoete geur van veel bloemen maakt de lucht zwaar. Het geruis van de stad klinkt van veraf. Wat een vrede is hier!

Hoewel het nacht is en eind september, is het hier nog warm. Ik denk aan het begin van de avond. Ik bezocht een jeugddienst in een mooie grote kerk, van buiten verlicht door schijnwerpers. Een kerkzaal beneden was gevuld met jonge ‘teen aged’ meisjes en jongens (10-20 jaar) de meesten leerlingen van de Highschool (H.B.S. of Gymnasium). Ds. Dick Halverson stond op het podium. Er werd gezongen. Bijzonder zuiver klonken de liederen. Soms zong de voorganger en neurieden de anderen de begeleiding. Een mooi vierstemmig lied besloot dit deel van de dienst en toen was het stil en ieder bad. Zó zacht speelde het orgel de melodie van het laatst gezongen lied, dat het leek of het van heel ver weg klonk. Ik keek om mij heen naar de jonge ernstige gezichten. Toen sprak Dick Halverson en zei:

  • ‘Sommigen christenen zijn als auto’s. Benzine en olie geeft een auto kracht om te rijden, maar is de tank leeg dan moet het weer aangevuld. Zo is het met christenen die ‘s zondags ‘bijgevuld worden’ en midden in de week leeg zijn. Ik ken er anderen, die zijn als de trams. Een tram hoeft nooit te tanken als hij maar door de beugel met de bron van kracht verbonden is gaat hij geregeld door. Zo moet het zijn met ons. Verbonden met de Heer Jezus geeft Hij ons kracht, ‘s zondags en in de week. Wees een tram- en geen auto-christen.’

Aan het eind van de dienst kregen de jongelui gelegenheid iets te vertellen van hun ervaringen. Het waren schoolmoeilijkheden waarvan ze vertelden, maar ook spraken sommigen over de nood van de wereld, die Christus nodig heeft. Hun taal was eenvoudig, hun getuigen nederig, een zuivere toon van geloof en verlangen om de wereld te redden.

Hollywood… Ik zag er de handen van hen die begeerden Queen of the day te zijn. ‘t Waren begerige, nerveuze, wanhopige handen en ik hoorde schelle muziek. Ik zag gevouwen handen van jonge jongens en meisjes die stil baden en zacht klonken orgeltonen. Ik zag verveelde, ongelukkige gezichten in de nachtclubs, een vermoeide vrouw op een toneel die lusteloos speelde met kleurige ballen en het gedaas accompagneerde van vreugdeloze grappenmakers. Ik zag blijde, gelukkige jonge gezichten van schooljongens en meisjes die getuigden van een vrede, die Jezus in hun hart had gebracht. Ik zag armoede, schrijnende armoede in kleurige kostbare omlijsting van kunstige, dure gebouwen. Ik zag rijkdom, hemelse rijkdom van kinderen van God. Eén was er Queen for a day, voor één dag. Die Jezus kennen zijn koningskinderen voor altijd in eeuwigheid. De wereld zegt: ‘Eén mag komen’. Jezus zegt: ‘Kom allen tot Mij’.

Zion, Illinois

Het aardse Zion onderscheidt zich niet van andere Amerikaanse stadjes. Het is erg regenachtig en de wegen zijn modderig. Veertig jaar geleden kwamen hier mensen ‘om een stad voor God te bouwen’, zoals een Hollandse voorganger van de Chr. Catholic Church mij vertelt. De straten dragen Bijbelse namen. De Ezechiëlstraat en Henochlaan zag ik. Men maakte een stadswet zoals iedere oprichter van een stad in Amerika kan doen. Er waren vele ‘verboden’. In Zion mocht geen dokter en apotheek zich vestigen. Jezus is de enige heelmeester. Geen varkensvlees, sigaretten, tabak, zelfs geen kauwgum waren gepermitteerd. ‘s Zondags mocht geen auto over de straat rijden. Als een huismoeder op zondag haar luiers op de drooglijn hing in de tuin, was zij in overtreding. Een wettisch ‘christendom’ werd de jeugd geleerd.

Dertig jaar ging het tamelijk goed, ‘maar de duivel stond op zijn achterste poten’, zoals Broeder Ballegooien mij vertelde, een rasechte Hollander, voorganger van de Chr. Cath. Church daar. Ik sprak hem na de dienst die ik in de missionchurch had geleid, een kerk, uitgaand van Moody Bible Instituut. ‘Ik heb nog veel leden in Holland’, vertelde hij. ‘Hoe komt het’, vroeg ik hem ‘dat het hier misging. Wat is volgens u de reden?’ ‘De mammon. Wij hadden veel land en daardoor veel geld. De bedoeling was een kolonie van 15.000 mensen te stichten en er kwamen slechts weinigen. De grond werd gepacht voor 1100 jaar. Wij rekenden op 100 jaar vóór Christus kwam en de 1000 jaar het vrederijk. Het is nog wel de meest godsdienstige stad van de wereld, maar wij gaan hard achteruit. Er wonen hier dokters en je kunt mensen zelfs op straat zien roken. Van de week is de eerste bioscoop geopend. Nee, nee, Zion is niet wat we gehoopt hadden’.

Ik had graag meer gehoord. maar ik moest verder. De drie kerkdiensten vandaag waren weer mijlen van elkaar verwijderd. Het volgend station was een zendingsclub van kinderen in de Memorial Baptistchurch. Er waren kinderen bijeen van 6-12 jaar. Een volwassene speelde de piano en één leidde de dienst, maar op de achtergrond. Een jongen van 9 jaar begon met gebed, een meisje van 8 sloeg de maat bij het zingen. Ik vertelde een half uur van Wladdie die 5 jaar was en een joods vriendje redde, van achter in het concentratiekamp en van andere ervaringen. Ze luisterden zoals kinderen luisteren als er een verhaal verteld wordt. Na afloop kwam een kleine jongen naar voren en bad. Ik kon mijn oren niet geloven. Af en toe moest ik hem aankijken. Was dit een volwassene of een kind? Hij dankte de Heer dat Hij mij gespaard had in de moeilijke gevangenis en me ten zegen had doen zijn voor medegevangenen, hij vroeg een zegen voor het werk dat er nu in Holland gedaan werd. Ja, bad dat veel kinderen in Holland gered zouden worden en hun hart aan de Heer geven. Hij ging verder en bad voor de Duitse kinderen en mensen. Er sprak uit zijn gebed een begrijpen van problemen en een geloof van het enige antwoord van alle vragen, het kruis van Jezus Christus. Hij bad voor Oehlie en de Joodse kindertjes en toen begon de korte, algemene bidstond.

De leidster zei: ‘Nu bidden we allen stil voor ons zelf voor de zending, zelf moeten jullie maar vragen voor welk werk je moet bidden.’ Het was doodstil, alle kleintjes zaten met gebogen hoofd. Toen bad een klein meisje: ‘Heer Jezus, laten we veel kinderen van de week tot u mogen brengen.’ Een jongetje bad voor de zendelingen, die in China werkten. Toen na het zingen van een lied de kinderen zich om ons verdrongen om handtekeningen, was ik zo blij te zien, dat het heel gewone kinderen waren. De leidster vertelde van verleden week. Ze hadden haar een feestje aangeboden en zelf limonade en koekjes gemaakt. Het was helemaal niet lekker geweest, maar ze hadden reuze pret gehad.

Salt Lake City – Mormonenstad

Duizenden stroomden de grote Tabernakel binnen voor een congres. Op de achtergrond de grote prachtige tempel, waar alleen Mormonen op een bepaalde tijd de drempel mogen overschrijden. Achter en rondom ons mooie bergen, nu bedekt met sneeuw. Ik luisterde naar de redevoeringen. Wonderlijk om te horen preken over een congres dat Adam, de eerste mens, gehouden heeft, drie jaar voor zijn dood, vlak bij het paradijs dat in Amerika lag. ‘Be humble’ (Wees nederig) was een steeds herhaalde vermaning. Het zingen van het grote koor was mooi en er werd gebeden in de naam van Jezus Christus. Het woord Evangelie werd genoemd als het meest noodzakelijke. Kende ik iets van het Mormonisme na het meemaken van die indrukwekkende vergadering?

‘s Middags bracht ik huisbezoeken bij Hollanders. Zij waren sterk onder invloed van hun omgeving en hier leerde ik de grote gevaren kennen van de leer van Mormon. Werkheiligheid, geen genade. Het verzoenend sterven van Christus niet nodig. Een man noemde, op zijn vingers wijzend, achtereenvolgens al zijn goede werken, de steun van zijn vertrouwen voor de toekomst. Wat een armoede, wat een wanbegrip! Ik zag de vermoeide gezichten van hen, die hier strijden voor het zuivere evangelie. Het is een roeien tegen de stroom op.

Een waar bolwerk is de Youth for Christ. Met trouw en volharding werken hier veel jonge mensen onder aanvoering van Doe Stiles. Er werd goed gezongen en mooie muziek gemaakt. Ik mocht er spreken en had fijn contact. Wat ga ik al anders over de ‘altarcall’ (De ‘altarcall’ is de uitnodiging aan het eind van een samenkomst om naar voren te komen en zich over te geven aan Christus), denken dan in het begin. Ik verheugde me toen een jonge vrouw en een Mormoonse jongen naar voren kwamen. Toen zijn ouders het later hoorden, verboden zij de jongen ooit weer hierheen te gaan. Ik weet, als hij door Christus gegrepen is, dan zal hij ook door Hem meer dan overwinnaar zijn en ik bid voor hem en voor die velen, die daar hun zendingsveld hebben in de donkere Mormonenstad, die er zo licht en blij uitziet.

Het was een volgepropt weekend. Dat is nog eens werken! Dat is nog eens leven! Vier meetings, een radio-interview en drie huisbezoeken in twee dagen. Een bezoek in de gevangenis. Wat wonderlijk om weer de gevangenispoort door te gaan en te zien sluiten achter mij. Er is geen angst in mij als ik in zo’n omgeving kom. Ik mag zelf straks de poort weer uit, zodra ik het wil. Maar het maakt mij ook niet zenuwachtig, want wat nableef in mijn herinnering van eigen gevangenisdagen is niet triest. Ik denk het meest aan wat de Heiland voor mij was in die dagen, het zingen in de eenzame cel en het luisteren naar Zijn stem. En heel diep in mijn onderbewustzijn verberg ik de spanningen, het afgrijzen, het heimwee dat ik er leed. Ik begrijp ze beter, hen die er nu zijn. Ze staan niet ver van mij af. Als ik tegenover de Canadese jongen sta, wiens vrienden mij zijn adres hebben gestuurd om hem te bezoeken, hebben we al gauw contact. Ik laat hem vertellen en spreek tot hem over de liefde van de Heiland en de noodzakelijkheid en mogelijkheid van volkomen overgave aan Hem. Ik kijk om mij heen: achter een soort gaas, is een hok waar op de grond de omtrek van voeten getekend is. We bidden samen, de jongen en ik. Als hij weggaat is er in zijn ogen een blije blik, hij heeft het Licht aanvaard dat alle duister kan verdragen.