Theologische studenten hoeven niet meer te geloven!

God is dood!

Na Amsterdam is Leiden een van de oudste steden van Holland en was in de historie de tweede stad. Al vroeg kwamen haar bewoners in aanraking met de reformatorische stromingen, maar ook de wederdoper Jan van Leyden bezat er veel aanhang. Als beloning voor het moedig doorstane beleg dat op 3 oktober 1573 eindigde, ontving Leiden in 1575 haar universiteit. Bekende hoogleraren waren Gomarus en Arminius. Hun leringen over de predestinatie werden aanleiding tot het grote conflict in de kerkgeschiedenis tussen Arminianen en Gomaristen, remonstranten en contraremonstranten. In Nederland wonnen de Gomaristen, maar in de hele Engels sprekende wereld werd de leer van Arminius aanvaard.

Nog steeds bestaat de universiteit te Leiden, een theologische faculteit, waar de predikanten van de remonstrantse broederschap en die van de Nederlandse Hervormde Kerk opgeleid worden. In de 425 jaren van haar bestaan is er in deze opleiding wel het een en ander veranderd. De aanstaande dienaars van het Woord ontvangen tegenwoordig een onderricht waarover en Arminius en Gomarus zich ‘in hun graf zouden omdraaien.’

In het tweemaandelijks tijdschrift ‘Universiteit en Hogeschool’ schreef dr. J.S. Wiebe*, wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de Rijksuniversiteit te Leiden, over ‘Theologie aan de universiteit.’ Hij legt in zijn artikel uit in welk licht de opleiding van de theologen gezien moet worden. De argeloze kerkganger, die meent dat dit onderwijs iets te maken moet hebben met het geloof in God en in zijn Woord, komt wel zeer bedrogen uit. De zeergeleerde, weledelgestrenge ‘heer’ schrijft dan onder andere:

  • ‘Wel is het nuttig er althans op te wijzen dat geloven voor theologen aan deze universiteit niet betekent het voor waar houden van onaannemelijke leerstellingen zoals dat God en de duivel ‘bestaan’ en een aantal andere bovennatuurlijke zaken evenzo. Geloven heeft, zeg ik voor mij, essentieel te maken met een menselijke bestaansmogelijkheid. Wie verwacht dat wij kunnen of willen aantonen dat ‘de Bijbel toch gelijk heeft’ moeten wij teleurstellen.’

Duidelijk wordt hier meegedeeld, dat de aanstaande (hervormde) predikanten rustig godloochenaars mogen zijn. Zij komen hierdoor bij hun opleiding niet in conflict. Over wonderen, engelen, duivelen, de opstanding van Christus en andere verlossingsfeiten wordt opgemerkt:

  • ‘Dan probeert men na te gaan, hoe de Galileeërs en Jeruzalemmers van de eerste eeuw tot deze fantastische voorstellingen gekomen zijn, hoe de legende en de wonderverhalen, de wijze woorden van hun leermeester onder hen in omloop waren; wat hen geschokt en ontgoocheld of tot rust gebracht heeft; wat hen tot schrijven dreef en theologisch vooral van belang, wat de existentiële betekenis was van de zware woorden, waarin zij hun specifieke menselijke ervaringen hebben aangeduid, zoals genade, zonde, dood, leven. Hoe men de ware betekenis van al deze begrippen zou kunnen doorgronden zonder de boven, natuurlijke, geestelijke wereld te aanvaarden, is ons ten enen male een raadsel.’

Hier heeft men niet alleen ‘uit het christendom de Christus weggenomen’ (Da Costa), maar uit de theologie (godskennis) ook God zelf. Deze atheïstische instelling maakt de theologische faculteit tot een werkplaats van satan!

*Naam om privacy redenen gefingeerd