Waarom de duivel de Bijbel ging doceren

De kracht van halve waarheden en onopvallende leugens

De duivel heeft van niets zo’n grondige afkeer als van het Woord van God. Want dit Woord is een scherp, tweesnijdend zwaard en de duivel is zich de kracht ervan terdege bewust. Daarom zet hij alles op alles om christenen dit (voor hem) gevaarlijke wapen uit handen te slaan. Zonder zwaard is een soldaat van Jezus Christus immers machteloos. Hij kan dan weliswaar het schild van het geloof opheffen om de onafgebroken vijandelijke aanvallen te weerstaan, maar na verloop van tijd zal zo’n moe gevochten soldaat van pure uitputting zijn schild moeten laten zakken. De helm van de redding en het pantser van de gerechtigheid mogen dan wel van uitstekende makelij zijn; wanneer een soldaat zich uitsluitend blijft verdedigen, zullen ook die helm en dat pantser het op den duur moeten begeven (Ef.6). Dat wist de duivel maar al te goed. Daarom zorgde hij ervoor dat de Bijbel eeuwenlang buiten bereik van het gewone volk bleef (Op.6:5,6).

Reformatie

Maar door de reformatie veranderde er veel. Vele duizenden wakker geworden christenen begonnen het Woord te lezen, te geloven en te ervaren, iets wat door het occulte Rome eeuwenlang was verboden. Het was als in de dagen van het boek Handelingen. ‘Het Woord van de Heer verbreidde zich.’ Geen wonder dat de satan toen de noodtoestand afgekondigde. Alle duistere overheden, machten en wereldbeheersers kwamen in spoedzitting bijeen:

  • ‘Als alle christenen de kracht van het Woord ontdekken, zijn wij verloren’ verzuchtte de voorzitter. ‘Wat moeten wij doen? Moeten wij hen, die dat gehate Woord lezen, nog meer vervolgen? Maar hoe meer we dat doen, des te talrijker worden de mensen die ook naar de Bijbel gaan grijpen. Moeten we dat boek verbranden? Maar dan zullen ze er nóg meer drukken! Het baat allemaal niets.’

Op dat ogenblik stond een van de wereldbeheersers op en vroeg het woord:

  • ‘Laten wij zelf de Bijbel weer gaan lezen, majesteit’ stelde hij voor. ‘Destijds, tijdens de verzoeking in de woestijn oogstte u niet veel succes met wat u geleerd had. Maar wellicht hebben we nu meer succes. Wij moeten proberen het woord van zijn kracht te beroven door middel van halve waarheden en onopvallende leugens. Door een negatieve benadering van de Bijbel zullen wij onze tegenstanders hun gevaarlijkste wapen ontnemen.’

Dit voorstel vond algemene bijval en sindsdien is de duivel de Bijbel weer trouw gaan lezen, bestuderen en … doceren. Zelfs in de zogenaamde reformatorische kerken overtroffen zijn successen de stoutste verwachtingen. Zo kreeg een opnieuw geboren en met Gods geest vervulde vrouw huisbezoek van een predikant die bij een zeer ‘Bijbelgetrouwe’ kerk hoort. Al gauw kwam het eeuwig evangelie ter sprake. De vrouw getuigde van de grote zegen die God haar geschonken had. Zij vertelde niet alleen dat zij zich nu door haar nieuwe geboorte een kind van God wist, maar ook dat de Verlosser geneest en doopt met Gods Geest. Het trieste commentaar (made-in-Hell), van de orthodoxe predikant luidde:

  • ‘Zie je nu wel! Dat komt ervan als leken de Bijbel gaan hanteren.’

De verleugende reformatie

De wereldbeheerser (Efeze 6:12) die in de tijd van de reformatie dat bewuste plan geopperd had, kreeg toen opnieuw een pluimpje van zijn hoogste chef. Want dat plan werkt nog steeds uitstekend. Zelfs in reformatorische kringen… Veel wat zich aandient als reformatie, veroorzaakt uitsluitend deformatie. Iedere ketter heeft zijn letter. Telkens wanneer de duivel tijdens zijn Bijbelstudie een tekst vindt waarmee hij zijn voordeel zou kunnen doen, zet hij er grijnslachend een zwarte streep onder. Hij hoeft zo’n tekst maar een klein beetje uit zijn verband te rukken, te verdraaien of er een negatieve uitleg aan te geven en de vrome Bijbellezer, die gevoelig is voor demonische uitleg, zal het slikken als zoete koek. Heel veel naamchristenen laten zich op die manier beetnemen. Zij merken niet dat de satan hun een donkere bril op de neus heeft gezet! Op die manier worden zulke mensen een prooi van vrome geesten. Deze demonen nemen het levenwekkende woord weg en geven er negatieve gedachten, angst of verdriet voor in de plaats. Maar al te veel vrome mensen voeden hun gedachteleven uitsluitend met halve waarheden en negatieve beschouwingen, die hen tot een slaaf van zonde en ziekte maken. Vaak valt het ons op dat tal van vrome mensen maar een klein aantal verhalen of teksten uit de Bijbel schijnen te kennen.

David en Bathséba

Koning David – Arent de Gelder 1645-1727 – Rijksmuseum, Amsterdam

Als David ter sprake komt, gaan hun gedachten niet uit naar zijn heldendaden. Nee, deze mensen praten alleen over de zonde die David met Bathséba beging. Met een triomfantelijk gezicht zegt men dan: ‘David, de man naar Gods hart, is toch óók maar in zonde gevallen!’ Maar de Bijbel zegt dat God ons zelfs voor struikelen kan behoeden om ons onberispelijk te doen staan voor zijn heerlijkheid in grote vreugde (Judas 24). Zolang David gehoorzaam luisterde naar de stem van de Heer, bevocht hij machtige overwinningen! Wanneer Petrus ter sprake komt, begint men meteen over diens verloochening. En men ‘vergeet’ dat er door de blijde boodschap van diezelfde Petrus op de Pinksterdag duizenden tot geloof kwamen. Voor God was het berouw van Petrus belangrijker dan zijn zonde! Zodra het gesprek op Paulus komt, citeert men bij voorkeur: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam van de dood?’ Het antwoord dat Paulus zelf gaf: ‘God zij dank door Jezus Christus’, is uit de meeste Bijbels blijkbaar weggeschrapt.

“Dat gaat zó maar niet…!”

Maar het door de duivel geïnspireerde negativisme heeft nog méér pijlen op zijn boog. De Redder heeft immers gezegd: ‘Zal Ik nog geloof vinden op aarde, als Ik terugkom?’ ‘Zie je wel, redeneert menigeen, als Jezus weerkomt, zal er geen geloof meer op aarde zijn. Wij leven nu in de laatste dagen. Dus kunnen wij niet meer geloven!’ Toch staan er in Gods Woord tal van beloften, juist voor de gemeente van de eindtijd: ‘Hij is het ook die u tot het einde toe de zekerheid geeft dat u geen blaam zal treffen op de dag van onze Heer Jezus Christus’ (1 Cor.1:8).

Het bovenstaande is nog vrij dragelijk vergeleken bij de volgende exegese. Iemand zei eens tegen ons:

  • ‘God dienen? Dat gaat zó maar niet! Dat is een vallen en een opstaan. Laatst heb ik nog een preek gehoord over de tekst: Deze is gesteld tot een val en een opstanding van velen in Israël. Uit die tekst blijkt duidelijk dat Jezus je de ene dag laat vallen en je de andere dag weer helpt op te staan. Daarom is ons hele leven een martelgang van in de zonde vallen en er weer uitgetrokken worden.’

Toen wij dit hoorden, moesten wij onwillekeurig denken aan een gruwelverhaal dat wij eens hoorden. Het speelde zich af in een van de concentratiekampen van Hitlers ‘derde Rijk’, tijdens de laatste wereldoorlog. Een stel gevangenen werd gedwongen in de gloeiend hete zon een grote wagen vol te scheppen met grind. Zodra de wagen vol was, moesten zij hem rondom het kamp rijden en weer leegstorten. Daarna moesten zij de wagen weer volscheppen, rondrijden en leegstorten enz., enz. Een lugubere, vicieuze cirkelgang. Verhalen over dergelijke demonische kwellerijen vervullen ieder weldenkend mens met afgrijzen. In vrome onnadenkendheid schroomt men echter niet om de Vader van Jezus Christus van een soortgelijke kwelling te betichten, terwijl de Bijbel toch een geheel ander geluid laat horen!

‘Pas op voor perfectionisme!’

Tijdens een huisbezoek zeiden we eens: ‘Alle dingen zijn mogelijk voor degene die gelooft.’ Zo wilden wij de positieve beloften van de Heer stellen tegenover het negatieve gedoe dat maar al te zeer kenmerkend is voor de ‘zware’ streek waarin wij werken. Onze gesprekspartner was even stil. Hij dacht diep na en zocht kennelijk naar een passend antwoord. Plotseling klaarde zijn gezicht helemaal op. Triomfantelijk zei hij toen: 

  • ‘O, maar dat is perfectionisme. En dáár moet je voor oppassen!’ 

Door zo’n onbenullig modewoord is het tere geloof van duizenden al verbrijzeld. In vrome napraterij wordt het steeds weer gebruikt om het positieve getuigenis van een kind van God te ontzenuwen. Daarom wil ik u vragen: ‘Waarnaar richt u zich? Naar wat de vrome mensen zeggen, of naar wat God zegt?’ Vrome geesten zeggen:

  • ‘Je blijft toch maar een mens.’

De Bijbel zegt: ‘Wij worden van dag tot dag veranderd naar zijn beeld.’

  • ‘Het gaat zó maar niet.’

De Bijbel zegt: ‘Alle dingen zijn mogelijk, voor degene die gelooft.’ De duivel laat velen zuchten:

  • ‘Wij zijn maar nietige, onbelangrijke mensen.’

Maar de Bijbel zegt: ‘U bent een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk, eigendom van God, om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht’ (1 Petrus 2:9). De duivel fluistert u toe:

  • Je moet maar gelaten afwachten en berusten in je trieste lot. Geloofsgeduld heet dat.’

Maar de Bijbel zegt: ‘Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen en laat Hij hen wachten? Ik zeg u, Hij zal hun spoedig recht verschaffen’ (Lucas 18:8).

Wáág het met Gods beloften!

Duizenden naamchristenen hebben (soms onbewust) een duivelse hersenspoeling ondergaan. Zij belijden iedere keer hun onmacht. Zij spreken graag over hun schuld, die dagelijks groter wordt. Zij zuchten onder het harde juk van de zonde in plaats van blijmoedig het zachte juk te dragen, dat Jezus ons wil opleggen (Matth.11:30). De duivel lacht om christenen die hun zwakheid en gebreken belijden, want deze mensen heeft hij gevangen door de kracht van het negatieve denken. De eerste de beste zakenman begrijpt meer van de noodzakelijkheid om positief te denken dan hele volksstammen treurwilg-christenen. Zo’n zakenman gelooft in zijn natuurlijke capaciteiten. Als hij geen christen is, put hij zijn geloof uit de woorden van mensen die het geheim van de kracht van positief denken ontdekt hebben. Zijn dagelijkse ‘tekst’ vindt hij op de betreffende pagina van zijn Succesagenda.

‘Alles wat deugd heet en lof verdient, bedenk dat’

Als christenen zijn wij echter niet op die ‘teksten’ aangewezen. ‘Alles wat deugd heet en lof verdient, bedenk dat’ zeggen de Woorden van God (Fill.4:8). Zulke positieve gedachten komen ons echter niet zo maar aanwaaien. Wij zullen ze moeten putten uit het Woord van God. Lees daarom dagelijks dat Woord. Lees het en geloof het. De beloften van de Heer zullen dan helderder voor u gaan stralen. Het lezen van de Bijbel zal u verlangend maken zelfs het onmogelijke van de Heer te gaan verwachten. Wanneer u in een moeilijke situatie terecht komt, probeer dan nooit in uw gebed het medelijden van de Heer op te wekken. Maar zoek in de Bijbel positieve beloften op, die betrekking hebben op uw nood. Ongetwijfeld zult u er veel vinden. Hou dan in uw gebed de Heer zijn eigen beloften voor. Een diepe, innerlijke vrede zal dan uw deel zijn, want Gods Geest zal u verzekeren dat Hij een Waarmaker is van al zijn beloften. Wáág het met die beloften en u zult alle negatieve invloeden overwinnen!