U zult niet doden!

Een zoon van 17 stelde zijn moeder de vraag:

  • ‘God zegt in de tien geboden: ‘U zult niet doden!’, maar toch keurde Hij het goed en moedigde Hij zelfs de Israëlieten aan dat zij de omringende volken, zowel mannen, vrouwen als kinderen, uitroeiden’. De moeder weet zich geen raad met deze vraag en vraagt ons: Mag ik voor het beantwoorden van deze vraag uw hulp inroepen?’

Antwoord:

Wanneer God in het oude verbond spreekt: ‘U zult niet doden!’, gold dit gebod zeker niet voor de overheid, want deze draagt het zwaard niet tevergeefs (Rom.13:4). Misdrijven werden in het openbaar met de dood gestraft, zoals er in Genesis 9:6 staat: ‘Wie bloed van mensen vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten’. In Israël stond de doodstraf op tal van overtredingen: in Exodus 21:12 op doodslag, in Leviticus 24:16 op godslastering, in Deuteronomium 13:5 op valse profetie, in Deuteronomium 22:22 op overspel en in Exodus 35:2 op sabbatsschennis. Zo moest ook de ‘weerspannige zoon’ gestenigd worden (Deut.21:21) en Israëlitische steden waar men afgoden diende, moesten volkomen ‘ausradiert’ worden (Deut.13:13-16). Soms werd het volk massaal met de dood gestraft. Zo werden na de dienst van het gouden kalf ongeveer 3.000 man door de levieten gedood en na de afgoderij met Baäl-Peor en de daarmee gepaard gaande ontucht, stierven er 24.000 mannen (Num.25:9).

In vergelijking met de heidense machthebbers waren de koningen van Israël barmhartige en genadige heersers (1 Kon.20:31). God had aan Abraham het land Kanaän als erfdeel beloofd voor zijn nageslacht. Dit zou echter het land pas mogen binnentrekken als ‘de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten volkomen was’ (Gen.15:16). God had deze volken ook rechtstreeks over kunnen geven aan de machten van de duisternis, zoals Hij dit met Sodom en Gomorra had gedaan. Hier zou het echter gebeuren door de invasie van de Israëlieten, die op deze manier hun erfdeel in bezit zouden nemen. Bij de uitroeiing van de volken waren de kinderen in de ouders begrepen en zelfs het vee werd niet gespaard (Deut.20:16-18),

In het oude verbond hebben wij te maken met een gedeeltelijke Godsopenbaring. In vergelijking met de omringende volken was Israël door zijn goede wetten en zijn monotheïstische godsdienst ver boven hen verheven. God zocht zich een volk ‘dat de weg van de Heer zou bewaren door gerechtigheid en recht te doen’. Dit in felle tegenstelling met de gruwelen van de Kanaänitische volken. Juist bij de verwoesting van Sodom en Gomorra lezen we in Genesis 18:19 deze uitspraak over de gerechtigheid van het zaad van Abraham.

Bij het voortschrijden van de openbaring staat in Ezechiël 18:20 de regel, dat alleen de ziel die zondigt zou sterven. Een zoon zou niet sterven om de ongerechtigheid van zijn vader en de vader niet om die van zijn kinderen. Bij de profeten die bezig waren iets van de onzienlijke wereld te begrijpen, leest men ook niet meer van oproepen tot massaslachtingen. We moeten niet vergeten dat we in het oude verbond met een natuurlijk volk te maken hebben. Dit ontving zegeningen van de aarde en het was daarvan afhankelijk. Zijn godsdienst was verbonden aan nationale grenzen, aan stad en tempel. Hoe zou een ongeestelijk volk op een andere manier zijn erfdeel in bezit nemen? Hoe zou het zich op een andere manier kunnen vrijwaren voor overheersing door de heidenen dan door middel van de bloedige ‘oorlogen van de Heer’? Zo hadden wij bijvoorbeeld in Nederland onze bevrijding in 1945 toch ook te danken aan de machtige wapens van Amerikanen en Engelsen. Ook toen stierven duizenden onschuldigen.

De kennis over God was bij het oude volk slechts ‘voor een deel’. In vergelijking met wat ons in het nieuwe verbond geopenbaard is, geldt de uitspraak: ‘Niemand heeft ooit God gezien; (dus ook Mozes, Elia, David, Johannes de Doper of een van de grote profeten niet) de eniggeboren Zoon, die aan het hart van de Vader is, die heeft Hem ons leren kennen’ (Joh.1:18). De profeten hebben over ons geluk en de voor ons bedoelde genade geprofeteerd, terwijl ze onderzochten, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde (1 Petrus 1:10,11). Het ware Godsbegrip, de volle waarheid, kan pas verkregen worden door de kennis van het eeuwig evangelie en door de doop in Gods Heilige Geest. Jezus gaf hiervoor de sleutels.

Wie dit niet ziet, blijft in dezelfde gebrekkige Godsvoorstelling en onwetendheid als de gelovigen in het oude verbond. Denk bijvoorbeeld eens aan het feit dat mannen van God als Abraham, Jacob, David en zoveel anderen rustig meer dan één vrouw hadden. Hun geweten sprak in dit opzicht niet van schuld, terwijl wij met de inzichten van het nieuwe verbond op deze manier levend, het Koninkrijk van God niet zouden kunnen binnengaan, waar deze aartsvaders en koningen trouwens ook niet toe geroepen waren. De oudtestamentische gelovigen vervulden voor hun tijd de wil van God en leefden bij het licht dat zij toen bezaten.

De mens die de sleutels van het Koninkrijk der hemelen hanteert, leeft totaal anders dan degene die Oudtestamentisch is georiënteerd. Het evangelie van het Koninkrijk spreekt niet meer over een erfdeel op de aarde, maar bereidt de mens voor op een wandel, een strijd, een overwinning in de geestelijke wereld. De aardse dingen worden hem wel toegeworpen en in dat opzicht zal hem niets ontbreken. Jezus zei: ‘Zoek eerst het Koninkrijk van God’ voor alles en boven alles’.

Het evangelie kent geen aardse straffen, maar het verlies van de machtige gemeenschap met Jezus Christus is zo groot, dat het kind van God niet wil zondigen. Wie immers buiten dit Koninkrijk van God komt te staan, verliest zijn leven en wordt automatisch een prooi van satans demonen. Het was de bedoeling van God om zijn volk tot geestelijke ontwikkeling te brengen, zodat het de diepste gedachten van Hem zou kunnen begrijpen, Hem dus volkomen zou kennen (1 Cor.2:10). De wet is immers ‘geestelijk’, dat wil zeggen: appelleert op de geest van de mens.

Wanneer de Israëlieten zich werkelijk in de juiste richting hadden bewogen, dus net als de profeten hadden geleefd met een groot verlangen dat de hemelen gescheurd zouden worden en de onzienlijke wereld tot hen zou komen, dan hadden ook zij niet langer met aardse middelen hoeven te strijden. Dan zouden ze ook met de afschuwelijke afgodendienst gebroken hebben, omdat deze het volk wel in de geestelijke wereld bracht, maar aan de kant van het rijk van de duisternis.

Enkele voorbeelden van Gods ingrijpen vinden we ook in het Oude Testament. Bij Hizkia vielen voor de poorten van Jeruzalem na zijn gebed zonder strijd in één nacht wel 85.000 Assyriërs, die prijsgegeven waren aan de machten van de dood. De vrome koning Josafat overwon de Moabieten, Ammonieten en de inwoners van het gebergte van Seïr op geestelijke wijze. Hij liet de Heer grootmaken en terwijl het volk jubelde en God loofde, vielen de vijanden op elkaar aan en het resultaat was, dat de koning drie dagen nodig had om de buit te roven (2 Kron.20). Was het ook niet de Heer zelf die voor Israël streed, toen de farao met zijn leger in de Rode Zee verdronk en het volk veilig de overkant bereikte?

De profeet Jesaja wekte zijn hoorders op om ‘in stilheid en vertrouwen’ hun sterkte te vinden. Dan zou immers een gelovige Jood er duizend najagen en zouden er twee voldoende zijn om tienduizend op de vlucht te jagen. Waar men echter vertrouwde op paarden en wagens zou het juist andersom gaan: duizend zouden er vluchten voor het dreigen van één vijand (Jes.30:15-17 en Deut.32:30).

Het is wel typerend voor het ongeestelijke niveau van veel ‘zich christelijk noemenden’ in deze tijd; dat zij zich scharen achter een ongelovig Israël en dat zij tolereren dat dit volk wel met tanks en vliegtuigen en moderne wapens optrekt tegen zijn natuurlijke vijanden. De Israëliërs kunnen niet anders, omdat zij Jezus Christus verwerpen en dus God ongehoorzaam zijn, waardoor de toegang tot hulp van boven afgesneden is. Dit volk heeft aardse methoden nodig, maar het is treurig dat bij het naamchristendom de geestelijke kennis zo minimaal is, dat zij dit alles toejuicht en aan de hulp van de ware God toeschrijft, die al zijn beloften slechts vervult in Jezus Christus.

Een geestelijk volk heeft om te leven geen aards bezit nodig. Het kan zelfs leven onder een bezettende macht. Het dient immers God in geest en in waarheid. Het is daarom niet geroepen om enig mens te doden, maar alleen om hem te bevrijden van de inwonende machten in de naam van Jezus. Hij heeft geen vijanden van vlees en bloed, maar alleen de boze geesten die hij bestrijdt met geestelijke wapens.