Zonde tot de dood

Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, dan moet hij tot God bidden en Hij zal hem het leven geven, namelijk aan hen die niet zondigen tot de dood. Er is een zonde tot de dood; daarvoor zeg ik niet dat hij moet bidden. Er bestaat ook zonde die wél tot de dood leidt. In dat geval geldt mijn aansporing om te bidden niet. Alle kwaad is zonde, maar niet elke zonde leidt tot de dood (1 Johannes 5:16,17).

Hoe is onze benadering ten opzichte van broeder en zuster die we zien zondigen? Er staat: ‘Als iemand zijn broeder of zuster een zonde ziet begaan.’ We gaan dus niet af op een praatje, op een roddeltje of op een fantasie van: dat zal hij wel gedaan hebben of het lag zeker in zijn bedoeling, maar wij constateerden dat onze broeder, dus een kind van God met wie we optrekken, in zonde is gevallen.

De Heer zegt over zo’n situatie: ga naar hem toe, bestraf hem onder vier ogen en zeg dan: dat was verkeerd. Wanneer hij naar je luistert, kun je samen bidden en dan zal hij de schuldvergeving ontvangen. Als er een gebondenheid achter gebleven is, kun je samen de macht verbreken in de naam van Jezus, want waar twee of drie vergaderd zijn in zijn naam, daar is Hij in hun midden (Matth.18:15-20).

Zondigen is contact hebben met de duivel en het betekent een buiten de wet van God treden en dus ook buiten het lichaam van Christus komen. Bij vergeving en bevrijding kan zo’n broeder zich dan weer vrijmoedig in het lichaam voegen. Hij heeft het daar niet moeilijk mee en is daar geen vlek of rimpel meer, maar hoort er weer echt bij, want hij heeft opnieuw deel aan het leven van God dat in de gemeente geopenbaard wordt. Er is hier sprake van ‘zien zondigen’ en ‘van een zonde niet tot de dood’. Het gaat hier dus over zonde tegen de geboden van God in de natuurlijke wereld.

In het oude verbond had God in zijn wet deze vorm van kwaad in herinnering gebracht, omdat het volk altijd weerspannig was tegen zijn leiders (Hebr.8:9). Paulus schrijft aan de Galaten dat de wet erbij gevoegd was, omdat het ingeschapen geweten van God niet meer goed functioneerde (Galaten 3:19). Denk maar aan de tien geboden. Het gaat dus over zonden die tegen de wil van de wedergeboren christen ingaan, zoals Paulus schreef:

  • ‘Innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God, maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de wet van de zonde, die in mij leeft’ (Rom.7:23).

Deze zonden kan men belijden en dan worden zij vergeven. Wanneer zij gepaard gaan met gebondenheid, kan de duivel in de naam van Jezus worden uitgedreven. Wanneer dus een kind van God steelt, doet hij dit in de zichtbare wereld en zijn geweten zal hem aanklagen. Zijn geest kan dus nog wel vrij zijn. Als dan een broeder of zuster naar hem toekomt, kan deze hem vermanen voor zijn diefstal. Als men iemand ziet zondigen, heeft men dus de taak naar hem toe te gaan en hem te waarschuwen.

Wij krijgen wel eens een enkele maal iemand bij ons, die het moeilijk heeft met de levenspraktijken van een andere broeder of zuster. Wij vragen dan altijd: ‘Mag ik deze persoon zeggen dat jij ons dit meegedeeld hebt?’ Wanneer dan geantwoord wordt: ‘Ik weet het niet zeker, maar ik geloof dat hij of zij dat doet, of ik heb het via geruchten vernomen, of van mijn kinderen gehoord’, misgaat hij zich door zo’n beschuldiging over te nemen. Dat geloof van zo’n persoon kan altijd nog foutief zijn en het is een bewijs dat hij niet positief ten opzichte van zijn naaste ingesteld is.

Ook vragen we als iemand het dan wel zeker weet: ‘Ben je al bij hem geweest? Jij hebt het toch geconstateerd en hebt het ‘gezien’. Vaak probeert men een oudste of voorganger ergens heen te sturen, voordat men zelf naar de betrokken persoon is gegaan. Ook kan men opmerken dat sommige aanklagers zich bezighouden met overtredingen van hun broeder of zuster tegen het zevende gebod, terwijl er van ‘zien’ of zeker weten geen sprake is. Zij projecteren dan zonder enig bewijs hun eigen verborgen onreinheid in het leven van hun naaste. Ze denken dan ‘oprecht’ dat hun broeder in zo’n situatie wel zo slecht zal gehandeld hebben.

Wie zijn broeder ‘ziet zondigen’ moet zelf eerst proberen de zaak tot een goede oplossing te brengen en wel met al de liefde van zijn hart. De vermaning moet functioneren in de positieve sfeer van de liefde. Het gaat er niet om de ander eens goed de waarheid te zeggen, maar om hem langs de weg van de liefde weer terug te brengen op het goede pad. Paulus schreef in 1 Timotheüs 1:5: ‘Het doel van je opdracht is de liefde die voortkomt uit een rein hart, een zuiver geweten en een oprecht geloof.’ De zondigende broeder moet immers weer in een goede relatie met zijn Heer komen, hij moet weer een rein hart krijgen en een goed geweten, nadat hij zijn schuld heeft beleden en vergeving heeft ontvangen. Is het gelukt, dan kan dit incident verder met de mantel der liefde worden bedekt.

Zonde tot de dood

Er bestaat echter ook ‘zonde tot de dood’, dat is zonde in de geestelijke wereld. Men is dan verbonden met leugengeesten en er kan niet gezegd worden, dat de inwendige mens eigenlijk anders begeert te leven. De geest van zo’n persoon richt zich dan niet op het woord van God en op Gods Geest, maar wordt geïnspireerd door dwaalgeesten en door de vader van de leugen, de satan. Zo’n demon brengt hem dan met heel vroom schijnende redeneringen af van de weg van de waarheid en voert hem naar de geestelijke dood. Zo’n persoon gaat verloren, omdat hij de liefde tot de waarheid niet aanvaard heeft, waardoor hij gered had kunnen worden. De apostel Paulus voegde eraan toe:

  • ‘De komst van de wetteloze zal steunen op de kracht van de satan en vergezeld gaan van allerlei machtsvertoon, van misleidende tekens en wonderen en van alle mogelijke misdadige verleiding, bestemd voor hen die verloren gaan, omdat zij zich hebben afgesloten voor de liefde tot de waarheid, die hen had kunnen redden. En daarom zendt God hun een kracht die hen verleidt om geloof te hechten aan de leugen, opdat allen veroordeeld worden die geen geloof hebben geschonken aan de waarheid, maar hebben gekozen voor de ongerechtigheid’ (2 Thess.2:9-12).

In de Statenbijbel staat dat God hun ‘een kracht der dwaling’ zendt, dus een geest van de dwaling. In 1 Johannes 4:6 is er ook sprake van ‘de geest van de dwaling’. Het is dus onmogelijk om door gebed en door ‘bediening’ iemand van een ‘geest van de dwaling’ te verlossen. Een echtbreker of een dief weet dat hij zondigt als hij een christen is, maar een verleugend mens ziet de dwaling aan voor waarheid en richt zich daarnaar. Hij vraagt geen vergeving, omdat hij zeker weet dat zijn leugens waar zijn en zegt: ‘Wat ik geloof, is waar’ en ‘wat ik belijd, is zeker’.

Hier zien we de wet van de letter V weer in werking treden. In het begin is er een klein verschil, maar de benen gaan steeds verder uit elkaar. Men komt dan tenslotte op een geheel andere plaats uit. Wie de waarheid vasthoudt, komt tot de volmaaktheid en op de troon van God en wie de leugen continueert, zakt steeds dieper weg en komt in de dood. Hoewel je dus weet, dat een verleugende christen verkeerd staat, is hij niet aanspreekbaar. Het enige wat men kan doen, is, zo’n persoon het woord van God voorhouden, want:

  • ‘Levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden’  (Hebr.4:12).

Alleen een veranderd inzicht kan tot bekering leiden. Men kan bij zo’n persoon geen demonen uitdrijven, maar hij moet deze zelf loslaten. Daarom staat er ook dat je met zulke mensen niet moet bidden, maar men zal ze de woorden van God voorhouden, zodat ze misschien in hun denken vernieuwd worden. Dit is de enige manier waarmee men iemand kan helpen om de zonde tot de dood te bestrijden. Men moet hem dus de werkelijkheid verkondigen van het eeuwige plan van God met de mens, dat hem tot het voorgestelde doel van de volmaaktheid voert. Als iemand de waarheid niet aanvaardt, zakt hij af naar het verderf. In Johannes 8 wordt verhaald dat velen in Jezus geloofden. Zij aanvaardden de woorden van de Heer echter slechts tot op zekere hoogte. Jezus zei toen tegen hen, die een eind met Hem meegingen:

  • ‘Wanneer u bij mijn woord blijft, bent u werkelijk mijn leerlingen. U zult de waarheid kennen en de waarheid zal u bevrijden.’ Het antwoord van deze verleugende gelovige Joden was: ‘Wij zijn nakomelingen van Abraham en we zijn nooit iemands slaaf geweest – hoe kunt U dan zeggen dat wij bevrijd zullen worden?’ (vers 31,33).

Zij loochenden dus net als velen in onze tijd, dat een kind van God in slavernij kan verkeren, dus gebonden kan zijn. Maar Jezus antwoordde hen: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: iedereen die zondigt is een slaaf van de zonde. Dus wanneer de Zoon u vrij zal maken, zult u werkelijk vrij zijn’ (vers 34,36). Hoewel deze Joden dus in Jezus geloofden, waren zij verbonden met hun vader de satan, die hen misleidde en daarom konden zij de Heer van de waarheid niet volgen. De enige oplossing was, dat zij de volle waarheid zouden verstaan. Wij lezen ook nergens dat de Heer bij dit soort mensen of bij de schriftgeleerden en Farizeeën demonen uitdreef. Hij confronteerde hen met de waarheid en als ze deze aangenomen hadden, waren ze behouden.

Het enige dat wij kunnen doen met misleide en verleugende christenen, is: proberen hun denken te veranderen en te vernieuwen. Hun zonde is immers dat zij wat Gods woord en Zijn Geest tot hen spreken, voor leugens houden. Alle ongerechtigheid, dus alles wat van de wet van God afwijkt, is zonde en wetteloosheid, maar er is wel verschil. Het is opmerkelijk dat Jezus dikwijls met tollenaars en zondaars omging en bij hen kwam eten. Ook had Hij geen moeite met mensen die naar lichaam, ziel of geest geschonden waren, maar alleen met de geestelijk dove en blinde leiders. Als Hij wel eens bij hen at, botste het keer op keer! Zij konden niet tot Hem komen en in Hem geloven, want door de vader van de leugen waren hun ogen verblind en hun oren toegestopt.

Afgoderij en toverij

  • ‘Want er is een zonde die tot de dood voert. Kinderen, pas op voor afgoden’ (1 Joh.5:16,21).

In het Oude Testament werd de toverij ten sterkste veroordeeld, omdat dit volkomen in strijd was met de dienst van de enige waarachtige God en onafscheidelijk verbonden met de afgodendienst. Het volk Israël begreep dat de aanbidding van afgoden, zoals de volken rondom hen deden, niets anders was dan het dienen van onreine geesten of demonen. Wanneer magiërs en waarzeggers, wichelaars spiritisten allerlei tekens, voorzeggingen en krachten openbaarden, ontvingen deze de macht door de gemeenschap met duistere wezens. Achter de zichtbare afgodsbeelden van hout, steen, goud of zilver verborgen zich de onzichtbare, onreine geesten:

  • ‘Zij offerden aan de boze geesten, die geen goden zijn, aan goden die zij niet hebben gekend’  (Deut.32:17). ‘Zij offerden hun zonen en hun dochters aan de boze geesten: aan de afgoden van Kanaän’ (Psalm 106:37,38).

Afgoderij was niet minder dan geestelijk overspel. Het volk van God mocht alleen gemeenschap hebben met de ene God, ‘uw Man en Maker’ en ieder contact met een afgod was gemeenschap met boze geesten, met onderdanen van Gods tegenstander, de satan en dus ontrouw aan de Heer. Daarom staan zedeloosheid en afgoderij met elkaar in verband. Zij zijn aan elkaar gelijk en op beide stond in het oude verbond de doodstraf. Beide waren een gruwel in de ogen van de Heer. ‘Hoe kan alles in orde zijn, zolang de ontucht van uw moeder Izebel en al haar toverkunsten voortduren?’ (2 Kon.9:22). ‘Balak moest hen ertoe aanzetten afgodenvlees te eten en ontucht te bedrijven’ (Op.2:14). Zoals de echtbreker één vlees geworden is met de vreemde vrouw, zo is de afgodendienaar één geest met de onreine, occulte demonen.

Toverij in onze dagen

  • ‘Het mag bij u niet voorkomen dat iemand zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan, zich inlaat met waarzeggerij, met geestenbezwering, voorspellingen of toverij, zich met bezweringen inlaat, geesten en orakels ondervraagt of de doden oproept. Want van iedereen die dergelijke dingen doet heeft de Heer uw God een afschuw; en om dergelijke gruweldaden drijft Hij die volken voor u weg. U moet de Heer uw God onvoorwaardelijk trouw zijn. De volken die u verdrijft mogen naar geestenbezweerders en waarzeggers geluisterd hebben, u staat de Heer dat niet toe. Uit uw eigen broeders zal de Heer uw God een Profeet laten opstaan zoals ik, naar wie u moet luisteren’ (Deut.18:10-15).

Ontzaglijk groot is het aantal christenen dat ondanks deze ernstige waarschuwingen van de Heer zich toch bezig houdt met occulte demonen. Salomo deed eenmaal wat kwaad was in de ogen van de Heer, toen hij zich op de Olijfberg neerboog voor de gruwelijke afgoden van de omringende volken. Vanwege deze gemeenschap – met de onreine geesten werd het rijk in twee delen gescheurd (1 Kon.11:7,11). Koning Saul stierf ‘omdat hij het woord van de Heer niet in acht genomen had, ja zelfs de geest van een dode ondervraagd en geraadpleegd had en niet de Heer had geraadpleegd’ (1 Kron.10:13,14). Een groot deel van de christenen in onze tijd doet dezelfde zonden. Zij verwerpen het eeuwig evangelie en daarom proberen zij hun diepste verlangens op illegale wijze te bevredigen. Het eeuwig evangelie leert dat alleen Jezus Christus het antwoord is op alle levensvragen en problemen:

  • ‘De Heer, uw God, zal u een profeet verwekken; naar Hem zult u luisteren.’ Alleen langs de legale weg, door Heilige Geest, wil de Heer ons inzicht geven in de toekomstige dingen. ‘Hij zal u de toekomst verkondigen’ (Joh.16:13).

Wie naar een waarzegger gaat, zich de horoscoop laat trekken, de lijnen van de hand laat lezen, door middel van mediums in de onzichtbare wereld wil dringen om zo een antwoord te vinden op zijn levensvragen, treedt rechtstreeks in contact met de boze geesten. Men moet de Heer vragen en Deze wil zich door zijn Woord en zijn Geest van de profetie, door gezichten en dromen, aan zijn volk op bovennatuurlijke wijze openbaren. Wie zich laat bestrijken, laat magnetiseren, belezen, probeert clandestien zijn genezing te ontvangen vanuit het rijk van de duisternis, terwijl alleen Jezus het antwoord is, want Hij is de Genezer van de zieken. Door zijn Geest wordt de gave van genezing in de gemeente geopenbaard.

Wij maakten eens mee, dat een man in zijn nood naar voren kwam. De Heer maakte de dienende broeder duidelijk dat deze persoon bij een kruidendokter geweest was. Ogenschijnlijk steekt hier geen kwaad in, omdat hier van een natuurlijke geneeswijze sprake kan zijn. Bij de bediening werd een geest van spiritisme en toverij bestraft en het bleek dat de kruidendokter voordat deze zijn medicijnen afleverde, eerst de kruiden bestreek. De man werd bevrijd van de onreine geesten.

De kerkgeschiedenis vermeldt soortgelijke handelingen bij Simon de tovenaar. Simon magnetiseerde water, opdat de planten die ermee begoten werden, sneller zouden groeien. Wie zich bezig houdt met magie, probeert met bovenmenselijke krachten te werken. Dan gebeuren er wonderen en tekens zoals bij Jannes en Jambres, die Mozes weerstonden. In onze dagen kunnen wij opnieuw zo’n revival van occulte demonen uit de afgrond verwachten (Op.9:1-11; 13:1-8). ‘En het beest (de antichrist), verleidt hen, die op de aarde wonen, wegens de tekens, die hem gegeven zijn te doen’ (Op.13:14).

Demonenblind

Het verschrikkelijke is dat het christendom in onze dagen blind is voor het bestaan van demonen en de bewaring door heilige engelen. Door haar materialistisch denken heeft zij deze geestelijke wereld in feite uitgeschakeld, hoewel Gods Woord er telkens en telkens weer op wijst. De vijand die graag in het verborgene opereert, heeft hiervan gretig gebruik gemaakt. We krijgen wel eens de reactie: ‘U maakt mij toch niet wijs dat in zo’n aardstralenkastje demonen zitten? Dit is gewoon belachelijk!’ Een ander maakte een soortgelijke opmerking over een uitlating van ons in verband met een Opleiding tot helderziende waaruit men zich de toekomst kon laten voorspellen. Inderdaad, ook een afgod is niets, zelfs al heeft deze een moderne uitvoering! Maar men gelooft erin en men verwacht er iets van of probeert er een spelletje van te maken.

Enige dagen terug werd een van onze vrienden ‘s nachts wakker en de Heer bepaalde hem erbij, dat iemand geen aanraking mocht hebben met offervlees. De volgende dag kwam in de bediening een man naar voren, die jaren lang in Indonesië gewoond had. Deze man verkeerde in grote geestelijke nood. De broeder werd plotseling herinnerd aan wat de Heer hem ‘s nachts gezegd had en vroeg: ‘Hebt u wel eens deelgenomen aan een slametan?’ Het antwoord was (wij zouden haast zeggen natuurlijk) bevestigend. Om het Indisch personeel niet voor het hoofd te stoten, had hij meegegeten van dieren die aan de afgoden gewijd waren. Het resultaat was, dat er vanaf dit ogenblik een grote onrust in zijn leven gekomen was en hij zich erg benauwd en zeer angstig voelde.

Is een afgod dan iets?

De Bijbel zegt: ‘Nee, maar hun offeren is een offeren aan boze geesten en niet aan God en ik wil niet, dat u (als christen) in gemeenschap komt met boze geesten’ (1 Cor.10:20). Dit afgodenvlees is gewoon vlees en het kan niemand schaden, maar wee degene die het in verbinding brengt met zegen en voorspoed, die niet door de hemelse Vader ons doen toekomen. Of men dit in ernst doet of voor de grap of om iemand ter wille te zijn, het resultaat blijft hetzelfde. Ook het Joodse kocher (kasjroet), wat nog gebaseerd is op o.a. Deuteronomium14:3-21, brengt de mens terug in de schemeringen van het oude schaduwtijdperk. Terwijl Jezus alle voedsel rein verklaard heeft, houden veel Joden nog steeds vast aan de voorschriften van Mozes uit de Sinaï. Het klinkt misschien onschuldig, maar dit is het niet. Alle beloften zijn immers vervuld in Gods Zoon.

Buiten de Vader én Jezus Christus heeft men vandaag alleen maar demonen aan de lijn (Marc.7:19; Hand.10:13, 11:1-10; 1 Tim.4:3). Wat nog te denken van het barbaars geslachte, islamitisch halalvlees. Deze voorschriften- en regeltjes-ideologie bij uitstek, bindt inmiddels 1,5 miljard islamieten dagelijks aan hun grootvorst uit de afgrond van het dodenrijk, een maan- en korandemon.

Er zijn dus bepaalde wetten en methoden waardoor het rijk van de duisternis zich kan openbaren en binnendringen in de mens. Wat maakte de mens vroeger zich druk over hygiënische voorschriften? Door onwetendheid of nonchalance werden besmettelijke ziekten tot vreselijke epidemieën, waaraan duizenden ondergingen. Zo is het occultisme en het aan afgoden gewijd voedsel, de poort waardoor vele demonen bij de mens binnenkomen.

Onlangs kwam een broeder in een samenkomst naar ons toe. Tegen zijn vrouw had hij gezegd: ‘De nood is nu zo hoog, dat ik in de eerste de beste samenkomst voor bevrijding naar voren ga’. Wij vroegen hem of hij contact gehad had met afgoden. Het bleek, dat hij geregeld in heidense tempels geweest was. De Heer toonde ons een heidens afgodsbeeld. In de naam van Jezus verbraken wij de demonen en wij zagen hoe de borst van dit beeld, als door een moker getroffen, verbrijzeld werd. Van dit ogenblik af kwam er grote vreugde in het leven van deze broeder. Hij was bevrijd van demonische machten.

Laten wij toch voorzichtig zijn, wanneer God ons in zijn Woord zo ernstig waarschuwt. Het aardstralenkastje, de beweging van de magnetiseur, de geheimzinnige formule, de bestreken kruiden, de heidense afgodsbeelden die wij in een loge van de vrijmetselaars zagen, een toekomst voorspellende UWV cursus, het aanroepen van engelen, duivelen of heiligen, de horoscoop, de spiritistische seance, het blazen op iemand ter genezing, het hypnotiseren, het door demonen geïnspireerde halalvlees, alles is voor de Heer een gruwel. Het is een rechtstreeks contact opnemen met demonen. Het is een verschrikkelijk surrogaat en imitatie van het werk van Gods Heilige Geest met zijn gaven, krachten en tekens.

Wij geloven niet dat de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad een bovennatuurlijke vrucht was. Maar het goddelijke Woord waarschuwde het eerste mensenpaar voor deze vorm van occultisme, die via deze boom binnendrong bij de mens. Het was een zonde tot de dood.

Ook in de dienst van God waren voorwerpen, waaraan de Heer bijzondere waarde toekende. Wij denken aan de ark van het verbond en aan de dood van Uzzia, die zijn hand ernaar uitstrekte (2 Sam.6:7). Als de Heer God op de berg Sinaï bij de wetgeving verschijnt, is deze berg verbonden met de heiligheid van de Heer. Niemand mocht deze berg beklimmen of zelfs met zijn voet aanraken. Wie dit toch deed, kwam in gemeenschap met het heilige zonder hiervoor toebereid te zijn. Daarom moest de overtreder gedood worden, terwijl niemand hem mocht aanraken. Hij was ‘taboe’ geworden. Wij lezen daarom met een Joodse vertaling: ‘Geen hand zal hem (de overtreder) aanraken, want hij moet gestenigd of (bij het vluchten) met pijlen doorschoten worden’ (Ex.20:13). Het brood en de wijn die wij bij het heilig avondmaal gebruiken, bezitten zelf geen bijzondere kwaliteiten. En toch klinkt het:

  • ‘Is niet het brood dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus, is niet de beker der dankzegging een gemeenschap met het bloed van Christus?’ Hier hebben wij de goddelijke tegenstelling met de afgoderij! ‘Wie dan op onwaardige wijze het brood eet of uit de beker van de Heer drinkt, bezondigt zich aan het lichaam en het bloed van de Heer. Daarom zijn er onder u zo velen ziek en zwak, en is een aantal van u gestorven’ (1 Cor.11:27,31).

Jezus is het antwoord in al onze noden. Pas daarom op voor de afgoden.

Zonde tot de dood

De Bijbel zegt dat wij alle last en zonde moeten afleggen. Toch spreekt de Schrift in dit verband nergens over de zonde van de hierboven genoemde afgoderij en toverij. Dit is wel zeer opmerkelijk, omdat men in een tijd leefde, dat het hele maatschappelijke leven met afgoderij verweven was. Op de weg van de heiligmaking kunnen de conventionele zonden als stelen, lasteren, hoogmoed, gierigheid, jaloersheid, haat, stemmingmakerij, vrees en dergelijke in de kracht van God overwonnen worden. Deze zonden horen immers bij de oude mens, bij de verdorven menselijke natuur.

Bij de zonde van de afgoderij in engere zin hebben wij echter te maken met een rechtstreeks contact met boze geesten, met een samensmelting van demonische geesten met de menselijke geest. Dit is een zonde tot de dood, dat wil zeggen tot de geestelijke dood. Er komt een geest van neerslachtigheid, er komt angst en vrees bij hen die dit vroeger als natuurlijke mensen niet kenden. Ons is opgevallen dat zij die vaak bij magnetiseurs geweest zijn, onder hypnose gebracht waren of languit zijn gevloerd door o.a. de ‘Toronto-blessing’, Benny Hinn en nog wat Amerikaanse jetsetpredikers, onbereikbaar worden voor de Heilige Geest. Deze slachtoffers kunnen niet meer bidden en bij het Bijbellezen dwalen hun gedachten weg. Het doet hun niets meer en zegt hun niets meer. Het is of ze geestelijk overtrokken zijn met een ondoordringbaar waas, dat hen immuun maakt.

Voor velen die de doop met Heilige Geest zoeken, staat deze zonde met haar geestelijke ongevoeligheid in de weg. Als de Heer ons deze mensen op de weg brengt, zullen wij niet voor hen bidden, maar wij zullen worstelen tegen die overheden, tegen die machten, tegen die boze geesten in de hemelse gewesten. Door de kracht van de Heilige Geest moeten de geesten weer van elkaar gescheiden worden.

Wie op de een of andere manier met occultisme te maken heeft, wordt één van geest met de demonen. Deze moeten door de autoriteit van de Naam van Jezus verdreven worden. Jezus zegt: ‘In mijn Naam zult u demonen uitdrijven.’ Gods Geest die oordeelt, stelt ons daartoe in staat. Oordelen is scheiding maken. Het is een strijd op leven en dood. De mens moet weer apart staan van de macht van de duisternis. Dan kan hij weer contact zoeken met God en Jezus Christus wil hem dopen met Heilige Geest, zodat hij overwinnaar kan worden en blijven. Dit betekent vrijheid, vrede en vreugde.