Onfeilbaar – Hans Küng

Hans Küng

Eind vorige eeuw verscheen er van de hand van de katholieke Duitse theoloog Hans Küng een boek met de bovengenoemde titel. Tot op de huidige dag doet deze publicatie nogal wat kerkelijk stof opwaaien. De deining rondom dit geschrift is zelfs zo hevig, dat de trillingen zich over reformatorisch grondgebied voortzettend het andere uiterste van het christelijke erf raken: de evangeliebeweging.

Het boek levert een schat van feitelijkheden op, die tot op dat moment aan het oog onttrokken was. Zo wordt bijvoorbeeld de historische ontwikkeling in de katholieke kerk geschilderd, die tenslotte geleid heeft naar het dogma van de onfeilbaarheid van de pauselijke leeruitspraken, voor niet-katholieken wellicht de meest irritante dwaling. Aan het eind van zijn schets van de geschiedenis van de pauselijke onfeilbaarheid concludeert deze theoloog dan:

  • ‘De papistische toespitsingen van de leermacht in theorie en praktijk kunnen zich baseren op nu bewezen vervalsingen en daarop gefundeerde decretalia, maar niet op de Schrift en niet op de gemeenschappelijke oecumenische traditie van de kerk van de eerste duizend jaar.’

Dit is een vernietigend oordeel: onmogelijk dat Rome deze uitdaging links zou laten liggen. Dit is dan ook gebeurd. Küng  heeft zijn leerstoel moeten opgeven. Het boek is zonder het Imprimatuur (bisschoppelijke goedkeuring) uitgegeven: ‘Omdat het’, aldus Küng, ‘naar wij hopen ook zonder Imprimatuur katholiek is’. Zijn warme openhartigheid en oprechte kritiek doet de afkeer ten opzichte van alles wat met Rome te maken heeft, een beetje wegsmelten. Niet om maar enige sympathie te koesteren voor de hiërarchie van het roomse imperium, maar wel voor haar onderdanen van het formaat van Küng: hij blijkt zich in zijn teleurstelling over het succes van de curiale sabotagedaden ten aanzien van het Vaticaanse concilie, toch als een echt gelovig mens te ontpoppen en hij blijft vertrouwen op de Schrift.

Als hem in een interview gevraagd wordt waar de onbederfelijkheid van de kerk blijft (bedoeld wordt dat de poorten van de hel de gemeente niet zullen overweldigen) ten tijde van de renaissancepausen, van paus nr. zoveel en tijdens alle dieptepunten, die vooral de katholieke kerk zo ruimschoots kende en kent, luidt het antwoord van Küng:

  • ‘Die onbederfelijkheid kwam tot uiting bij alle mensen, die de hoop niet verloren hebben, die ondanks alles het evangelie bleven brengen en beleven en die voor vernieuwing van de kerk gewerkt hebben in kleine groepjes (!)’. Wanneer hem gevraagd wordt of de hiërarchie of theologie beslissend is voor de kerk, antwoord hij met een hartgrondig: ‘Nee! Beslissend is: wie is christen, wie leeft als christen. Wie geeft blijk van de waarheid van het evangelie.’

Kerk of beweging

Het boek is daarom zo interessant, omdat het duidelijk de gedachte uitspreekt, dat de gemeente van God niet een onveranderlijke statische grootheid is, maar in beweging is. Dit komt overeen met de gedachte, dat een gemeente altijd in beweging moet blijven. Als dit eindigt, als men niet meer beweegt, als men meent gearriveerd te zijn, is dat het einde van de dynamische ontwikkeling. Om het met de woorden van Küng te zeggen:

  • ‘Het is een verschil of zij (theologie en kerk) in al haar vechten om de waarheid open blijft staan voor de steeds grotere waarheid, dan wel de waarheid en zichzelf opsluit in de gouden kooi van een gesloten systeem’.

Dit is ons uit het hart gegrepen, juist omdat dit gevaar ook voor evangelische gemeenten dreigt. Vooral voor hen die de aardse Israëleer aanhangen; dezen zijn inmiddels onbereikbaar geworden voor het énige evangelie van Jezus Christus. Steeds weer is er de neiging, om rustig te gaan zitten, gearriveerd en geassimileerd; tevreden met de omstandigheden en het bereikte. Tevreden met het feit, dat de leer wel rond zit en er daarna niets meer overblijft dan wat men heeft, om te herhalen en duizendmaal te herkauwen.

Het vierde hoofdstuk van dit boek is in dit opzicht zeer lezenswaardig. Het zal opnieuw geboren christenen kunnen behoeden voor instituering van een ‘gearriveerde gemeente’. Het voorkomt religieus establishment. ‘De officiële kerken doorzien dit niet, of ten dele en daarom kan God niets nieuws aan ze kwijt:

  • ‘Daarom’, zegt Küng, ‘laat God de officiële kerk ook dwalen (11) om haar steeds weer zo voor de hand liggend vertrouwen op mensen in plaats van vertrouwen op zijn woord alleen te breken’.

Wij zeggen hierop van harte amen. En dit geldt voor alle officiële kerken en groepen. Wij weten dat dit volkomen in overeenstemming is met de gedachten die Paulus in Romeinen 9 uiteenzet, als hij spreekt over het verkiezend voornemen van God. Niet de gezapige rust van de kerkelijke verbondsleer, niet de automatische overerving van de ‘redding’ die de voorvaders bezaten en ook niet enige garantie die zou liggen in het ‘eens gekozen hebben’, besprenkeld te zijn, of wat ook. God manifesteert zich daar, waar dynamisch, ontwikkelend geloofsleven is. Waar niet behaaglijk achterom gezien wordt naar alles, wat bereikt is, maar waar gelovig en verlangend vooruit gezien wordt naar het meerdere, dat God geven wil.

De hoop en het verlangen, die de auteur tot uitdrukking brengt, nemen echter niet weg, dat hij ‘rücksichtslos’ van leer trekt tegen alles, wat in zijn kerk indruist tegen het evangelie. En hier komt hij met zulke vernietigende argumenten, dat de Duitse bisschoppen zich tot een verklaring over ‘de vijf basisgegevens van de katholieke theologie’ gedrongen voelden en de Italiaanse bisschoppen zelfs zo ver gingen, dat het boek van Küng uit de katholieke boekhandel genomen werd!

Citaten

Hans Küng is duidelijk teleurgesteld. Dit kan ook niet anders wanneer men zich na dit boek nog nadrukkelijk rooms katholiek blijft noemen. Het is alles of niets. De Heer neemt nu eenmaal geen genoegen met minder of half werk. De hoop, die door en tijdens het Vaticaans concilie geboren werd, is daarom voor hem grotendeels vernietigd. In zijn uitvoetige voorwoord geeft hij hier openhartig blijk van:

  • ‘Wel heeft men de index afgeschaft en aan de Romeinse inquisitie een andere naam gegeven. Maar nog altijd komen er inquisitieprocedures tegen niet geliefde theologen. Wel ‘hervormt’ men – op hoogst onhandige wijze – de kalender van de kerk ten koste van enige onhistorische heiligen, maar men meent tegelijk het gebeente van Petrus onder de St. Pieter kerkelijk officieel te kunnen identificeren, ofschoon dit door de meest competente historici wordt afgewezen. De slepen van de kardinalen heeft men verkort maar niet afgeknipt. De aflaten heeft men ‘herzien’, maar niet afgeschaft; de kosten voor heiligverklaring processen verlaagd, maar niet totaal opgeheven… Wel is men naar Jeruzalem gereisd en heeft men de Israëlische regering begroet. Maar men heeft om politieke redenen de staat Israël nog steeds niet erkend.
  • Tegenover de reis naar de Verenigde Naties en redevoeringen over de rechten van de mens staat het diplomatieke zwijgen over de Zuid-Amerikaanse dictaturen en een reis naar Portugal, waar toen aan onderdrukking van de vrijheid in staat en kerk met de ruwste totalitaire methoden eveneens zwijgend voorbij werd gegaan, maar wel eer werd gebracht aan een historisch en theologisch in alle opzichten dubieuze bedevaartplaats van Maria. Wel maakt men reizen naar Afrika, Azië en Zuid-Amerika, die als contacten met de derde wereld een groot publiciteits-succes vormen. Maar het centrale probleem van die gebieden, de bevolkingsexplosie, meent men te kunnen afdoen, met het advies van onthouding en het verbod van anticonceptionele middelen.
  • Bij dit alles past, dat de paus tegenover de rechtmatige en gemotiveerde eis van de Nederlandsche bisschoppen en hun kerk om de celibaatswet opnieuw te bezien, eerst met een grof ‘nee’ vanuit het venster van zijn paleis antwoordde, alsof het ging om een dogma van de kerk of om een door hem alleen te beslissen aangelegenheid; dat hij in plaats van die dialoog met zijn Nederlandse broeders in het bisschopsambt de dialoog met de op de lagere verdieping wonende kardinaal-staatssecretaris zocht, aan wie hij een brief schreef; dat hij tenslotte als repressieve maatregel van een afgrond diep wantrouwen heel de clerus de jaarlijkse vernieuwing van de priesterbeloften wilde opdringen binnen de liturgie van de Witte Donderdag, alsof men door beloften en eden het falende verstand en de falende Bijbelse motivering zou kunnen compenseren’.

Dit komt natuurlijk hard aan. De fundamenten van het pauselijk gezag en van de ‘theologoumena’ van de Romeinse traditie, die Küng hier blootlegt, blijken nu zo volslagen ondeugdelijk te zijn, dat een eerlijke reactie hierop het hele centrale Romeinse bestuur ondersteboven zou werpen. Het voornaamste bezwaar van Küng is, dat eenmaal gedane ‘onfeilbare’ leeruitspraken, die achteraf ronduit als dwaling moeten worden gekenschetst, nooit worden tenietgedaan door een ruiterlijke erkenning van de dwaling, maar steeds weer door allerlei falsificaties, draaierijen en geraffineerde theologische dialectiek geneutraliseerd worden.

Het omgekeerde van wat hiermee wordt beoogd, namelijk handhaving van het onfeilbare pauselijke gezag, gebeurt hierdoor. Dat blijkt vooral na de publicatie van de encycliek ‘Humanae vitae’, die handelt over geboorteregeling. Het rechtstreekse verbod van de paus tot gebruik van de pil, ex-cathedra uitgesproken, heeft zijn gezag enorm ondermijnd. Massaal gebruikt men de anticonceptie. De schrijver stelt deze encycliek als modelprobleem, om aan de hand daarvan te bewijzen hoe groot de kloof is tussen Romeinse clerus en leek: Met pijnlijke nauwkeurigheid volgt deze theoloog de verrichtingen van de paus en zijn hof en toont daarbij aan, hoe anachronistisch en wereldvreemd triomfalistisch zijn gedragingen en uitspraken zijn:

  • ‘Rond vijfentwintig maal wordt in deze encycliek verwezen naar ‘de leer van de kerk’ en ‘het leerambt’, terwijl ‘evangelie’ slechts tweemaal en uitsluitend als ‘evangelische wet’ voorkomt (alsof volgens Paulus wet en evangelie geen tegenstellingen zijn).
  • Rond dertig maal is er sprake van de ‘wet’ die door de kerk wordt bewaard en voorgehouden, terwijl wel de vrijheid, van de wil en de burgerlijke vrijheid genoemd worden, maar niet de ‘vrijheid van de kinderen van God’ (alsof volgens Paulus, Christus ons niet van de wet bevrijd heeft tot deze vrijheid!).
  • Veertig maal worden pauselijke uitspraken geciteerd, dertienmaal uitspraken van het Vaticaan (door dezelfde paus die aan ditzelfde concilie een stellingname in deze kwestie verboden heeft), terwijl de Schrift zestien maal geciteerd wordt, vooral in moraliserend verband en in elk geval nooit ter fundering van de voornaamste stelling.
  • Dit alles zijn duidelijke tekens, hoe in dit document de christelijke vrijheid door de wet, het evangelie van Jezus Christus door het kerkelijk leerambt, de Schrift door de pauselijke traditie, worden overheerst; tekenen dus hoezeer het leerambt van de katholieke kerk nog altijd lijdt onder de moraliserende verwettelijking, de levensvreemde ideologisering en het triomfalistische papalisme’.

Wij kunnen Küng in deze en soortgelijke uitingen, waarvan zijn boek vol staan, geheel volgen. Dezelfde worsteling, waarin deze mens nu verwikkeld is, hebben wij ook door moeten maken toen we ons gingen losmaken van het autoritaire gezag van de minder spectaculaire, de minder pompeuze, maar zeker niet minder moraliserende verwettelijking van de reformatorische leer. Rome mag één paus en curie hebben, in de gereformeerde kringen krioelt het van de pausjes, die hun imperium met even onhoudbare en on-Bijbelse wetten overeind proberen te houden.

Een zeer lezenswaardig boek, niet steeds even gemakkelijk, vooral vanwege de nogal schaarse leestekens, maar erg leerzaam; zeker om de gemeenten te behoeden voor ‘pausvorming’.