Wat is geloven?

Enige vragen

Een ex Rooms-katholiek schrijft:

  • “Hoe aanvaardt men Christus?
  • Wat zijn daartoe de voorwaarden en consequenties?
  • Ik heb Christus nodig, maar hoe moet ik Hem aanvaarden?
  • Wat betekent Christus aannemen in Joh.1:12?
  • Hoe en wanneer heb ik Hem aangenomen?
  • Wat wil dit zeggen: in Zijn Naam geloven?
  • In al zijn ernst en al zijn diepte. Het is gemakkelijk te zeggen: ‘Aanvaard Christus en laat u met God verzoenen’, maar hoe bewerkstelligt men dit?
  • Hoe doet men dit in de praktijk van zijn leven?
  • Met een slechts theoretisch aanvaarden van Christus zijn wij niet gebaat. Het gaat om de praktijk, om het horen en doen!
  • Wanneer ben ik wedergeboren?
  • Hoe manifesteert zich mijn wedergeboorte?
  • Wat wil het zeggen zich de waarde van Christus’ offer toe te eigenen?
  • Hoe doet men dit?
  • Ben ik een kind van God?
  • Hoe krijg ik daarvan zekerheid?”

Tot zover deze belangrijke vragen, waar meer mensen meer of minder mee worstelen. Ja, men moet zich telkens afvragen of men wel een levende gemeenschap met God heeft òf dat men bezig is zich te verliezen in een zinloos woordenspel. De schrijver stelt zich niet tevreden met het aanvaarden van cliché-uitdrukkingen waarmee duizenden zich in slaap sussen, maar hij zoekt het wezen en de werkelijkheid te beleven.

Hoe aanvaardt men Christus?  

De gevangenbewaarder te Filippi vraagt: ‘Zegt u mij, heren, wat moet ik doen om gered te worden?’ (Hand.16:30b). Deze man had Paulus en Silas horen zingen, hoewel ze ondraaglijke pijn moesten lijden. Hij had wel gemerkt, dat er met deze mannen iets bijzonders aan de hand was. Waarom waren ze anders onder deze gruwelijke verdrukking zo blij? Wanneer hij het Paulus en Silas gevraagd had, zouden zij zeker gezegd hebben, dat zij blij waren, omdat hun beloofd was dat dit lijden vergolden zou worden. Zij vertrouwden op hun Heer, die dit gezegd had en verheugden zich bij voorbaat op de zegen die volgen zou, net als dit ook van Mozes en onze Verlosser zelf wordt vermeld (Hebr.11:26 en 12:2).

Deze gevangenbewaarder maakte de aardbeving mee, waardoor de Heer zijn knechten bevrijdde. Hij had iets gezien van de band die deze apostelen verbond met de onzienlijke God, iets gezien van het Koninkrijk van God. Hij zag dit als een zegen, als een redding en geluk dat hij ook wilde bezitten. Er was hem een wereld geopenbaard die hij nooit gekend had. Op zijn vraag: hoe zal ik dit alles ontvangen, gaven de apostelen hem de sleutel in handen: ‘Doe als wij. Geloof in de Heer Jezus Christus!’ Op het doopfeest dat volgde, bewees de Heer dat Hij al bezig was zijn beloften aan Paulus en Silas in te lossen. De eerste vergelding voor hun lijden was het hele huisgezin van de gevangenisbewaarder.

God heeft de menselijke geest de functie van het geloof gegeven. Wat doet de mens met dit geloof? Waarop richt hij zijn geloof? Waarin stelt hij zijn vertrouwen? Richt hij zich alleen op wat zijn zintuigen waarnemen? Gelooft hij alleen in het menselijk kennen en kunnen? Laat hij zich verleiden om leringen van de satan en zijn occulte demonen te volgen (1 Tim.4:1) of richt zijn geloof zich op de eeuwig levende God, de Schepper van hemel en van aarde? Verwacht hij van Deze het geluk? Is het zijn hartenwens om met Deze in contact te komen? De Bijbel zegt dat wie tot God komt, allereerst moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem serieus zoeken (Hebr.11:6). In de nood, de zorg, de moeite van het leven zoekt de mens het Wezen, dat hem geschapen heeft en weer verlossen kan. Hij komt tot God en hij gelooft dat zo’n God er ook is en dat deze zich van oudsher openbaart en zich nog steeds blijft openbaren.

Deze God nu is een beloner voor degenen die Hem ernstig zoeken, als zij volkomen in Hem vertrouwen, in zijn plan, in zijn bedoeling, in zijn wijsheid, in zijn liefde en in zijn kracht. Daarom heeft Hij in deze wereld gesproken door profeten en eenmaal in zijn Zoon. Wanneer zo’n oprechte zoeker naar waarachtig geluk de woorden van God leest en ziet wat Jezus was en is en daaraan geloof hecht, gaat een nieuwe wereld voor hem open. Hij zal de noodzakelijkheid voelen om alle vertrouwen in het menselijk kunnen, inclusief zichzelf en ook het geloof in de bedriegerijen van de duivel, los te laten. Met andere woorden: zich te bekeren en alleen als waarheid te aanvaarden voor tijd en eeuwigheid, wat God gezegd heeft en wat Hij gedaan heeft door de vrijwillige medewerking van zijn Zoon Jezus Christus. Zo’n mens wordt door God naar zijn belofte als kind aangenomen. Hij leeft voortaan niet meer door het tastbare en het zien, maar door geloof. ‘Maar de Heer zegt’, is voor hem de leefregel geworden en het einde van alle bedenkingen.

Het Koninkrijk van God

Dit leven door het geloof is fundamenteel verschillend met dat uit de natuurlijke mens, het vlees. Wanneer een mens zo uit de geest begint te leven, is er sprake van wedergeboorte. Jezus zei:

  • ‘Waarachtig, ik verzeker u: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien’ (Joh.3:3). Dit Koninkrijk is: ‘rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de Heilige Geest’ (Rom.14:17).

Wanneer iemand dus opnieuw geboren is, d.w.z. door het geloof verbonden met het goddelijk Wezen, dat Hem door Zijn Heilige Geest bij de hand neemt en leidt, zal hij de kenmerken van het Koninkrijk in zich opmerken. Paulus zegt: ‘Wees mijn navolgers’, want natuurlijk openbaarde dit Koninkrijk zich machtig in hem. Ingaan in het Koninkrijk van God door het geloof maakt de mens inwoner van het hemelse Kanaän.

Wat zijn hiervan de consequenties?

De intocht in het aardse land van de rust geeft een duidelijke illustratie. Degenen die rekening hielden met wat zij letterlijk zagen, de reuzen, de dikke muren, de moeilijkheden, vertrouwden alleen op aardse mogelijkheden. Zij leefden naar het vlees en kwamen om. Als zij in nood kwamen, als zij van dorst dreigden om te komen, als dus de beproevingen kwamen, zakten zij voor hun examen. Zij gingen niet in: ‘omdat zij niet in God geloofden, in wat Hij beloofd had en zij vertrouwden niet op zijn wonderen!’ (Psalm 78:22). Israël ging het land niet in, omdat het een geloof in wonderen miste. Ook nu kan men niet ingaan zonder geloof in wonderen, d.w.z. het vertrouwen dat de Heer in alle moeilijke situaties voorziet en uitkomst geeft. De Bijbel leert geen onderscheid tussen geloof in wonderen en gelukkig makend geloof. Men wordt gelukkig door geloof en de Heer bewerkt dit geluk met of zonder wonder. In Elim verzorgde de Heer zijn volk aan de waterbronnen onder de palmbomen, maar in de barre woestijn deed Hij water uit de rotssteen voortkomen. Zo maakte Hij zijn belofte waar:

  • ‘Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten’.

Onze God is een goede God! De consequentie van het binnengaan is, dat men hemelburger geworden is. Door het geloof weet men dat de zonden vergeven zijn door het bloed van Jezus Christus en dat men daarom rechtvaardigen IS. Door het geloof klaagt het geweten niet meer aan, maar mag de christen: ‘tot God naderen met een oprecht hart en een vast geloof, nu ons hart gereinigd is, wij van een slecht geweten bevrijd zijn en ons lichaam met zuiver water is gewassen’ (Hebr.10:22). Door het geloof weet de christen, dat hij of zij God behaagt en zijn zij mede-erfgenamen van Jezus Christus. Door het geloof zijn zij koningen en priesters en leven zij als vorsten en overwinnaars. Want zij zijn genaderd tot:

  • ‘Het hemelse Jeruzalem’, ‘de stad met fundamenten, waarvan God zelf ontwerper en bouwmeester is’ (Hebr.12:22). Daarom leven zij hier als vreemdelingen en gasten. Zij bedenken de dingen die boven zijn en niet die van de aarde zijn (Col.3:1-4).

Geloven blijft eeuwig 

De apostel zegt dat het geloof blijvend is. God blijft tot in eeuwigheid met zijn schepsels verbonden door het geloof. Het is als een buis, waardoor het levende water stroomt. Hoe groter het geloof, hoe wijder de buis, hoe overvloediger leven! Wee hen, wanneer twijfel, vrees, of zelfs ongeloof het hart binnensluipen en de geloofsgemeenschap met God beperken of verbreken. Dan wordt men heen en weer geslingerd en zij ontvangen niet meer, waar zij op grond van hun geloof op mogen hopen.

Natuurlijk hopen zij niet op dingen, waarvoor het geloof geen grond kan vinden in Gods beloften en toezeggingen. Zij kunnen niet hopen dat zij bijvoorbeeld eenmaal engelen zullen worden, omdat Gods Woord geen grond geeft dit te doen. Zij hopen echter wel op genezing van ziekte, op verlossing van zonden, omdat hun geloof hiervoor wel grond vindt. Niet alleen is het geloof een vaste grond van de dingen die men hoopt, maar ook een bewijs van de zaken die men niet ziet (Hebr.11:1). Zij geloven dat zij rechtvaardig zijn, heilig, overwinnaars en door het geloof zal dit in het leven geopenbaard worden, dus bewezen worden. ‘Want Hij die het beloofd heeft, is trouw, Hij zal het ook doen’ (1 Thess.5:24).

Waar zij dus weten dat hun geloof altijd zal blijven en Gods wil het volkomene is, zal hun geloof steeds moeten groeien om het leven geheel in overeenstemming te laten brengen met de wil van God. Waar dit bereikt is, zal zonde, ziekte en dood opgehouden hebben en zullen zij met Jezus, Die de Voleinder van het geloof genoemd wordt, staan in zijn heerlijkheid.