Ontbinden of vervullen?

  • ‘Ik ben niet gekomen om te ontbinden maar om te vervullen’ (Matth.5:17)

De Schriftgeleerden en de farizeeën beschuldigden Jezus ervan dat Hij de wet en de profeten ontbond of ophief. De tegenstellingen waren te groot. Aan de ene kant waren er de serieuze, nauwgezette kenners van de schriften, die minutieus en gedetailleerd de Thorarollen onderzochten en naar de letter stipt probeerden uit te voeren. Geen jota of tittel ontsnapte aan het speurende oog van deze serieuze Bijbelonderzoekers. Zij lazen wat er stond, geloofden wat er stond en deden wat er stond. Aan de andere kant stond Jezus van Nazareth met zijn leerlingen. Hij verklaarde de wet en de profeten in het licht van het koninkrijk der hemelen. Zijn leerlingen braken met de verordeningen door op de sabbat aren te plukken en te eten. Jezus had zelfs in het huis van een van de hoofden van de farizeeën, een waterzuchtig mens op de rustdag genezen. Hij maakte slijk op de sabbat om de ogen van de blinde te openen, terwijl toch ieder vorm van werk op de zevende dag verboden was.

De casuïstiek (spitsvondige moraal) van de leiders van het volk ontmaskerde Hij met de opmerking: ‘U besnijdt een mens op sabbat’ (Joh.7:22). Iedere huisvader in Israël offerde immers de wet van de sabbatsrust zonder aarzelen op aan het voorschrift van de besnijdenis op de achtste dag, wanneer deze op een sabbat viel. Jezus loste ook het probleem van de spijswetten op door inzicht te geven in de onzienlijke wereld: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog niet? Zien jullie dan niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt, hem onrein kan maken omdat het niet in zijn hart (de innerlijke mens), maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt? Zo verklaarde hij alle spijzen rein’ (Marc.7:18,19).

In de zichtbare wereld ontbond Jezus de wet en de profeten, maar naar de gééstelijke betekenis vervulde Hij ze. Hij zei van Zichzelf als een tempel van God. Hij identificeerde Zich met de koperen slang, zodat ieder die op Hem zag, genezen en behouden zou worden. Ten opzichte van het manna in de woestijn merkte Hij op: ‘Ik ben het Levensbrood. Uw vaderen hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; dit is het brood, dat uit de hemel neerdaalt, opdat wie ervan eet, niet sterft’. Hij sprak ook over de vuurkolom, die het volk in de donkere nachten begeleidde. Hij zei: ‘Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal nooit in de duisternis wandelen, maar hij zal het Levenslicht hebben’ (zie Joh.2:21; 3:14; 6:48,49; 8:12). Hij was het ware paaslam, dat de zonde van de wereld wegnam. Deze manier van schriftinterpretatie verontrustte de Schriftgeleerden, want zij was in lijnrechte tegenstelling met hun natuurlijke en letterlijke schriftbeschouwing. Zo klonk ook de uitspraak van Stefanus: ‘Toch woont de Allerhoogste niet in een huis dat door mensenhanden is gemaakt,’ hun als godslasterlijk in de oren. Een heilige tempel, gewijde voorwerpen, plechtige ambtsgewaden, zijn in het nieuwe verbond van geen enkele waarde ‘zoals de profeet zegt: De hemel is mijn troon, de aarde mijn voetenbank. Hoe zouden jullie dan een huis voor mij kunnen bouwen, zegt de Heer, een plaats waar ik kan rusten?’ (Hand.7:48,49).

Zo getuigt het van grote geestelijke verblinding, als zich christelijk noemenden menen, dat God nog eenmaal in een aardse tempel te Jeruzalem gediend zal worden. Stefanus zei tegen allen, die het natuurlijke boven het geestelijke stellen, het zienlijke boven het onzienlijke: ‘Halsstarrige ongelovigen, u wilt niet luisteren en verzet u steeds weer tegen de heilige Geest, zoals uw voorouders ook al deden.’ Merk ook op, hoe de haat oplaait, wanneer op deze scherpe wijze het Koninkrijk der hemelen gepredikt wordt: ‘Toen zij dit hoorden, sneed het hun door het hart en zij knersten de tanden tegen hem’. En toch had Mozes gezegd: ‘De Heer uw God zal u een profeet verwekken uit uw broeders, zoals ik: naar hem zult u luisteren’.

Verlichte ogen nodig

Wie het Oude Testament begrijpen wil, moet het lezen in het licht van het Koninkrijk der hemelen. Hij moet de wet en de profeten op dezelfde manier uitleggen als Jezus dit deed of zijn apostelen. Ieder ongelovig en ongeestelijk mens kan lezen wat er staat, maar er is meer nodig. Van de Emmaüsgangers werd gezegd: ‘Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen’ (Luc.24:45). Ook de eunuch uit Ethiopië kon wel lezen wat er stond, maar Filippus vroeg hem: ‘Verstaat u wat u leest? ‘En hij zei: Hoe zou ik dit kunnen, als niet iemand mij de weg wijst?’ (Hand.8:30,31). Wie leest wat er staat en gelooft wat er staat, blijft op het aardse niveau en blijft daarmee geestelijk dor en onvruchtbaar. Van de profeten wordt getuigd, dat de Geest van Christus in hen was (1 Petr.1:11).

Alles wat tevoren geprofeteerd werd, is dus van toepassing op Christus en dan ook op hen, die in Hem zijn. Tussen Christus en de gemeente is zo’n nauwe samenhang, dat er staat: ‘Als u nu van Christus bent, bent u zaad van Abraham’ (Gal.3:29). Het woordje zaad is hier in het enkelvoud, evenals in Galaten 3:16, waar staat: ‘Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus’. Daarom kon Petrus ook zeggen: ‘Hun (de profeten) werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden’. Wie daarom de profetieën over Israël op een natuurlijk Joods volk doet slaan, bevindt zich op het niveau van de Schriftgeleerden en Farizeeën. Dezen stonden vijandig tegenover de Geest van Christus en weerstonden Gods Heilige Geest.

Jezus noemde Zacheüs, de oppertollenaar, een zoon van Abraham, niet vanwege zijn natuurlijke afstamming, maar omdat hij zich bekeerd had (Luc.19:9). Jezus sprak over de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen, waarover de profeten gesproken hadden, maar die toch voor hen verborgen waren gebleven (Matth.13:11,17,35). Alleen de Heilige Geest geeft kennis van de ware betekenis van wet en profeten. God heeft in zijn barmhartigheid ons in schaduwen, in beelden en in gelijkenissen het Koninkrijk der hemelen geopenbaard. Anders zouden wij van deze onzienlijke wereld en haar wetten niets begrepen hebben. Oud Israël leefde bij de schaduw, dat is bij het zichtbare en het tijdelijke. Het Koninkrijk der hemelen was voor hen ‘alle eeuwen verborgen’ of versluierd. Voor veel naamchristenen is deze sluier ook nu nog niet weggenomen, ‘want tot vandaag toe blijft dezelfde bedekking over de voorlezing van het oude verbond’ (2 Cor.3:14). In Christus wordt echter de sluier weggenomen en de ware bedoeling openbaar en vervuld.

Wie Hosea 11:1 letterlijk leest: ‘Toen Israël een kind was, heb ik het liefgehad, en uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen’, past dit toe op het natuurlijke Israël. Maar de Geest van Christus in Hosea doelde op Jezus, toen Jozef en Maria met het kind naar Egypte vluchten (Matth.2:15). Wanneer David uitroept: ‘Talrijker dan de haren van mijn hoofd zijn zij, die mij zonder oorzaak haten’ (Ps.69:5), zegt de Heer hiervan: ‘Maar het woord moet vervuld worden, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben Mij zonder reden gehaat’ (Joh.15:25). Wanneer dezelfde profeet zegt: ‘Zelfs mijn vriend, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen mij opgeheven’ (Ps.41:10), doelt de Heilige Geest in hem op het verraad van Judas (Joh.13:18 en 15:25). Telkens lezen wij de uitdrukking: ‘Het Schriftwoord moet vervuld worden’. Niet wat er staat, is voor ons belangrijk, maar wat in Christus en in zijn gemeente vervuld wordt. Zo kon de Heer aan het einde van zijn aardse loopbaan zeggen: ‘Want wat over Mij geschreven is, komt ten einde’ (Luc.22:37). Als kinderen van het nieuwe verbond leven wij dus niet meer bij de schaduw en bedekking, maar bij de vervulling in Christus.

Alleen in Jezus Christus en zijn gemeente vervuld

  • ‘Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem (Christus), is het: ja; daarom is ook door Hem (Christus), het: Amen, tot eer van God door ons’ (2 Cor.1:20).

Alle beloften van God, dus zonder enige uitzondering, worden in Christus na zijn hemelvaart in ons en door ons vervuld. Hiervoor hebben wij de kracht en de leiding van Gods Heilige Geest nodig. Daarom vervolgt de apostel: ‘Hij nu, die ons met u bevestigt in de Gezalfde en ons heeft gezalfd (met Heilige Geest), is God, die ook zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft’. Wanneer de profeet zegt: ‘Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen’ (Jes.53:4), wijst Mattheüs 8:14-17 erop hoe de Geest van God in Jesaja dit bedoelde, want ‘Hij dreef de geesten uit met zijn woord en die ernstig ziek waren, genas Hij allen, zodat vervuld zou worden, wat gesproken werd door de profeet Jesaja, toen hij zei: ‘Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen’. Wie zou bij een natuurlijke interpretatie van deze profetie aan zo’n heerlijk herstel van de mens denken? Wanneer dan de apostel zegt: ‘Tot eer van God door ons’ wijst dit erop, dat de verhoogde Heer nog dezelfde dingen doet door middel van zijn gemeente, wier leden ook gezalfd zijn met Heilige Geest.
De profeet Zacharia voorspelde, dat de koning van de Joden komen zou als een rechtvaardige, en zegevierende, nederig en rijdende op een ezel, op een ezelhengst, een ezelinnejong (Zach.9:9). Bij de intocht te Jeruzalem werd deze profetie vervuld, maar niemand, zelfs van de leerlingen begreep iets van deze heerlijkheid, ‘maar toen Jezus verheerlijkt was, toen herinnerden zij zich, dat dit met het oog op Hem geschreven was en dat zij dit met Hem gedaan hadden’ (Joh. 12:16). Door de Heilige Geest geleid verstonden de leerlingen toen deze profetie. De verklaring en de betekenis was voor de wijzen en verstandigen in Israël verborgen, maar aan de kinderen (van God) geopenbaard.

Wanneer de profetieën m.b.t. de komende koning van Israël vervuld zijn in Jezus, wiens Koninkrijk niet van deze wereld is, zo zijn ook zijn onderdanen, het geestelijke volk Israël, niet van deze wereld. ‘Alles wat vroeger (ook over het natuurlijke volk Israël) is geschreven, is geschreven om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden en door troost te putten uit de Schriften zouden blijven hopen’ (op de volkomenheid), (Rom.15:4). De heilige schriften van het Oude Testament maken ons wijs tot redding door het geloof in Christus Jezus (2 Tim.3:15).

Verstaan wat men leest

In Psalm 16:9 en 10 zegt David: ‘Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, mijn lichaam voelt zich veilig en beschut. U levert mij niet over aan het dodenrijk en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien.’ Wie letterlijk leest wat er staat, moet met Petrus wel constateren dat David zich vergist had. David is immers gestorven en zijn lichaam is begraven. Maar Petrus wijst in Handelingen 2:30,31 erop, dat David een profeet was en ‘een van zijn nakomelingen’ door zijn opstanding uit de doden op Davids troon zou zitten en dat Christus niet aan het dodenrijk was overgelaten, noch zijn vlees ontbinding gezien had. Jezus is wel begraven; daarom wordt de rest van de belofte, namelijk dat Gods gunstgenoot ook het graf niet zien zal, vervuld aan de gemeente in de eindtijd, waarvan de leden in een ondeelbaar ogenblijk naar het lichaam onsterfelijkheid zullen aandoen.

In Jesaja 28:11 en 12 wordt voorspeld, dat God door middel van ‘mensen die een onverstaanbare taal spreken, en in een vreemde tongval’ zou oordelen. Wie zou buiten de leiding van de Geest eraan denken, dat deze profetie vervuld werd in hen, die in talen spreken (1 Cor.14:22)? Ook nu nog probeert men de vervulling van de profetieën buiten Christus en buiten hen die in Christus zijn te interpreteren. Men deelt ze dan toe aan een natuurlijk volk Israël, dat buiten Christus en de gemeente staat. Op deze wijze verwerpt men evenals de Farizeeën de raad van God voor zichzelf (Luc.7:30). Wie leest wat er staat en gelooft wat er staat, erkent daarmee dat hij de leiding van de Heilige Geest niet nodig heeft om de Schriften te verklaren. Hij bepaalt zich alleen immers tot de zichtbare en natuurlijke dingen.

In Hosea 2:22 staat: ‘Ik zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama (geen ontferming), en tot Lo-Ammi (niet mijn volk) zeggen: U bent mijn volk’. De natuurlijke interpretatie wijst deze belofte toe aan het natuurlijke Israël, maar de Heilige Geest duidt hier volgens Romeinen 9:24,25 op hen, die in Christus zijn, de gemeente: ‘Niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, zoals Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn volk, en de niet-geliefde: geliefde!’ Is het dan niet vanzelfsprekend, dat wij ook bij de andere gedeelten in Hosea aan ‘het geestelijke Israël mogen denken? Zo kan men de profetieën over Jeruzalem, de berg Sion, het volk Israël, de stam Levi, proberen toe te passen op de zichtbare en natuurlijke dingen. Men merkt dan echter snel, dat men nooit een doorgaande en sluitende verklaring kan geven en dat men op teksten stuit, die niet in het mozaïek van de natuurlijke uitleg passen. Deze teksten passen wel in de geestelijke vervulling van het nieuwe verbond. Alleen bij het licht van het nieuwe verbond verstaan wij teksten als: ‘Met fijne leem zal ik je stenen inleggen, op saffier zal ik je grondvesten. Ik maak je torens van robijn, je poorten van beril, je muren van kostbare edelstenen.’ (Jes.54:12).

In het nieuwe verbond wordt gesproken van het hemelse Jeruzalem, waartoe wij genaderd zijn, van de berg Sion als de kracht van de Heilige Geest, en van het feit dat de gemeente het Koninklijke priesterschap is, de heilige natie. Wanneer breekt men eens met de gedachte, dat het hemelse Jeruzalem door een ruimtevaart benaderd kan worden? Wanneer leert men eens geestelijk onderscheiden? Volgens de voorstelling van sommigen zou men bij de huidige ontwikkeling van wetenschap en techniek binnen afzienbare tijd iemand voorbij alle sterren rechtstreeks de hemel kunnen binnenschieten! Bij de ondergang van Jeruzalem hield de schaduw, dat wil zeggen het zichtbare en tijdelijke op. Alleen de werkelijkheid van het Koninkrijk der hemelen bleef over. Israël werd een volk gelijk aan al de andere volken. Het had zijn speciale taak vervuld. Ook de ondergang van Jeruzalem is een beeld, namelijk van de valse kerk die in de laatste dagen ondergaat. Jezus sprak profetisch aangaande de ondergang van Jeruzalem: ‘Want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat’ (Luc.21:22). Ziende op de hemelse werkelijkheid sprak de Heer in dit verband over ‘het bulderen van zee en branding, want de hemelse machten zullen wankelen’.

De wet vervuld

In Efeziërs 2:11 spreekt Paulus over ‘de zogenaamde besnijdenis’. Voor hem had deze ceremonie niet de minste betekenis meer. ‘Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is’ (Gal. 6:15). ‘Want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest van God Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op (het teken in het) vlees vertrouwen’ (Fill.3:2). Duidelijk wordt hiermee betuigd, dat ieder verschil tussen Jood en heiden verdwenen is. De lichamelijke, zichtbare besnijdenis heeft haar vervulling gevonden in de geestelijke besnijdenis. Daarom wordt gezegd: ‘Niet hij is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dat is besnijdenis, wat uiterlijk aan het vlees, geschiedt, maar hij is een Jood, die het in het verborgen (onzienlijke wereld) is, en de ware besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter’ (Rom.2:28,29). Het getuigt wel van een ontstellende verblinding, dat veel naamchristenen toch nog waarde hechten aan de besnijdenis in het vlees, aan het Jood zijn in de natuurlijke wereld. De vroegere besnijdenis bracht onderscheid tussen Jood en heiden, maar de ware besnijdenis brengt het oordeel tussen hen, die de ongerechtigheid liefhebben en degenen, die de gerechtigheid betrachten. Zo hoort ook de wet van de Sinaï bij het voorbijgaande, want zij reguleert alleen de buitenkant van het mensenleven. De wet van de Geest echter werkt vanuit het hart van de mensen en maakt hem tot een nieuwe mens. Zij heiligt ook de inwendige mens.

Jezus is de hogepriester van de toekomende goederen, zoals Aäron die was van het oude verbond. De wet van de Sinaï kon alleen een tijdelijke verzoening aanbrengen voor de zonden, die in de zichtbare wereld geopenbaard waren, maar voor jaloezie, haat, nijd, onreine gedachten, hoogmoed, was geen vergeving omdat er geen offer voor bestond. De apostel Petrus zei tegen het oude volk, dat op grond van zijn schriftbeschouwing gemeend had God een dienst te bewijzen door Jezus te kruisigen: ‘Ik weet, dat u uit onkunde (gebrek aan geestelijk inzicht) hebt gehandeld, zoals ook uw oversten; maar zó (op deze wijze) heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij door de mond van alle profeten tevoren gesproken had’ (Hand.3:17,18).

In het nieuwe verbond toont God, hoe Hij het bedoeld heeft, want zijn werken waren van eeuwigheid bij Hem bekend. Hij had zijn woorden in de mond van de profeten gelegd, maar ook deze begrepen het niet, ‘terwijl ze naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde’. Daarom zijn wij niet bezig met ge- en verboden, het voldoen aan de eis van de wet. Wij doen niet ons best, zelfs niet uit dankbaarheid, ‘want hij heeft ons gemaakt tot wat wij nu zijn: in Christus Jezus (zijnde), geschapen om de weg te gaan van de goede daden die God heeft voorbereid’ (Ef.2:10). Zoals ons oog zich niet hoeft in te spannen om te zien en onze longen vanzelf adem halen, zo willen wij goede werken doen uit kracht van de Geest van God, die in ons woont. Dit is de echte sabbatsrust: ‘Want wie tot zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de zijne’ (Hebr.4:10). In het Oude Testament is hetzelfde bedoeld als in het Nieuwe. De Heilige Geest leidt ons echter om de volle waarheid te verstaan en ons op een hoger, dat is een geestelijk plan te brengen. Wij ontbinden geen wet of profeten, maar proberen ze zo te vervullen als Christus en zijn leerlingen ons voorgehouden hebben.