Zeven struikelblokken op de weg naar de verlossing

Kennis belangrijk

Is het verkeerd veel waarde aan de leer van Jezus Christus te hechten? Is het brengen van Zijn leer noodzakelijk om tot eenheid van Gods volk te komen of werkt dit juist de verdeeldheid in de hand? Is het mogelijk dat het plan en het doel van God met ons leven in ons gerealiseerd wordt zonder kennis van het evangelie? Van Jezus wordt gezegd dat Hij de menigte in de tempel onderwees:

  • ‘Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en kwaal onder het volk’ (Matth.4:23).

Het onderwijs van de Heer richtte zich op het behoud en het herstel van de mens en van de hele schepping. Door zijn leer bracht Hij de mensen kennis van de redding bij. Zonder onderricht kan men niet geloven, want het geloof is uit het horen en het horen door het gepredikte woord. Daarom is er sprake van ‘kennis van redding’ (Luc.1:77). Wij moeten de waarheid leren verstaan en kennis van God krijgen. Men verweet de leerlingen dat zij Jeruzalem met hun leer vervuld hadden (Hand.5:28). De wetgeleerden hadden echter de sleutels van de kennis weggenomen en dit had tot gevolg, dat zij het Koninkrijk van God niet ingingen en degenen, die probeerden in te gaan, tegenhielden (Luc.11:52).

Tegenwerking

De duivel werkt op twee manieren om te verhinderen, dat een mens de juiste kennis van God ontvangt. Allereerst maakt hij hem wijs, dat het helemaal niet nodig is een leer te hebben. Hij zegt door mensen heen: ‘Ik heb Jezus aangenomen, ik heb Hem lief en Hij zal wel zorgen, dat het verder met mij in orde komt’. Maar om Hem aan te nemen, Hem lief te hebben, Hem te dienen en in Hem te geloven, moet men Hem kennen en zijn Woord aanvaarden en bewaren. Velen kunnen met Thomas zeggen: ‘Heer, wij weten niet, waar U heengaat; hoe weten wij dan de weg?’ (Joh.14:5). Zij kennen de weg niet in de onzichtbare wereld waar Jezus heen is gegaan, noch de eindbestemming, de volkomen volwassenheid, die Jezus voor hen bereikbaar gemaakt heeft.

In de tweede plaats probeert de duivel de ware kennis te vervangen door leringen van mensen of van boze geesten, die geen enkele redding, geen heerlijkheid en geen overwinning brengen. De ware leer komt overeen met het recht en met het plan van God. Wanneer men de waarheid wil leren verstaan, zal men kennis moeten hebben, zowel van de zienlijke áls van de onzienlijke wereld. Daarom is er sprake van ‘de weg tot de volle Waarheid’ (Joh.16:13). Tot Nicodémus zei Jezus:

  • ‘Als Ik u van het aardse gesproken heb, zonder dat u gelooft, hoe zult u geloven, wanneer Ik u van het hemelse spreek?’ (Joh.3:12).

Het eeuwig evangelie leert ons daarom door de Heilige Geest de diepste gedachten van God verstaan, dat ook alles omvat wat in de hemelse gewesten is. Zo doet de kennis van de zienlijke dingen ons geloven, dat Jezus aan het kruis van Golgotha gestorven is. Dit feit werd zintuiglijk waargenomen: ‘Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft’ (Joh.19:35).

Maar er is kennis van de geestelijke wereld nodig om van Jezus’ offer aan het kruis, als losprijs voor de hele wereld, profijt te hebben en de betekenis van de schuldvergeving goed te verstaan. De kennis van de zienlijke wereld verzamelt men door zijn zintuigen en door het geloof in wat anderen waargenomen hebben. Maar de kennis van de onzienlijke dingen ontvangt men door het geloof in het Woord van God en door de Geest van God, die in ons woont.

Als de Heer van de Heilige Geest zegt: ‘Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen’ (Joh.16:14), wordt daarmee bedoeld dat de Geest zijn kennis uit de onzienlijke wereld put, want daar is het Koninkrijk van Jezus en daar staat zijn troon. De apostel Petrus vermaant: ‘Wordt nuchter en waakzaam’ (1 Petr.5:8). Nuchter is men, als men rekening houdt met de zichtbare én onzichtbare wereld. Daarom vervolgt de apostel: ‘Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden’. Nuchter is men, als men ook op zijn hoede is voor wat uit het rijk van de duisternis opkomt.

Zeven struikelblokken

Wij willen nu een zevental struikelblokken noemen, waardoor de weg van de verlossing en redding voor veel christenen geblokkeerd wordt en die de mens tegenhouden om het doel wat God met de mens voorheeft te bereiken. Een dwaalleer kan nooit iemand tot de volkomenheid voeren, maar zij is juist een beletsel om de weg van God tot dat doel te gaan. Zij voert het denken van de mens op een zijweg en doet hem verdwalen. Van de gezonde leer kan gezegd worden: ‘Zij is nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust’ (2 Tim.3:16,17).

1.De misleidende Uitverkiezingleer

De Heer zei: ‘Ga in door de smalle poort’ (Matth.7:13). De valse Uitverkiezingleer is de schildwacht voor deze poort, die het binnengaan probeert tegen te houden. Zij houdt in, dat het van eeuwigheid vaststaat, wie behouden of wie verloren is. Deze verkiezing gaat dus niet alleen buiten de mens om, maar ook buiten Christus en de gemeente. De uitspraak, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoende (2 Cor.5:19), wordt teniet gedaan door deze leer, die van het axioma uitgaat dat God van eeuwigheid de verworpen mensen haat. In verband hiermee wordt geleerd dat de mens eerst weten moet, of hij wel in aanmerking komt om zich te bekeren, omdat dit wel eens tegen het eeuwig voornemen van God in kon gaan. Men moet dus overtuigd zijn of men bij de verkorenen of bij de verworpenen hoort. Daarom laat men de wedergeboorte als daad van God aan de bekering voorafgaan, voor zover men ze niet aan elkaar gelijk gemaakt.

Voordat men enige kennis van Jezus heeft, van zijn genade of van zijn Geest, moet men weten of men tot behoud uitverkoren is. Nadat men deze kennis heeft, moet men wachten tot God roept en op de bekering, die God zou bewerken. Pas daarna zou de mens dus door de smalle poort kunnen ingaan. Het is echter onmogelijk om de gedachten van God m.b.t. de uitverkiezing te verstaan zonder het bezit van de Heilige Geest, die de diepte van God doorzoekt en openbaart. Een onbekeerd mens kan nooit enig werk van God verstaan, omdat hij de verbinding met Hem mist. Johannes schrijft over de ware uitverkiezingsleer:

  • ‘Maar allen, die Hem aangenomen hebben (zij kunnen dit, omdat Christus voor de zonde van de wereld stierf), hun heeft hij macht gegeven om kinderen van God te worden, zij, die in zijn Naam geloven’ (Joh.1:12).

Is het een wonder dat de massa op grond van de alom gepredikte valse Uitverkiezingleer maar lijdzaam afwacht of het de Heer behagen mag haar te bekeren? De conclusie: ‘Het moet je gegeven worden….’ ligt voor de hand en is een dekmantel voor de houding om zich maar niet actief naar de redding uit te strekken. Het gevolg van deze leer is, dat de slachtoffers van dit geraffineerde spel van deze leergeesten nooit zeker van hun behoudenis zijn. Als ze tenslotte misschien eens durven te belijden, dat ze bekeerd zijn (niet: zich bekeerd hebben!), blijkt uit hun levensuitingen dat zij niet alleen in de zienlijke wereld in het zwart moeten gaan, maar dat de duisternis ook in hun hart blijft.

Het percentage van de kerkelijke christenen, dat met blijdschap belijdt een kind van God te zijn, is zeer laag. Het is opmerkelijk dat juist serieuze zoekers naar God op deze manier verhinderd worden in te gaan om deel te hebben aan het Koninkrijk van God en zijn schatten. De dubbele Predestinatieleer, waarbij het van eeuwigheid zou vaststaan, dat een bepaalde mens verworpen of behouden is, vormt de grootste hinderpaal om de poort binnen te gaan.

2. De Erfzondeleer

De volgende belemmering is de leer van de erfzonde. Wanneer iemand zich bekeren wil, betekent dit een breuk met de ongerechtigheid, zoals er staat: ‘Wie de naam van de Heer (tot behoud) aanroept, breekt met de ongerechtigheid’ (2 Tim.2:19). Maar de mens kan niet breken met iets dat tot zijn wezen behoort. Men kan geen twee heren dienen, maar hoe is het mogelijk zich van de ene heer los te maken, als men daar essentieel mee verbonden is?

De Erfzondeleer houdt niet alleen in, dat God ons de schuld van Adam toerekent (erfschuld), maar bovendien spreekt zij van een erfsmet, wat betekent dat ieder mens van nature door en door verrot is. Hij is ‘onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’ (H.C. vraag 8). Door deze vreselijke ‘leer’ wordt de mens op één lijn met de duivel gesteld, want deze is werkelijk ‘onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’. De Bijbel zegt echter van de heidenen, ‘dat zij van nature dingen doen wat de wet gebiedt’ (Rom.2:14). De Erfzonde-’leer’ maakt het kwaad los van de duivel en tot iets, dat zelfstandig de mens doordrenkt en vanuit hém opereert. Zij maakt de mens identiek met de demonen. Jezus zegt echter:

  • ‘U hebt de duivel tot vader (inspirator) en wilt de ‘begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoordenaar vanaf het begin’ (Joh.8:44).

De oorsprong van iedere zonde ligt dus bij de duivel en niet bij de mens. Wanneer een pas geboren kind door en door verrot is en deel heeft aan de verdoemenis, waarom heeft het dan zo’n gaaf, goed functionerend en ontwikkeld lichaampje? Op grond van de Erfzondeleer zegt men zelfs dat men de duivel niet overal de schuld van moet geven. Hiermee werpt men zich op tot advocaat van de satan. Men moet hem niet zo zwart afschilderen, want de mens is zelf door en door slecht. Met deze inzichten blokkeert men de weg van redding en geluk. Wanneer de mens in zijn wezen zondig is, kan hij niet verlost of bevrijd worden. De vader van de leugen leert de mens bidden: ‘O, van mijzelf verlost te zijn’, maar de Heer: ‘Verlos mij van de boze!’ Jezus kwam ‘om de werken van de duivel te verbreken’ en niet die van de mens. Een logisch gevolg van de Erfzondeleer is, dat de mens zondaar blijft tot de dood en ‘zijn schuld dagelijks meerder maakt’. Hij blijft in zijn avondgebed repeteren:

  • ‘En naardien wij deze dag niet doorgebracht hebben zonder tegen U grotelijks gezondigd te hebben’.

Is het een wonder dat het woordje overwinning bij massa’s christenen nooit over de lippen komt? Wij ontkennen niet dat wij allen gezondigd hebben, maar dit is een gevolg van het feit, dat Gods toorn op de hele schepping ligt. ‘Van nature zijn wij kinderen van de toorn’ (Ef.2:3). Vanaf onze geboorte staan wij dus bloot aan de penetrerende demonen van de duisternis, die ons proberen te gebruiken en te overweldigen. Alleen door de kracht van de Heilige Geest is de mens in staat weerstand aan de duivel te bieden. Wie echter ‘de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God (de beïnvloeding van de boze geesten) blijft op hem’ (Joh.3:36). Wie in de kracht van de Heilige Geest gelooft, wordt getrokken ‘uit de macht van satan tot God’ (Hand.26:18). De Erfzondeleer maakt het onmogelijk dat de mens volkomen bevrijd kan worden en belet hem daardoor het doel, de volmaakte volwassenheid, te bereiken.

3. Géén gebed om Heilige Geest

Nu komt de volgende blokkade. De mens heeft zich bekeerd, heeft de Heer aangenomen, heeft gebroken met de duivel en is een kind van God geworden. Nu wordt geleerd: ‘Als je opnieuw geboren bent, heb je de Heilige Geest ontvangen’. De doop in Heilige Geest is dus niet nodig en de christen hoeft zich daar niet naar uit te strekken. In Lucas 11:13 wordt echter tot de kinderen van God gezegd:  ‘Als u dus, ook al bent u slecht, uw kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen.’ Ook hierin is Jezus Zelf het voorbeeld. Hoewel Hij de Zoon was en kind van de hemelse Vader, had Hij deze doop nodig als toerusting tot zijn werk. De doop in Heilige Geest is het kenmerk van het nieuwe verbond. Er staat:

  • ‘Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met het volk van Israël zal sluiten, spreekt de Heer: In hun verstand zal ik mijn wetten leggen en in hun hart zal ik ze neerschrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn’ (Hebr.8:10).

Hoe doet God dit? Door de Geest, die in ons uitgestort wordt. De meeste christenen leven op oudtestamentische wijze zonder inwoning van de Heilige Geest en hun hele levenspatroon loopt parallel met dat van de gelovigen uit het oude verbond. De weg naar de volkomenheid, die alleen bewandeld kan worden door de inwonende kracht van de Heilige Geest, wordt hiermee onbegaanbaar gemaakt. Helaas, ‘Christus in ons, de hoop van de heerlijkheid’ is voor de meeste christenen een onbekende zaak.

4. Een kind van God kan niet bezeten zijn

De volgende slagboom is de uitspraak: ‘Een kind van God, al of niet gedoopt met de Heilige Geest, kan niet gebonden zijn’. Men hoeft zich niet af te vragen welke geesten deze camouflage gebruiken om onaangetast te kunnen blijven zitten. De inwonende demonen, die niet verdreven zijn en waartegen het kind van God dan vanzelfsprekend ook niet vecht, blijven hun druk ten kwade uitoefenen en hun heilloos werk verrichten. Deze leugenleer is het bewijs, dat men niet de minste kennis van de geestelijke wereld bezit en zij is in strijd met de dagelijkse praktijk. Men ziet immers voor zijn ogen hoe kinderen van God, zelfs gedoopt in Heilige Geest, hun zonden niet kunnen overwinnen. Zij blijven geïrriteerd, onrein, leugenachtig, hoogmoedig, jaloers, geldgierig, twistziek, onverdraagzaam, verward, twijfelziek en wat al niet meer. Men ziet hoe in veel gemeenten, waar geen bevrijding van de inwonende boze geesten gepredikt wordt, de zonde blijft heersen, zelfs in voorgangers en oudsten. Het is gelukkig dat in de laatste tijd de bevrijdingsboodschap overal doordringt en de obstakels weggenomen worden voor hen, die tegen hun wil zondigen, omdat de duivelen hen ertoe dwingen. Laat wie oren heeft horen wat de Geest ook in onze dagen tot de gemeenten zegt!

5. Geen gemeentevorming

Een volgende handicap is de weerstand tegen het vormen van gemeenten op het Bijbelse fundament en de onachtzaamheid tot het ontplooien van de geestelijke gaven. Het is Gods bedoeling dat zijn volk in alle opzichten toegerust wordt tot onderling dienstbetoon en dat zijn kinderen samen opgroeien, samen de vijand bestrijden en samen de kracht, de wijsheid en het licht van God in deze wereld openbaren. De Heer wil niet dat zijn volk hier en daar maar verstrooid is en zonder voeding of levend water zich alleen staande moet houden. Hij wil ook niet dat zij als verdwaalde schapen in een vreemde omgeving zonder hulp en bijstand moeten leven.

Wanneer gezegd wordt: ‘Blijf maar in je kerk’, alleen omdat men hier via zijn geboorte bij hoort, laat men de mens vereenzamen. Wanneer men er dan nog bijvoegt: ‘Dan kun je daar nog tot zegen zijn’, verwacht men van zo’n ondervoede, ongetrooste mens, dat hij anderen nog zal bijstaan, die dikwijls zelfs geen honger en dorst naar de gerechtigheid hebben.

Men moet zich losmaken uit de gemeenschappen, ook die de naam Pinksteren dragen, waar onderlinge verdeeldheid heerst, waar men stenen voor brood ontvangt, waar schijn is voor wezen, loze kreten voor inhoud, waar de mens jaren kan zitten zonder dat van verandering van het hart of geestelijke groei sprake is. De Heer wil door middel van zijn gemeente aan de overheden en machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God bekend maken en hier op aarde moet de plaatselijke gemeente hiervan een weergave zijn.

Wanneer gesproken wordt over een gemeente in alle tijden en over de hele aarde, is dit een waarheid, maar ook schrijft de apostel Paulus zijn brieven aan de plaatselijke gemeenten, die er uitbeeldingen van zijn en krijgt Johannes de opdracht zich tot de plaatselijke gemeenten te richten. Ook evangelisten moeten een ‘home’ hebben, vanwaar zij uitgezonden worden, waar zij ter verantwoording terugkeren, waar zij versterkt en opgebouwd worden, maar zo nodig ook vermaand kunnen worden. Zie eens naar Paulus, die ondanks zijn duidelijke en aparte roeping steeds weer terugkeerde naar Antiochië en naar de andere apostelen, die bij de gemeente van Jeruzalem hoorden.

Het is bijna ongelofelijk dat er rondvliegende evangelisten zijn, waarvan men niet weet bij welke kerk zij eigenlijk horen. Glimlachend verontschuldigen zij zich met de woorden: ‘Ik geloof dat ik nog bij die kerk hoor!’ Er zijn opwekkingspredikers, die hun bekeerlingen naar diverse kerkgenootschappen sturen, waarin zij zelf nooit een voet willen zetten. Deze mensen hebben geen feeling voor de opvoeding van hun bekeerlingen. Zij weten hen niet als schapen in de juiste stal te krijgen, waar herders hen verzorgen in de naam van de grote Herder van de schapen.

Gemeentevorming is absoluut noodzakelijk om de pas bekeerde broeders en zusters op te vangen. Onverschilligheid jegens gemeentevorming op het goede fundament is een rem in de geestelijke ontwikkeling van de christen. Het surrogaat van een conferentie of zo nu en dan een landelijk Pinksterweekend kan de onderlinge gemeenschap van het huisgezin van God nooit vervangen. Alleen in de hof, die in de naam van de Heer verzorgd wordt, kan iedere plant zich ongestoord ontwikkelen en de maat van de volwassenheid van Jezus Christus bereiken.

6. Natuurlijk Israël

Zovelen als er onder de kerkelijke christenen door de valse leer van de uitverkiezing misleid worden, zovelen worden ook misleid door een valse leer m.b.t. het natuurlijke land Israël. Wie de profetieën leest, zoals de schriftgeleerden in Jezus’ dagen, interpreteert ze op natuurlijke wijze. Hij leest wat er staat, gelooft wat er staat en ontvangt daarom niet wat God ermee bedoelde. Er staat niet voor niets dat Jezus de ogen van zijn leerlingen opende, zodat zij zouden verstaan wat zij lazen.

Een van de grootste hindernissen voor gemeentevorming is de leer, dat het natuurlijke Israël erfgenaam is van de beloften die God aan de gemeente geschonken heeft. Men laat de zoon van de slavin erven wat voor de zoon van de vrije bestemd is (Gal.4:28-31). Men geeft aan het volk dat God verkoren had om zijn naam te bewaren totdat het Zaad zou komen, opnieuw een bijzondere positie.

De Bijbel leert dat Israël de wortel is, waarop de gemeente is geënt. De gemeente en Israël zijn daarom tot één boom geworden, tot één kudde onder één Herder. Aldus (en niet ‘alsdan!’) – dat wil zeggen op deze wijze – zal heel Israël, het totaal van de uitverkorenen in Christus, behouden worden. Met deze uitdrukking in Romeinen 11:26: ‘Zo zal heel Israël behouden worden’ gaat men zelfs zover, dat men het woordje ‘heel’ zo letterlijk neemt, dat men het niet alleen toepast op de levende nazaten van Abraham, maar consequent doorredenerend gelooft men zelfs dat heel oud Israël met Achab, Kajafas, Annas en Judas incluis, bij de eerste opstanding verrijst en behouden wordt. Hoe men dit rijmt met de woorden: ‘Gelukkig en heilig is hij (niet wordt hij), die deel heeft aan de eerste opstanding’, is ons een raadsel.

Anderzijds gelooft men dat de gemeente ongereinigd, onvolmaakt en onvolwassen voor de grote verdrukking met de Heilige Geest weggenomen wordt. Het natuurlijke volk Israël zou dan de verdrukking wél moeten doorstaan, waarbij tweederde van dit volk uitgeroeid wordt en de rest volgens Zacharia 19:9 in het vuur van de beproeving gelouterd wordt, zonder de Heilige Geest(!), om dit overblijfsel te ondersteunen en te bewaren. Wat men dan nog met ‘heel’ Israël bedoelt, blijft een duistere zaak. Gods Woord zegt echter dat een rest van Israël in de gemeente, die uit Israël ontstaan is, gevoegd wordt en op dezelfde wijze als de heidenen door het geloof in Jezus behouden wordt. Altijd blijft waar en is waar geweest

  • ‘Al zou het volk van Israël zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, slechts een klein deel zal worden gered’ (Rom.9:27).

De gemeente is samengesteld uit leden van ieder volk, iedere taal en iedere natie, waarin ook het natuurlijke volk Israël begrepen is. Niet ieder volk zal echter blijven bestaan om een rest voor de gemeente te leveren, maar Israël wel. Wanneer Hitler sprak over ‘ausradieren’, Nasser en Morsi over ‘in zee drijven’ van een geheel volk, openbaarden zij daarmee de gedachten van de satan, die dit volk wil vernietigen om Gods belofte aangaande een rest teniet te doen. In de gemeente, die haar oorsprong vond in het Joodse volk, zal tot het einde een overblijfsel van de Joden behouden worden. Deze regel gold in de dagen van de apostelen en zij geldt nu nog: ‘zo zijn zij nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt, ook zelf barmhartigheid te ondervinden’ (Rom.11:31).

De leer die aan het natuurlijke volk Israël beloften doet toekomen, die in alléén voor de gemeente van Christus bestemd zijn, blokkeert de hoge weg. Zij richt de aandacht op de gebeurtenissen in het politieke leven rondom een klein deel van het volk Israël dat in Palestina woont, terwijl de gemeente geroepen is haar visie te hebben in de hemelse gewesten, te strijden in het hemelse Kanaän en bezig te zijn als een burger van het Koninkrijk van God, het hemelse Jeruzalem. Velen onder ons, die met de Geest begonnen zijn, eindigen met deze leer in het vlees, omdat zij weigeren de Schriften geestelijk te verstaan.

7. Misleidende liefde

In de gemeente functioneert de liefde net als in een huisgezin. De hele gemeente is één in liefde tot de Vader. Dit is een verwachtende en ontvangende liefde. Men ontving de schuldvergeving, die zijn Zoon voor ons verwierf en men verwacht in gerechtigheid te leven en de verlossing te erven, zoals de Vader beloofd heeft. Maar opnieuw geboren kinderen van God bezitten nog een andere liefde, de liefde van God, die met de Heilige Geest in hun harten is uitgestort (Rom.5:4). Dit is geen ontvangende liefde, maar een gevende, zoals de Heer Zelf uit zijn rijkdom de ene genade na de andere schenkt. Deze liefde geeft de hartsgesteldheid, om mede-uitdeler van de genade van God te zijn.

Van de Mensenzoon staat, dat Hij gekomen was om het verlorene te zoeken en te behouden. Zo bewees Hij zijn liefde. Zo zal ieder gelovige, die de liefde van God in het hart heeft, de verlorenen zoeken om hen te redden en te genezen. In zijn liefde tot de zondaar zal hij echter niet aanpappen met het kwaad of zijn ogen sluiten voor de demonen, die de mens tot een zondaar en verlorene maken. Niemand heeft grotere liefde dan hij, die zijn leven in de strijd tegen de boze geesten inzet voor zijn vrienden. Daarom moet de gemeente jagen naar de liefde en streven naar de geestelijke gaven. Dit is de weg, die het verste omhoog voert. Op deze hoge weg bereiken wij samen de volmaakte volwassenheid.

Er wordt echter ook een misleidende liefde gepropageerd, die men als dekmantel gebruikt om gerechtigheid en ongerechtigheid, om waarheid en leugen, bij elkaar te houden. Het is een ziekelijk heulen met het goede en met het kwade. Deze zogenaamde oecumenische liefde, die alles en iedereen accepteert, is een groot struikelblok op de weg van de verlossing en op die van de volmaaktheid. Wij kunnen noch de ongerechtigheid, noch de leugen, meenemen op de hoge weg in het Koninkrijk van God. Gods Heilige Geest leidt alléén op de weg van de Waarheid en die van de gerechtigheid. Wanneer wij hen, die in ongerechtigheid wandelen en die de leugen verkondigen, zo accepteren, kunnen wij de volkomenheid niet bereiken en het volledige geluk niet erven. Vanuit de liefde van God, die het herstel beoogt, kunnen wij ‘de liefde voor uw broeders en zusters en uw liefde voor uw broeders en zusters met liefde voor allen’ opbrengen (2 Petr.1:7).

Wij zien vandaag dat men een liefde predikt, die buiten de leer, dus buiten het geloof en buiten de hoop of verwachting omgaat. Wij hopen immers op de heerlijkheid van het zoonschap! Hier ontmoeten wij een liefde, die elkaar op het natuurlijke vlak wil accepteren, maar waarvoor men de intrinsieke geestelijke waarden uitschakelt. Op deze manier kan men elkaar wel individualistisch benaderen, maar niet in gemeenteverband. Men kan wel lief doen tegen elkaar, maar men bezit geen enkele verantwoordelijkheid ten opzichte van de ander. Dit is wel het geval in het huisgezin van God. Daar is men niet alleen geroepen om de andere liefde te bewijzen, maar ook om hem te ondersteunen in zijn zwakheden, te vertroosten en te vermanen, zodat men samen het goede spoor houdt.

  • ‘Dan groeien wij ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus’ (Ef.4:15).

Een vraag:

Wij maken ons geen illusie dat wij al de hindernissen, die de duivel door valse leringen op de weg van God gebracht heeft, gesignaleerd hebben. Ieder kan zelf aanvullen. Wij willen alleen nog vragen: is het uw bedoeling de weg van de verlossing en ontkoming vanuit het rijk van de duisternis naar de heerlijkheid van Jezus Christus helemaal te gaan? Of ergens te blijven steken of een zijpad in te gaan, dat zeker niet omhoog, maar meestal terugvoert naar de aardse regionen?