1. Vrome geesten door Jezus ontmaskerd

<<<<<

  • ‘Addergebroed! Wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn?’ (Mattheüs 3:7, 12:34, 23:33; Lucas 3:7).

Johannes de Doper was gekomen, om voor de Heer een goed toegerust volk gereed te maken. Dit was zijn opdracht. Hoe deed hij dit? Hij riep het volk op tot bekering: men moest afzien van alle hulpmiddelen en inspanning om zich in de geest alleen tot God te keren. Wanneer de zondaars onder belijdenis van zonden tot God kwamen, werden zij door Johannes gedoopt en ontvingen zij schuldvergeving. Dit was de raad van God of het plan van God voor die tijd. Meer dan schuldvergeving had Johannes niet te bieden en hierdoor (èn door de doop IN water) maakte hij het volk klaar voor het werk van Jezus Christus, van wie Johannes zei: ‘Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.’ Door het uitdrijven van onreine geesten en het genezen van ziekten zou onder Jezus Christus het Koninkrijk van de hemelen aan dit toegeruste volk geopenbaard worden.

De toorn van God afkopen

Ook de leiders van het volk kwamen naar Johannes om door hem gedoopt te worden. Zij kwamen niet om hun zonden te belijden en zich te bekeren, maar alleen om zich te laten dopen. Zij zagen dit uitwendige teken als een nieuw middel om de toorn van God af te kopen. Zij begrepen dat er een weg moest zijn om van zonde, ziekte, dood en het helse vuur bevrijd te worden. Wanneer de toorn van God was weggenomen, zouden zij deel hebben aan het Koninkrijk van God in gerechtigheid, vrede en blijdschap, door Gods Geest. Zoals zij God steeds probeerden te benaderen door het onderhouden van uiterlijke vormen en voorschriften, zo meenden zij ook deze nieuwe ceremonie wel te kunnen accepteren (verg. het bruiloftsmaal). Maar het Koninkrijk van God komt nooit met uiterlijk vertoon, maar het is binnen in ons. Het wordt van binnenuit geopenbaard. Johannes doorzag dat hun huichelachtige afkoopsom verkeerd was. Daarom zei hij:

  • ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het komende oordeel?’

Hun komst kon niet door God bewerkt zijn want zij verwierpen de volle raad van God (Luc.7:30). Zij wilden wel door Johannes gedoopt worden, maar zij wilden niet vanuit hun ongehoorzaamheid gebracht worden tot de gezindheid van de rechtvaardigen (Luc.1:17).

‘Verbondskinderen’ via Abraham, Isaak en Jacob?

Van bekering en van schuld belijden wilden zij niets weten, want zij meenden dat hun afkomst uit Abraham, Isaak en Jacob genoeg was (verg de massale, aardse Israëlaanbidding vandaag). Zo komen ook nu nog velen in samenkomsten en kerken. Zij willen wel van hun zonden en ziekten af en willen zich wel veilig stellen voor de eeuwigheid, maar zij weigeren zich werkelijk tot God te wenden, hun schuld te belijden en hun hart voor de Heer open te stellen. Voor dezen is er vanuit het eeuwig evangelie geen boodschap. Ook daar wordt eerst gevraagd: ‘bekeer je, richt je geloof op God, laat je zonden los en geef je hart aan Jezus Christus.’

Kortom: ‘Leg eerst het enige Bijbelse fundament in uw leven!’

Als wegbereider bracht Johannes de bekering onder belijdenis van zonden en daarna de doop door schuldvergeving. Om verder te komen wees hij op Degene die na hem kwam, die de zonden wegnemen zou (ervan verlossen) en zou dopen met Gods Geest en met vuur. Johannes stond tegenover de kerkelijke gezagsdragers van zijn tijd. Deze dachten God te kunnen dienen zónder bekering, nieuwe geboorte en de kracht van Gods Geest. Zij wensten zonder meer alleen de doop in water.

De valse babybesprenkeling

Is dit verschijnsel in de tegenwoordige kerken ook niet zichtbaar? Hoe weinig wordt er gesproken over bekering, de nieuwe geboorte en de noodzakelijke vervulling met Gods Geest. Wordt aan de ‘babybesprenkeling’, waarbij het kind door de ouders in de kerk gebracht wordt, geen alles bepalende waarde toegekend? Het kind heeft z.g. ‘Abraham tot vader’, dat wil zeggen:

  • “Het heeft gelovige of tenminste aan ‘de kerk verbonden’ ouders…” Wat een goedkope arrogantie!

De Farizeeën en Schriftgeleerden misten de belangrijkste voorwaarde om Gods geboden waar te maken, namelijk het geloof. Zij waren natuurlijke mensen die niet met God door de Geest verbonden waren. Zij wilden God dienen door het onderhouden van uiterlijke vormen uit kracht van het eigen vlees. Zij waren zeer ijverig in de zichtbare wereld, maar geloof en inspanning gaan nooit samen. Johannes weigerde ieder compromis tussen vlees en geest te aanvaarden.

De Geest die hem Jezus deed aanwijzen als het Lam van God, legde het diepste wezen van de Farizeeën en Sadduceeën bloot. Johannes zag de demonen van de duisternis die hen voortdreven. Het Koninkrijk van de hemelen dat Johannes aankondigde, is een hemelse, dus geestelijke zaak. Deze leiders meenden echter door hun vleselijke afkomst iets te bezitten. Zij veronderstelden dat de God, die hun voorgeslacht droeg, ook met hén verbonden moest zijn. Johannes tastte dit kerkelijke besef tot de wortel aan:

  • ‘Beeldt u niet in, dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot vader.’

Alleen door de nieuwe geboorte wordt men ‘zaad van Abraham’. Nooit gaat men het Koninkrijk van de hemelen binnen langs een natuurlijke weg. De geestelijke oorsprong van Farizeeën en Sadduceeën lag in het rijk van de duisternis. Daar waren zij innerlijk mee verbonden. Jezus zou later zeggen ‘U bent uit uw vader, de satan.’ Zij waren gelijk aan witgepleisterde graven, waarop nog nooit de moker van Gods Geest gekomen was. Toen echter de buitenkant door het woord van Johannes verbrijzeld werd, openbaarden zich de machten van zonde en dood in hen. In plaats van langs de voorgestelde weg van bekering en doop tot vergeving van zonden te komen en zich zo te laten toerusten lot verdere reiniging, verwierpen zij de raad van God en de toorn van de Allerhoogste bleef op hen. Daarom misten zij de vruchten die aan de bekering beantwoorden. De werken van het vlees waren in hen openbaar: hoogmoed, jaloersheid, huichelarij, leugenachtigheid, onreinheid, geldgierigheid en hardvochtigheid.

De steniging van Stefanus door de farizeeën en ‘Schriftgeleerden’

Zij vormden het Jeruzalem dat altijd Gods Geest weerstaat en daarom de profeten, die door de Geest met God verbonden zijn, doodt (Hand.7).

Geboden van mensen

Wanneer Jezus duidelijk wijst op de verbondenheid van de vrome kerkelijke leiders met het rijk van de duisternis en op het feit dat hun bekeerlingen kinderen van de hel werden, is het van groot belang om het wezen en de gedragingen van de vrome demonen te onderkennen. Deze verleiden de mensen om zich tevreden te stellen met uiterlijke schijnheiligheid en surrogaten, terwijl zij de kracht van Gods zegeningen verloochenen. Soms zijn hun werkingen duidelijk aanwijsbaar, maar dikwijls zijn het subtiele verschillen, die alleen door de Geest ontdekt en onderscheiden kunnen worden. De Farizeeën waren godsdienstig, dat wil zeggen dat zij God probeerden te dienen, maar zij deden dit niet in geest en waarheid. God, die geest is, zoekt contact met de geest van de mens. Dit kan Hij alleen krijgen als een functie van deze geest, het geloof, zich op Hem richt, want zonder geloof is het onmogelijk God te behagen of gemeenschap met Hem te krijgen.

Wetten waren tijdelijk(!) toegevoegd

De Farizeeërs meenden God te behagen door goede werken en een wettisch leven. Daarom kwamen zij tot de doop. Ook de natuurlijke mens kan zich laten dopen. In deze zaak wilden zij van hun kant een daad stellen, waarop zij later konden terugvallen. God had aan zijn volk de wet gegeven vanwege de hardheid van hun hart. Zij is tijdelijk voor het volk toegevoegd totdat Dè Volmaakte (Jezus Christus), zou komen, schrijft Paulus in zijn Galatenbrief. Deze is geestelijk en door inspanning nooit te volbrengen. Zij kan alleen via een eigenschap van de geest, het geloof, gehouden worden. Door het geloof ontvangt men kracht van God om te overwinnen.

Erfzonde of duivelswerk?

Mensen die door vrome geesten worden geleid, spreken nooit van overwinning maar wel van een zondaar-zijn-tot-de-dood. De demonen die in hen schuilen of hen overweldigen, kunnen ook niet door inspanning en goede werken overwonnen worden, want voor één kleine overwonnen boze geest komen zeven sterkere demonen terug. Alleen de geestelijke mens, dat is de gelovige, zet zijn voet op schorpioenen en slangen en onderwerpt deze (Marcus 16). Omdat zij wel wisten innerlijk niet gereinigd te zijn en ook de kracht van God daartoe niet kenden en zover zij deze kenden, verwierpen, stelden de leiders zich tevreden met het ophouden van een schijn vroomheid. In hun godsdienstige leven gingen zij dan ook het accent verleggen naar uiterlijkheden. Zij voerden geboden van mensen in, die men wel met veel moeite (dikwijls met veel geld) kon volbrengen. Zo vielen zij in handen van vrome geesten, die hun slachtoffers tot steeds meer inspanning en opoffering prikkelen, maar nooit vrede, rust, blijdschap en gerechtigheid schenken.

Het land treiteren met massa’s verplichte ‘heiligingsdagen’

In zijn goedheid had God aan zijn volk veel vrije dagen geschonken, waarop het moest rusten van het werk, zowel werkgever als werknemer en ook het lastdier. Het aantal vakantiedagen naast de wekelijkse rustdag was zeer groot. Vrome geesten bonden de mensen echter aan voorschriften en bepalingen, die God niet bedoeld had. Gods barmhartige wetten werden tot kleingeestige plagerijen omgevormd. Het zijn dezelfde vrome demonen die in onze tijd soortgelijke kwellingen bewerken en hiervoor de zondag uitzoeken. Wij herinneren ons een kleine jongen, die op zondag niet schaatsen mocht. Vol verlangen stond hij de hele middag aan de kant van de sloot naar het spel van zijn vriendjes te kijken. Wanneer deze vrome demonen in de ouders niet uitgedreven worden, zal zo’n gezin nooit tot de ware sabbatsrust komen!

Jezus waarschuwde met het oog op de Farizeeën om bij het bidden geen omhaal van woorden te gebruiken, zoals de derwisjen en fakirs. Wij hebben iemand aan tafel horen bidden met een onnatuurlijke, plechtige zware stem. Kennelijk gebruikte de man niet zelf zijn stem, maar een vrome geest bad door zijn mond en zo lang, dat het eten koud werd. Ook bij het Bijbellezen hoorden wij vaak een andere stem ‘plechtstatig zalven of piepen en mompelen’. Een leraar die twaalf keer per dag een maaltijd of schooltijd ‘beginnen en eindigen’ moet, loopt gevaar een vroom woordenspelletje af te draaien, waarvan hij vaak niet weet of hij het al gedaan heeft: ‘Hebben wij al gebeden of niet?’

En wat nog te denken van het eindeloos afdraaien van gebedsmolentjes, een bijna verplichte kost voor boeddhisten-. De waslijsten aan weesgegroetjes en onze vadertjes door Roomse slaven. Het oeverloos herhalen van Hare Krishna-kreten of het eindeloos repeteren van het hypnotiserende Yoga-woord ‘Oem’, waardoor men probeert het eigen lichaam met zijn geest te verlaten?

>>>>>