Wereldgezindheid

Met de term ‘wereldgezindheid’ bedoelt de Bijbel: ‘liefde voor de tegenwoordige wereld’:

  • ‘Want Demas heeft mij in de steek gelaten, uit liefde voor deze wereld’ (2 Tim.4:10).

Wereldgezindheid is zó in het natuurlijke bestaan opgaan, dat er eigenlijk voor God geen plaats meer is:

  • ‘Verlies uw hart niet aan de wereld of aan de dingen in de wereld. Als iemand de wereld liefheeft, woont de liefde van de Vader niet in hem’ (1 Joh.2:15).

God verlangt de onverdeelde aandacht en toewijding van christenen. Aan hen de keus Hem deze te schenken:

  • ‘Trouwelozen, weet u niet dat vriendschap met de wereld vijandschap met God betekent? Wie met de wereld bevriend wil zijn, maakt zich tot vijand van God. Of meent u dat de Schrift zonder reden zegt: Vol heilige jaloersheid verlangt Hij naar de Geest die Hij in ons liet wonen?’ (Jac.4:4,5).

Zelfzucht en demonie

Wie zijn verlangens uitsluitend richt op zijn natuurlijke bestaan, komt met zijn ‘liefde voor de wereld’ automatisch in de macht van de satan:

  • ‘Ook u die dood was door uw dwalingen en uw zonden, waarin u vroeger hebt geleefd, toen u zich nog liet leiden door de god van deze wereld, de heerser over het machtsgebied van de lucht, de geest die nog altijd aan het werk is onder de ongehoorzamen’ (Ef.2:1,2).
  • ‘Maar als christenen in hun hart bittere jaloezie, eerzucht en haantjesgedrag koesteren, laten zij dan die grootspraak achterwege, die in strijd is met de waarheid. Die wijsheid komt niet van boven, ze is aards, ongeestelijk, ja duivels’ (Jac.3:14,15). 

Christenen die uitsluitend voor déze wereld leven, moeten zich bewust worden dat zij leven voor een wereld waarvan de satan de overste is (Joh.14:30).

  • ‘Wij weten dat wij bij God horen, terwijl de hele wereld in de macht van de boze is’ (1 Joh.5:19).

Morele verwording

De mens werd geschapen om vanuit de gemeenschap met God, zijn natuurlijk bestaan in te richten naar zijn bedoelingen. Waar dit ontbreekt, komt elk mens van kwaad tot erger:

  • ‘Want waar jaloezie en eerzucht heersen, daar treft men ook onrust en allerlei minderwaardige praktijken aan’ (Jac.3:16).
  • ‘Dit zeg ik dus met een beroep op de Heer: leef niet langer zoals de heidenen in hun waanwijsheid. Hun verstand is verduisterd, zij zijn vervreemd van Gods leven door de onwetendheid die onder hen heerst en door hun versteende hart. Zedelijk afgestompt als ze waren, hebben zij zich overgegeven aan losbandigheid, om gretig winst te slaan uit allerlei immorele praktijken’ (Ef.4:17-19).
  • ‘Tijd genoeg is al voorbijgegaan met doen wat de heidenen willen: u hebt een leven geleid van losbandigheid, wellust, dronkenschap, feesten, drinkgelagen en de verwerpelijke dienst aan de afgoden. Nu zij zich afvragen waarom u niet meer aan die buitensporigheden meedoet, weten zij niet beter te doen dan u te belasteren’ (1 Petr.4:3,4).
  • ‘Besef wel dat er in de laatste dagen moeilijke tijden zullen aanbreken. Want de mensen zullen zelfzuchtig zijn en belust op geld, arrogant en hoogmoedig, lasteraars, ongehoorzaam aan hun ouders, ondankbaar, goddeloos, liefdeloos, onverzoenlijk, kwaadsprekend, onbeheerst, wreed, kwaadwillig, verraderlijk, roekeloos, verwaand, meer genotzuchtig dan godvruchtig; de schijn van vroomheid zullen zij ophouden, maar het wezen ervan verloochenen’ (2 Tim.3:1-5).

Bevrijding

Wie in deze wereld in de macht van de satan raakt, heeft bevrijding nodig. De claim die de satan op zijn natuurlijk bestaan heeft, moet verbroken worden:

  • ‘De Heer Jezus Christus, die zich heeft gegeven voor onze zonden, om ons te ontrukken aan de tegenwoordige slechte wereld, volgens de wil van onze God en Vader’ (Gal.1:4).
  • ‘Door die heerlijkheid en macht heeft Hij ons kostbare en verheven beloften gedaan, opdat u deel zou krijgen aan Gods eigen wezen en zou ontkomen aan het bederf van de zelfzucht, dat de wereld heeft aangetast’ (2 Petr.1:4).

Door Jezus’ kruisdood verloor de aantrekkingskracht die de wereld op de mens uitoefent aan betekenis:

  • ‘Wat mij betreft: ik denk er niet aan mij op iets anders te beroemen dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor mij gekruisigd is en ik voor de wereld gekruisigd ben’ (Gal.6:14).

Toewijding

De Heer biedt bevrijding van de overheersing van de wereld in het leven van wedergeboren christenen. Zij zelf echter zullen heel bewust moeten zoeken naar een levensstijl waarin deze vrijheid wordt uitgewerkt:

  • ‘Want de genade van God is verschenen, bron van redding voor alle mensen, die ons leert af te zien van goddeloosheid en wereldse begeerten, en bezonnen, rechtvaardig en vroom te leven in deze wereld’ (Titus 2:11,12).

Van christenen wordt een dagelijkse keus gevraagd met betrekking tot de manier waarop zij leven willen in deze wereld:

  • ‘Geliefden, ik vraag u als vreemdelingen en ballingen niet toe te geven aan zondige lusten die strijd voeren tegen de ziel’ (1 Petr.2:11).
  • ‘Omdat Christus tijdens zijn aardse leven geleden heeft naar het lichaam, moet ook u zich wapenen met diezelfde gedachte, namelijk dat Hij die tijdens zijn aardse leven heeft geleden, met de zonde heeft afgerekend; zo iemand moet zich in de rest van zijn leven laten leiden door Gods wil en niet langer door menselijke begeerten’ (1 Petr.4:1,2).
  • ‘Bekleed u met de Heer Jezus Christus, en vertroetel uw lichaam niet; er mogen geen begeerten worden opgewekt’ (Rom.13:14).
  • ‘Stem uw gedrag niet af op deze wereld. Word andere mensen, met een nieuwe gezindheid. Dan bent u in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, welgevallig en volmaakt’ (Rom.12:2).

‘Wereldvreemd’ leven?

Het geheim van het leven van opnieuw geboren christenen is dat zij de juiste prioriteiten weten te stellen. In deze overgave aan de bedoelingen van de Heer vinden zij het ware leven – geluk en harmonie in hun natuurlijk bestaan:

  • ‘Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het; maar wie zijn leven prijsgeeft in deze wereld, zal het behouden voor het eeuwig leven’ (Joh.12:25).

God heeft als een goede Vader het beste met u voor. Leeft u binnen de beperkingen die Hij u voor uw eigen bestwil stelt, dan komt u niets tekort.

  • ‘God, die ons alles royaal te genieten geeft. Zeg hun dat zij goed doen, rijk zijn in goede werken, vrijgevig zijn en mild’ (1 Tim.6:17b,18).

Waar het de satan niet lukt christenen door ‘liefde tot de wereld’ te overheersen, zet hij hen soms aan, het leven in deze wereld op een vrome, maar ongezonde manier te verachten:

  • ‘Als u met Christus gestorven bent en bevrijd bent van de wereldgeesten, waarom laat u zich dan verordeningen opleggen, alsof u nog in die wereld leeft? ‘Niet aanraken, niet proeven, niet vastpakken!’ En dit alles betreft dingen die door het gebruik vergaan: louter menselijke voorschriften en leringen. Ofschoon zo’n zelfgemaakte religie, met haar zelfkastijding en minachting voor het lichaam, voor wijsheid moet doorgaan, is zij van geen waarde, omdat zij alleen gericht is op zelfbevrediging’ (Col.2:20-23).

Soberheid

Opnieuw geboren christenen overschatten de waarde van het natuurlijke leven niet, zij onderschatten dat evenmin:

  • ‘Ik bedoel dit, broeders en zusters: de tijd is kort. Laten daarom zij die een vrouw hebben, doen alsof zij er geen hadden; zij die huilen, alsof zij niet huilden; zij die zich verheugen, alsof zij niet verheugd waren; zij die kopen, alsof zij geen eigenaar werden. Zij die met het aardse omgaan, moeten er niet in opgaan, want de wereld die wij zien, gaat voorbij’ (1 Cor.7:29-31).
  • Alles is mij geoorloofd.’ Ja, maar niet alles is goed voor mij. ‘Alles mag ik.’ Ja, maar ik moet mij door niets laten knechten. ‘Het voedsel is er voor de buik en de buik voor het voedsel, en God zal aan allebei een eind maken.’ Het lichaam is er echter niet voor de ontucht, maar voor de Heer en de Heer voor het lichaam’ (1 Cor.6:12,13).
  • Kortom, heel het natuurlijke bestaan van de gelovige moet onder de leiding van Gods Geest komen: ‘Of u dus eet of drinkt, of wat dan ook doet, doe alles tot eer van God’ (1 Cor.10:31).

Overwinnen

Op drie basisbehoeften van de mens doet de wereld voortdurend een appèl: op zijn behoefte om zijn lichamelijkheid te beleven, op de behoefte om over bezittingen te beschikken en op de behoefte om in deze wereld respect af te dwingen. Op zichzelf zijn deze behoeften niet verkeerd, maar zij zullen u tot zonde worden, wanneer u uw leven er door laat overheersen:

  • ‘Verlies uw hart niet aan de wereld of aan de dingen in de wereld. Als iemand de wereld liefheeft, woont de liefde van de Vader niet in hem. Want al wat in de wereld is, de hebzucht, de afgunst en het pronken met bezit, dat alles komt niet van de Vader maar van de wereld’ (1 Joh.2:15,16).

Zo hoort bijvoorbeeld de seksuele beleving bij christenen niet te overheersen:

  • ‘Wijs elkaar niet af, tenzij u het onderling goedvindt om u voor een bepaalde tijd aan het gebed te wijden; kom daarna weer samen. Anders zou de satan van uw gebrek aan zelfbeheersing gebruik kunnen maken om u te verleiden’ (1 Cor.7:5).

Ook de zorg om het aardse bezit hoort een ondergeschikte plaats in te nemen:

  • ‘Vraag je dus niet bezorgd af: Wat zullen we eten? Wat zullen we drinken? Wat zullen we aantrekken? Want naar dat alles zijn de heidenen op zoek. Jullie hemelse Vader weet wel dat je dat allemaal nodig hebt’ (Matth.6:31,32).

Ook zal de mentaliteit van christenen gekenmerkt worden door nederigheid in plaats van een ‘trots leven’:

  • ‘Allen moeten zich in de omgang met elkaar laten leiden door nederigheid, want God weerstaat de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade. Buig u dan nederig onder de sterke hand van God: Hij zal u te zijner tijd omhoog heffen’ (1 Petr.5:5,6).

 

Voor hen die zó willen leven, geldt: ‘En die wereld gaat voorbij met heel haar begeerlijkheid, maar wie de wil doet van God blijft in eeuwigheid’ (1 Joh.2:17).